Vertaald proza

BOEKEN NR. 8, SEPTEMBER 2018

François Rabelais: Gargantua en Pantagruel

door Laurent De Maertelaer

Pantagruwelen voor vermaarde drinkebroers en dierbare sieflijders
 
Uitgeverij IJzer etaleert én epateert met een doorluchtige heruitgave van de beroemde romancyclus Gargantua en Pantagruel van François Rabelais (1494-1553). De bejubelde vertaling van Hannie Vermeer-Pardoen, die in de tweede helft van de jaren ‘90 in drie boekdelen verscheen bij Van Gennep, werd voor de gelegenheid geheel herzien en in een oogverblindende publicatie gegoten. De integrale tekst zit vervat in één flink uit de kluiten gewassen band, een pil van bijna 900 bladzijden. De grote vormelijke dimensies houden gelijke tred met de inhoud: Rabelais vertelt immers het leven van de reuzen Gargantua en Pantagruel en neemt vanuit een humanistisch ideaal onverbloemd de Franse samenleving, de Kerk en de politiek op de korrel. Een nieuwe generatie ‘vermaarde drinkebroers’ en ‘dierbare sieflijders’ — aan wie deze ‘Pantagruwelijke kroniek’ is opdragen — kan nu eindelijk weer zijn hart ophalen aan dit satirisch en scabreus meesterwerk uit de middeleeuwen.
 
Een uitmuntende uitgave
De nieuwe uitgave is een toonbeeld van vakkundige boekdrukkunst. Het is een kloek in de handen liggende gebonden editie — anderhalf kilo los aan de haak — met een harde kaft, die stijlvol is bekleed met een zwarte linnen omslag. Op de rug prijkt in mooie gele letters de naam van de auteur, de titel en het logo van de uitgever. Een stofomslag in de kleuren oranje, geel en wit omvat het geheel en biedt bescherming tegen beschadiging en ander onheil. De kleuren oranje en geel worden speels herhaald in de twee leeslinten en in de kapitaalbandjes. Op de achtergrond van het voorplat, in rood-oranje tinten, staat de bekende gravure uit 1851 van Gustave Doré waarop de jonge Gargantua gevoederd wordt. Op de binnenflap staat een mooi portret van Rabelais door Peter van Hugten en op de achterzijde van de Franse pagina bevindt er zich een frontispice, eveneens een portret van de auteur, in zwart-wit gereproduceerd en anoniem, want uitgevoerd door een onbekende zestiende-eeuwse schilder. Het geheel van deze details geven deze editie een opulente, voorname en luxueuze uitstraling. Het is duidelijk dat Rabelais’ tekst hoog wordt ingeschat door de uitgever: deze Gargantua en Pantagruel is niet meer of minder dan een paradepaardje, een verbluffende proeve ook van diens liefde voor het vak.
 
Het binnenwerk maakt van deze prachtige uitgave evenzeer een pronkstuk. De vormgeving van Damiaan Renkens is strak, verfijnd en sober. De keuze om de tekst te zetten uit de Lexicon is een schot in de roos: samen met de meer dan voldoende ademruimte biedende bladspiegel maakt het deze uitgave bijzonder leesbaar en letterlijk oogstrelend. Alle oorspronkelijke nawoorden van Vermeer-Pardoen zijn overgenomen uit de Van Gennep-edities, net als het uitgebreid notenapparaat. De nawoorden zijn verhelderend en leerrijk, sporen aan tot verdere lectuur. Zo geeft de vertaalster een biografische schets van Rabelais en een beknopte uitleg over de maatschappelijke context waaruit zijn boek voortkwam. Ook een korte inhoud van alle aparte delen komt aan bod, net als de receptiegeschiedenis en een analyse van de vertaalproblemen die Vermeer-Pardoen onderweg tegenkwam. Voorin het boek is er een gedetailleerde inhoudsopgave met een opsomming van alle hoofdstuktitels. Deze laatste zijn op zichzelf al erg vermakelijke lectuur. Bijzonder waardevol is ten slotte de beknopte bibliografie helemaal achterin het boek, met een lijst van tekstkritische edities van Gargantua en Pantagruel, alsook een bondige selectie met secundaire literatuur over het beroemde werk en zijn auteur.
 
De ontstaansgeschiedenis
Gargantua en Pantagruel bestaat uit vijf boeken. De eerste twee boeken worden weleens vergeleken met de Ilias, de volgende drie met de Odyssee. Gargantua is de naam van een reus uit de mondelinge traditie van het middeleeuwse Frankrijk. Tussen 1532 en 1534 verschenen er ongeveer acht anonieme Gargantua-kronieken. In 1532 besloot Rabelais — onder het pseudoniem Alcofribas Nasier, een anagram van zijn naam — om ter vertier en voor eigen vermaak een vervolg te schrijven op die kronieken door de levensloop van Gargantua’s zoon, Pantagruel, te boekstaven. Toen Pantagruel verscheen werd het meteen door de theologen van de Sorbonne als een obsceen boek veroordeeld. De machtige bisschop van Parijs, Jean du Bellay, nam Rabelais in bescherming en nam de schrijver-dokter mee als lijfarts op een diplomatieke missie in Rome. Rabelais gaf de Sorbonne lik op stuk door in 1534 Gargantua te publiceren, een soort voorgeschiedenis op Pantagruel, waarin de theologen de wind van voren krijgen en worden bespot. In latere edities werd de chronologie in het verhaal bewaard en Gargantua werd steeds als het eerste boek opgenomen, gevolgd door de avonturen van Pantagruel als het tweede boek.
 
In het eerste boek beschrijft Rabelais in een gepersifleerde stijl eigen aan de ridderroman de eerste levensjaren van de reus Gargantua. Zijn vader Grandgousier is een echte smulpaap en drinkebroer. Zijn moeder Gargamella is niet veel beter, want Gargantua wordt uit haar linkeroor geboren omdat ze te veel rolpens heeft gegeten en de kleine hierdoor het daglicht niet via de geijkte weg kan zien. Gargantua is erfelijk belast: zijn eerste woordjes ‘wêên wêên’ klinken als ‘wijn wijn’ en zijn een voorbode van zijn latere drankzucht. De eerste jaren krijgt Gargantua onderricht van ‘sofistische leermeersters’, maar volgens zijn vader wordt hij daardoor alleen maar dommer en luier. Samen met de bediende Eudemon stuurt Grandgousier zijn zoon naar Parijs om in de leer te gaan bij de humanist Ponocrates, ‘volgens een systeem waarbij geen uur van de dag verloren ging’. Hij verfijnt er zijn lichaam en zijn geest. Ondertussen is Grandgoussier in een oorlog verwikkeld tegen de ‘platte-koekenbakkers uit Lerné’ onder leiding van koning Picrocholle. Gargantua snelt zijn vader te hulp en gezamenlijk behalen ze met de vingers in de neus de overwinning.
 
Het tweede boek verhaalt de levensloop van Gargantua’s zoon Pantagruel. Gargantua’s vrouw Badebec, dochter van de koning der Amauroten, sterft in het kraambed, ‘want het kind was zo verbazend groot en zo zwaar, dat het niet tevoorschijn kon komen zonder eerst zijn moeder om zeep te helpen.’ Naar het voorbeeld van zijn vader gaat Pantagruel studeren in Parijs, waar hij Panurge ontmoet, die ‘zijn vriend voor het leven’ wordt. Wanneer de Dipsoden Amaurauto binnenvallen, de hoofstad van zijn geboorteland Utopia (Rabelais ontleende de namen uiteraard aan Thomas More), trekt Pantagruel ten oorlog. Op grandioze en onverbiddelijke wijze hakt hij iedereen in de pan.
 
Na de publicatie van Gargantua in 1534 bleef het twaalf jaar lang stil. In 1542 zag een ‘definitieve’ uitgave van de eerste twee romans nog het daglicht, maar het duurde uiteindelijk tot het begin van 1546 voor de verschijning van het Tiers-livre, dit keer niet langer onder pseudoniem maar onder Rabelais’ eigen naam. Ondanks een privilege van koning Frans I in 1545, opgenomen in deze vertaling, stootte ook dit boek meteen op een veroordeling door de Sorbonne. Het derde boek sluit aan bij het einde van Pantagruel. Gargantua’s zoon heeft inmiddels het land van de Dipsoden bezet. In een gloedvolle verhandeling wordt hij geprezen als een uitmuntend vorst. Panurge daarentegen laat het breed hangen en slijt zijn tijd met zuipen, schulden maken en vrouwen. Pantagruel betaalt Panurges schulden en eist dat zijn vriend zich herpakt en trouwt. Panurge raakt er niet uit of een huwelijk voor hem wel zo heilzaam zou zijn en hij vertrekt dan maar op een zeereis om het ‘Orakel van de Goddelijke Fles’ te raadplegen. Het derde boek eindigt met de voorbereidingen van die reis.
 
In 1551 is het vierde boek klaar. Het vierde boek bestaat bijna geheel uit de zoektocht naar de Goddelijke Fles of Bakbuk, het orakel van de wijn. De reis is niet zonder gevaar want het orakel bevindt zich ergens in de buurt van Indië, een plaats die de avonturiers bereiken door via het westen de noordpool te ronden. Onderweg beleven de vrienden vele avonturen en vallen van de ene verbazing in de andere.
 
In 1562, negen jaar na de dood van Rabelais, verscheen het Isle sonnante, de zestien eerste hoofdstukken van wat twee jaar later als het Cinquième-livre uitkwam. Hoewel de echtheid van die laatste publicatie tot op vandaag in twijfel wordt getrokken, had dit boek niet minder succes dan de vier voorgaande, wel integendeel. Ook het auteurschap van Rabelais is een twistpunt wat dit slotdeel betreft. Ofwel is het hele vijfde boek in zijn geheel een falsificatie (wat in die tijd niet geheel ongewoon was) ofwel heeft Rabelais slechts delen geschreven en is boek vijf niet meer dan een reconstructie op basis van aantekeningen uit de nalatenschap van de schrijver. Hoe dan ook, Panurge en zijn vrienden zetten hun reis uit het vierde deel verder. De waaghalzen doen weer een hoop eilanden aan, zoals Galmeiland, het IJzerwareneiland, het Stecheleiland en Mateotechnia (‘het eiland van de nutteloze kennis’). In de beschrijvingen van de eilanden is telkens op verdoken wijze en tussen de lijnen zware kritiek op de katholieke kerk te lezen. Het hoogtepunt van het vijfde boek is de aankomst bij het Orakel van de Heilige Fles en het moment waarop de hogepriesteres Bakbuk slechts één woord uitspreekt om Panurge eens en voor altijd uit zijn lijden te verlossen: ‘Trinch’.
 
In een kort gedichtje ‘Aan de lezers’ opent Rabelais zijn kroniek en geeft meteen aan waar het volgens hem om te doen zal zijn:
 
‘Gij vrienden die dit boekje lezen gaat,
Laat nimmer door vooroordeel u leiden.
Bedenk dat ergernis bij ’t lezen schaadt,
Iets wat ge volstrekt dient te vermijden,
Daar hier geen onvertogen woordje staat.
Dit boek is niet volmaakt, maar ‘k ben tevree,
Als ’t u eens lekker lachen doet in stee
Van al die nare zorgen, dat chagrijn.
Liever een lach dan steeds ach en steeds wee,
Want lachen blijkt mensen eigen te zijn.’
 
In het zog van medici uit de oudheid was Rabelais overtuigd van de genezende werking van lachen. Hij wilde zijn lezers niet alleen een glimlach op het gelaat tekenen, maar ze ook ronduit doen gieren en brullen van jolijt. Om dit doel te bereiken had Rabelais heel wat technieken in petto. De belangrijkste en meest voorkomende is de hyperbool: alles in Gargantua en Pantagruel is zo buitenmaats of overdreven dat het grappig wordt. Komisch is ook de nauwkeurigheid waarmee Rabelais sommige kwesties beschrijft: hij gaat soms zo ver in detail dat de lezer door een bos van absurdisme de bomen niet meer ziet. Het vermengen van historische en fantastische elementen geeft de tekst daarenboven een enorme vitaliteit, zelfs wanneer of juist net wanneer de verbeelding de overhand neemt. De vele parodieën op Bijbelverhalen zijn eveneens hilarisch, net als de compleet verzonnen ‘verklaringen’ voor sommige fenomenen en situaties, de doldwaze etymologieën, de honderden vuile moppen en het kleurrijke, uitbundige taalgebruik.
 
Rabelais, ‘distilleerder van kwintessens’
Het is niet de eerste keer dat Gargantua en Pantagruel wordt vertaald naar het Nederlands. Een eerste poging was er al in 1682 toen Nicolaas Jarichides Wieringa onder het pseudoniem Claudio Gallitalo ’Alle de geestige werken van mr. François Rabelais, Geneesheer’, 'met groote vlijt uyt het Fransch’ vertaalde. In 1932 maakte Joop Sandfort een virtuoze vertaling, die jarenlang de enige beschikbare was, maar inmiddels onmiskenbaar is verouderd. Terwijl Vermeer-Pardoen de laatste hand legde aan haar vertaling van de eerste twee boeken, wierp Bert Bakker in een haastje een niet bijster geslaagde, want erg vrije en persoonlijke vertaling van Théo Buckinx op de markt. Het grote verschil met de vertaling van Vermeer-Pardoen is dat Buckinx weinig of geen rekening houdt met de vele verschillen in stijlregisters en met de etymologie van de woorden.
 
In het nawoord bij de eerste twee boeken geeft Vermeer-Pardoen meer uitleg over haar vertaalveldslag. Vertalen is kiezen en een eerste keuze die de Rabelais-vertaler dient te maken is van welke grondtekst hij of zij zal vertrekken. Bij Rabelais is dat niet evident. Van Gargantua en Pantagruel bestaan immers geen manuscripten meer, enkel gedrukte uitgaven. Die zijn onderling erg verschillend en bovendien zitten er heel wat roofdrukken tussen. Binnen een dergelijke context is een tekstkritische editie van het allergrootste belang. Vermeer-Pardoen baseerde zich op de wetenschappelijke uitgave van Abel Lefranc uit 1922. De vertaalster maakte dankbaar gebruik van de noten en de voorwoorden in deze uitgave. Verder heeft Vermeer-Pardoen het spanningsveld tussen de letterlijke betekenis en de bedoeling van de auteur steeds zo beperkt mogelijk proberen houden. Wanneer het ging over termen uit dialecten, vaktalen of het bargoens, vond ze veelal oplossingen in taalkundige analyses van Rabelais’ werk.
 
Een ander probleem was de eigennamen: bij Rabelais hebben die vaak een betekenis. De namen van de hoofdpersonen en de namen die Rabelais aan het Grieks ontleende, liet Vermeer-Pardoen ongemoeid. Namen die uit het Frans komen of door Rabelais verzonnen zijn, heeft ze enkel vertaald wanneer er een geschikt en ongekunsteld equivalent in het Nederlands was te vinden (de heren Ammereet en Likmevessie of de monnik Jan Van Plettum bijvoorbeeld). De grootste moeilijkheid bij het vertalen van Rabelais is volgens Vermeer-Pardoen echter de talrijke connotaties en associaties bevredigend overbrengen. Een ander struikelblok is de stijl: Rabelais hanteert een groot aantal registers én met een even grote bedrevenheid ongeacht of het nu een brief, een monoloog of een landschapsbeschrijving betreft. Vermeer-Pardoen was steeds de aloude wijsheid indachtig dat ‘de letter doodt, maar de geest levend maakt’. Haar leidraad was de toon: wanneer die juist zat, klonk en niet botste, wist ze zich op de goede weg. Missie geslaagd, want de muzikaliteit van Rabelais’ Frans heeft Vermeer-Pardoen in haar vertaling zeker en vast te pakken.
 
Gargantua en Pantagruel bevat verhalen ‘waar je meer van geniet naarmate ze vaker worden verteld’, zo start Rabelais zijn genealogie van het aloude geslacht van Gargantua. Niets is minder waar, zo blijkt, wanneer je zijn boek dichtslaat en de drang om er opnieuw in te duiken nauwelijks in te tomen is. Want, geloof me vrij, hoe meer je leest in dit geweldig feest van ongebreidelde verbeelding en vrijbuitende taalkunst, hoe groter en diepgaander het genot. De sublieme vertaling van Vermeer-Pardoen doet daar nog een schep bovenop en brengt het genie van Rabelais — ‘distilleerder van kwintessens’ — grandioos tot leven.  
 
François Rabelais: Gargantua en Pantagruel, IJzer, Utrecht 2018, 891 p. ISBN 9789086841646. Vertaling van Gargantua et Pantagruel door Hannie Vermeer-Pardoen. Distributie: EPO

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2018

Blinde drift

Belinda Bauer

De rover

Robert Walser

Heel de tijd

Leo Pleysier

Onder een koperen hemel

Stefan Hertmans

Zeiseman

Martha Heesen

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, OKTOBER 2018

De invloed van Gregie De Maeyer (1951-1998) op de (Vlaamse) jeugdliteratuur

‘Het wezen van de dingen vervaagt naarmate het zichtbaar wordt’

De slaapster en de spintol

Neil Gaiman, Chris Riddell (ill.)

Op zoek naar Stella

Gerda Dendooven

Rivieren

Peter Goes

Tegenwoordig heet iedereen Sorry

Bart Moeyaert

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri