Non-fictie

BOEKEN NR. 7, JULI 2018

Bert Sliggers, Jos van Waterschoot (red.) : Onder de toonbank: Pornografie en erotica in de Nederlanden

door Christophe Van Eecke

No Sex Please, We’re Dutch
 
Onder de toonbank is een collectie rijk geïllustreerde essays die de geschiedenis van de pornografie en andere erotische publicaties in de Nederlanden onderzoeken, van de middeleeuwen tot vandaag. De bijdragen in deze bundel schetsen enerzijds een historisch kader van de verschillende eeuwen en culturele tijdperken en spitsen zich anderzijds toe op specifieke thema’s zoals de homoseksuele en lesbische erotiek, de strip en de graphic novel, het Oriëntalisme en de koloniale literatuur, of het motief van de blanke slavin.
 
Hoewel het boek zowel Vlaanderen als Nederland bestrijkt, ligt de nadruk in de praktijk vaak op Nederland en wordt de Vlaamse context veeleer bekeken vanuit een Nederlands perspectief. Dat zou voor de hand kunnen liggen als men bedenkt dat Nederland altijd al een reputatie heeft gehad voor vrijheid, en met name voor seksuele vrijheid, terwijl Vlaanderen bekend staat als conservatief en katholiek. Eén van de conclusies die zich na lectuur van het boek opdringen, is evenwel dat het met die Hollandse vrijheid nog wel meevalt, en dat wil in dit geval zeggen: tegenvalt.
 
Met uitzondering van enerzijds de zeventiende eeuw, toen de Noordelijke Nederlanden een tijdlang een toevluchtsoord waren voor dissidente denkers als Descartes en Spinoza, en ook vanop eigen bodem een aantal radicale stemmen hun werk publiceerden (een geschiedenis die Jonathan Israel meesterlijk heeft gereconstrueerd in zijn studie van de Radical Enlightenment), en anderzijds de periode van de seksuele revolutie tot eind jaren 1970, toen half Europa naar Nederland op vakantie trok om de seksshops leeg te kopen terwijl de Belgen bussen inlegden om massaal in Sluis en Hulst Wim Verstappens Blue Movie (1971) te gaan bekijken (een geschiedenis die vermakelijk werd gereconstrueerd in Hans Schoots’ boek Van Fanfare tot Spetters), blijken de Nederlanders niet minder bekrompen te zijn geweest dan hun naaste en minder naaste buren.
 
Zonder vijgenblad voor de pen
De samenstellers en uitgevers hebben bij het bedenken van Onder de toonbank een aantal zeer gelukkige keuzes gemaakt. Zo is de toon van het boek niet al te zwaar. Academisch jargon wordt gemeden, er wordt helder Nederlands geschreven, en er is vaak een licht ironische toets. Dat laatste moet ook, want vandaag kan natuurlijk alles (zo geloven we zelf graag) en kijkt niemand nog ergens van op (wat in de praktijk ook al eens durft tegenvallen). Maar het moet gezegd: de auteurs nemen hun onderwerp serieus, getuigen van een gezond relativeringsvermogen, en nemen hoegenaamd geen vijgenblad voor de pen.
 
De auteurs zijn allen experts in hun onderwerp, maar ze schrijven voor een breed publiek. Elk essay is bovendien voorzien van een bibliografie, zodat de wetenschappelijke waarde van het boek gevrijwaard wordt en de bronnen voor citaten en verwijzingen makkelijk kunnen worden achterhaald. Ten slotte is er ook een rijke iconografie. Op vrijwel elke bladzijde staan verbluffende illustraties, vaak in kleur, van zeldzame oude prenten of uitgaven, vergeten gewaande pornoblaadjes, scabreuze spotprenten en pornografische strips, of ander archiefmateriaal. Iconografisch is het boek een ware schatkamer. En ook hier wordt geen vijgenblad gehanteerd: alles (met uitzondering van het pedofiele genre, dat door de wetgever streng is verboden) mag aan bod komen, zelfs een enkele afbeelding van homofiele poepseks.  
 
Dat is echt een enorme verademing, want te veel boeken over seksualiteit en erotiek gaan gebogen onder een vorm van geborneerde preutsheid, waardoor ze kunnen aanvoelen als een klef en gefrustreerd plaatjesboek met wat tekst als pseudowetenschappelijk vijgenblad. Onder de toonbank is daarentegen een lust voor het oog en biedt ongegeneerd een prachtig spectrum van afbeeldingen die anders zeer moeilijk te vinden zijn. De harde kaft, met een uitgesneden X in het midden van de voorkaft, is bovendien zeer elegant vormgegeven, waardoor dit boek ook een echt hebbeding is.
 
Verschillende aspecten van het boek verrassen, zelfs voor de lezer die meent enigszins op de hoogte te zijn van het erotisch boekbedrijf. Zo moet men zich verbazen over de enorme hoeveelheid erotische (doorgaans ‘realistisch’ genoemde) en pornografische pulpromans die in een keur aan romanreeksen door verschillende uitgeverijen werden verspreid, waarbij de aangeboden titels niet alleen vertaald werk betroffen, maar ook een verbazingwekkend hoog aantal schrijfsels van eigen bodem.  
 
Opmerkelijk: in de jaren vijftig en zestig treedt de Nederlandse overheid zo hard op tegen vunzige boekjes dat de beschikbare titels bijna allemaal van Vlaamse uitgevers komen. In Vlaanderen ontwikkelt zich in die tijd ook een eigen pornoliteratuur. Bovendien bloeit in deze tak van de Vlaamse uitgeverij ook het genre van de swastikaporno: seks en geweld in de Nazi-kampen (een genre dat in de jaren zeventig ook in de seksbioscoop een tijdlang bezoekers trok). Zo mogelijk nog talrijker zijn de sekstijdschriften, met tientallen titels en reeksen voor alle denkbare voorkeuren en niche-praktijken. Het bewijst nog maar eens dat sex sells en dat iedereen erin geïnteresseerd is, zelfs (en vooral) die mensen die er publiekelijk hun neus voor ophalen.
 
Meer dan eens blijkt de veroordeling van een obsceen boek door kerk en justitie te resulteren in een plotse monsterverkoop. Dat maakt niet alleen duidelijk dat er altijd al een breed maar vaak onuitgesproken maatschappelijk draagvlak is geweest voor pornografie van alle slag (waarbij de term moral majority voor een keer terecht kan worden aangehaald: bijna iedereen is voorstander, maar durft het niet zeggen), het roept ook de vraag op in wiens naam kerk en staat pornografie in de ban slaan en wat het maatschappelijk draagvlak is voor de straffen die de makers en verspreiders van vunzige boekjes, plaatjes, of films aan hun broek krijgen (de term dominant minority biedt zich spontaan aan: een kleine maar luid schreeuwende groep die zich strategisch het standpunt van de moraal en het fatsoen hebben toegeëigend).
 
Een rijk panorama
Ondanks de overweldigende weelde aan afbeeldingen, vaak paginagroot, kan de lezer zich toch vertillen aan de grote hoeveelheid tekst. Dit is niet zomaar een prikkelend koffietafelboek zoals we dat uit de stal van Taschen kennen: de teksten zijn gedegen en goed gedocumenteerd, en hebben soms zelfs de neiging exhaustief te willen zijn. Dat leidt enerzijds naar een trend tot opsomming van titels in bepaalde bijdragen, anderzijds betekent het ook dat er enige overlapping is tussen de hoofstukken. Het voordeel is dan weer dat de lezer doorheen de bundel een zeer coherent en veelzijdig beeld krijgt van de geschiedenis van de erotische publicatie in de Nederlanden, waarbij alle denkbare aspecten aan bod komen. Van Jan Cremers schandaalsucces over de voorlichtingsrol van de NVSH tot de strijd tegen de prostitutie of de geschiedenis van de homo-emancipatie: het vindt allemaal zijn plaats in dit rijkelijk gevulde panorama. Enkel de vrij korte laatste bijdrage, over het genre van de blanke-slavinnenroman, stelt wat teleur omdat het een conclusie mist en dus wat met een sisser afloopt.
 
Verder zal de lezer in deze bladzijden ook talloze minder of meer vergeten talenten herontdekken. Niet het minst moet hier het werk van tekenaar Theo van den Boogaard worden vermeld, wiens prachtige grafische werk meermaals wordt gereproduceerd. Daarnaast zal men geneigd zijn om een aantal romannetjes van beruchte Nederlandse en Vlaamse veelschrijvers van pulp-erotiek te gaan opzoeken, al was het maar om de wufte lucht van vintage- of retro-charme die dit soort lectuur inmiddels aankleeft met eigen ogen te proeven.
 
De bijdrage van Th. Van Os valt bijzonder op, niet zozeer omdat de auteur de homo-erotiek behandelt, maar vooral omdat er een polemische ondertoon in zijn tekst zit. De auteur neemt namelijk nadrukkelijk stelling tegen de gedachte dat homoseksualiteit niet bestond voor het woord in de late negentiende eeuw werd uitgevonden. Deze stelling is overgenomen uit het sociaal constructionisme binnen genderstudies en impliceert dat mensen die in vroegere eeuwen seks hadden met personen van hetzelfde geslacht onmogelijk over zichzelf konden hebben gedacht als personen die wij vandaag ‘homoseksueel’ zouden noemen omdat het woord ‘homoseksualiteit’ nog niet was uitgevonden. (Eigenlijk bedoelt men dan dat het concept nog niet was gearticuleerd en dat is een belangrijke nuance.) Dat betekent dat die mensen eigenlijk alleen maar een gedrag stelden (sodomie) en dat daar verder geen persoonlijkheidsstructuur aan te pas kwam, en dus eigenlijk ook geen echte romantiek, verliefdheid, of besef van identiteit die zouden lijken op wat wij vandaag kennen.

Van Os noemt dit terecht onzin, met name omdat niemand dezelfde bedenking maakt rond heteroseksuelen, hoewel het begrip ‘heteroseksualiteit’ ook pas in de late negentiende eeuw werd uitgevonden. Wie dit soort sociaal constructionisme volgt, zou bijvoorbeeld moeten durven besluiten dat Romeo en Julia geen toneelstuk over de psychologische complexiteit van jeugdige verliefdheid is, maar een stuk over voortplanting en, meer specifiek, jongvolwassen paringsgedrag. Bovendien is er een enorme rijkdom aan historische documentatie over de gelijkgeslachtelijke liefde die de sociaal-constructionistische stelling weerlegt.

Zoals Van Os aangeeft, wordt dit materiaal echter vaak op een verwrongen manier geïnterpreteerd. Zowel teksten als afbeeldingen worden aan geforceerde interpretaties onderworpen om maar niet te hoeven erkennen dat die mensen die driehonderd jaar geleden seks hadden met, of liefdesbrieven schreven aan iemand van hetzelfde geslacht gewoon homo of lesbo waren. Hoewel de door Van Os gewraakte interpretatie van het sociaal constructionisme lang niet door iedereen binnen genderstudies of het feminisme even strikt wordt aangehangen, is de idee van ‘homoseksualiteit bestond niet voor het woord werd uitgevonden’ in onze maatschappij een sloganesk eigen leven gaan leiden en duikt ze overal op als een soort vanzelfsprekende waarheid. Net daarom is het zo verfrissend, maar eigenlijk ook zeer noodzakelijk, dat een gezaghebbende stem in dit boek zo nadrukkelijk afstand neemt van de gedachte en deze manier van denken afwijst als de onzin die het is.
 
Nieuwe preutsheid
De vrijmoedigheid waarmee Onder de toonbank geïllustreerd werd, roept ten slotte ook de vraag op van de nieuwe preutsheid die om zich heen grijpt. In zijn bijdrage over sekstijdschriften stelt mede-samensteller Bert Sliggers de vraag of een dergelijk boek in de toekomst überhaupt nog zal kunnen worden gepubliceerd nu er meer en meer een neiging ontstaat om te censureren in naam van de zorg om de gemakkelijk gechoqueerde of aan blote lichamen allergische medemens. Naast de toenemende ‘pornoficatie’ van onze maatschappij en het bijhorende uithollen van de privacy online, waar jongeren bijzonder alert voor zijn, speelt ook het multiculturalisme hierin een rol.  <br /> 
Men hanteert pro-actief het vijgenblad (wat betekent: men doet aan zelfcensuur) omdat men zich overal bekeken voelt, of om mensen met bepaalde religieuze of andere gevoeligheden niet te bruuskeren. Getuige ook de toenemende mode, niet langer alleen bij jongens en mannen met een islam-achtergrond, om na het sporten half gekleed te douchen en krampachtig bij iedere handeling het geslachtsdeel te bedekken, alsof hun pik zal afvallen als iemand anders hem ziet. Dat men met dergelijke (zelf)censuur, die in toenemende mate ook wordt opgelegd (door middel van allerhande speech codes en trigger warnings) vaak ook de vrijheden, gevoeligheden en genoegens van andere mensen bruuskeert, en op die manier de vrijheid en diversiteit ondermijnt, is iets waar niet iedereen van wakker lijkt te liggen.
 
Ook de wetgever springt tegenwoordig weer graag op de kar van de censuur. Dat reëel kindermisbruik wordt aangepakt, is uiteraard vanzelfsprekend, maar dat ook fictionele pedofilie (dat wil zeggen: de uitbeelding van seks met minderjarigen in proza of in tekeningen of digitale beelden zonder dat er echte personen aan te pas komen) in steeds meer landen buiten de wet wordt gesteld, roept vragen op. Zullen we voortaan Lolita verbranden? Moet Sade ook weer op de brandstapel? Zullen we de David van Donatello omsmelten en putti van Valentijnskaartjes weren?
 
Nog in 2010 werd in Nederland bestialiteit buiten de wet gesteld (een seksuele voorkeur waar voorheen ook een kleine nichemarkt aan tijdschriften voor bestond). Seks met dieren luidt dan pervers te zijn, en tevens een vorm van dierenmisbruik, en zowel de daad zelf als de uitbeelding ervan zijn illegaal. Maar zullen we dan de Metamorfosen van Ovidius verketteren als uitgroeisel van de collectief perverse geest der antieken? Ons continent een nieuwe naam geven omdat het vernoemd is naar een vrouw die zich liet verleiden door een stier? Alle schilderijen van Leda en de zwaan verbranden? <br /> 
Tegelijk worden dieren in onze maatschappij met tienduizenden per dag industrieel geslacht nadat ze even industrieel, en vaak in gruwelijke omstandigheden, zijn opgefokt. Talloze mensen zijn in die martelbranche tewerkgesteld of verdienen er grof geld aan, en vrijwel iedereen eet dat vlees. Je mag dieren ook afstropen en hun huid op je rug (een lederen jas), om je hals (een bonten kraag) of aan je voeten (lederen schoenen) dragen. Al die mensen gelden als gezonde, fatsoenlijke en morele burgers. Maar wie seks heeft met zijn hond of geilt op een paardenpik, is plots erg ziek. Afmaken mag, aftrekken niet. Men kan zich ook hier de vraag stellen wie nu eigenlijk echt de zieke geest heeft.
 
Bert Sliggers en Jos van Waterschoot (red.): Onder de toonbank: Pornografie en erotica in de Nederlanden, Van Oorschot, Amsterdam 2018, 287 p. : ill. ISBN 9789028280359. Distributie Elkedag Boeken

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2018

Een knipperend ogenblik. Portret van Remco Campert

Mirjam Van Hengel

Het epos van sjeik Bedreddin

Nazim Hikmet

Istanbul, Istanbul

Burhan Sönmez

Nova

Daniël Samkalden

Twee mensen samen

Knud Sønderby

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2018

Jij begint

Kees Spiering, Alette Straathof (ill.)

Laat een boodschap achter in het zand

Bibi Dumon Tak, Annemarie van Haeringen (ill.)

Liefde en duisternis. Heldenverhalen uit vervlogen tijden

Ed Franck, Anne Westerduin (ill.)

Van twee ridders

Imme Dros, Harrie Geelen

Viktor

Jacques Maes, Lise Braekers

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri