Poëzie

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2018

Atte Jongstra: Furunkel

door Dirk De Geest

Atte Jongstra schreef geruime tijd geleden enkele dichtbundels onder het pseudoniem Arno Breekveld. Nu ‘debuteert’ hij onder zijn eigen naam met de bundel Furunkel. Alleen al de titel typeert de encyclopedische interesse van Jongstra. In zijn romans, zijn essays en zijn gedichten houdt hij van exotische woorden, gespecialiseerde technische terminologie, lijsten en allerlei weetjes en anekdotes. Daarbij maakt hij, zoals een typische bricoleur, geen onderscheid tussen wetenschappelijke en pseudowetenschappelijke kennis: alles is bron van plezier en eruditie, van het meest banale tot het meest verhevene. Het is de ingesteldheid van de postmodernist, maar het leidt er ook toe dat Jongstra zijn eigen belevenissen schaamteloos tentoonspreidt of leugenachtig verdoezelt: ook het schrijvende subject is immers een talige constructie.
 
Veel van die ideeën keren terug in Jongstra’s jongste dichtbundel. De ‘furunkel’ is een steenpuist, een zweer vol pus die erg pijnlijk aandoet. Het is meteen de gedroomde metafoor voor de poëzie zelf. Van meet af aan maakt Jongstra duidelijk dat hij niet gelooft in een afgemeten en gecontroleerde lyriek. Het openingsvers heeft het immers over ‘zin’ en ‘hart’, over ‘adeldom’ en ‘oude taal’. De dichter gelooft, met andere woorden, in de bezwerende functie van literatuur, de mogelijkheid om diepere betekenissen te achterhalen door een rijk taalgebruik.  
 
Die grote ambities van poëzie worden verderop in de bundel tegelijk beleden en geïroniseerd, want het scherm van woorden is tegelijk revelerend en camouflerend. In veel gedichten wordt zo met de werkelijkheid gespeeld. Soms lijkt het erop dat de dichter materiaal hanteert dat herkenbaar is, maar telkens weer wordt dat poëtisch ontmaskerd of ontwricht; zelfs de relatiebreuk – die Jongstra ook in zijn proza uitvoerig heeft verwerkt – maakt terug haar opwachting, maar ook hier is van realisme weinig te werken.  
 
Geheel in overeenstemming met zijn uitgangspunten kiest de dichter voor een groteske uitvergroting. Die postmoderne visie op de mens en de werkelijkheid resulteert hier in een bijzonder eigengereid universum. Enerzijds kiest de dichter voor een barokke en ronduit pathetische zegging; zijn taal balanceert daardoor op de rand van het maniërisme, en de retoriek doet vaak bewust overdadig en overdreven aan. Zowel de woordenschat als de zinsbouw schuwen doorgaans het dagelijkse taalgebruik, maar de literaire stijlgrepen lijken soms ornamenteel en ondergraven de gedachte als zou poëzie zonder meer een vorm van communicatie zijn.
 
Anderzijds zorgt die overdrijving ook voor een bijzonder groteske vertekening. Jongstra houdt van contrasten en bruuske omkeringen. Vooral de verbinding van het verhevene met het banale (het vuile, het pornografische…) is typerend. Heel wat gedichten hebben het over lichaamsdelen en lichaamsfuncties: zweren, ontstekingen, winderigheid en stront zijn daarbij nooit veraf, en die lichamelijkheid wordt hymnisch en breedsprakerig bezongen. De dichter komt daarbij dicht in de buurt van Gerrit Komrij, al is zijn taalgebruik barokker.  
 
Die omkering van (burgerlijke) waarden blijkt ook uit gedichten waarin het geslachte varken wordt vergeleken met de gekruisigde Christus, terwijl het ik zichzelf omgekeerd tot een zwijn herleidt. Dergelijke retoriek is typerend voor heel wat van de hier verzamelde verzen. Tegelijk wordt dat lagere ook weer opgewaardeerd, door winderigheid te verbinden met de grootste symfonische muziek of door herinneringen op te roepen die ronduit aan het romantische of het sublieme refereren. Jongstra blijft, met andere woorden, in deze nieuwe bundel even ongrijpbaar en even speels-erudiet als in zijn overige werk. Liefhebbers zullen ervan smullen en braken (om in de beeldentaal van de dichter te blijven).

Atte Jongstra: Furunkel, De Arbeiderspers, Amsterdam 2018, 73 p. ISBN 9789029524070. Disreibutie L&M Books 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2018

Blinde drift

Belinda Bauer

De rover

Robert Walser

Heel de tijd

Leo Pleysier

Onder een koperen hemel

Stefan Hertmans

Zeiseman

Martha Heesen

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, OKTOBER 2018

De invloed van Gregie De Maeyer (1951-1998) op de (Vlaamse) jeugdliteratuur

‘Het wezen van de dingen vervaagt naarmate het zichtbaar wordt’

De slaapster en de spintol

Neil Gaiman, Chris Riddell (ill.)

Op zoek naar Stella

Gerda Dendooven

Rivieren

Peter Goes

Tegenwoordig heet iedereen Sorry

Bart Moeyaert

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri