Poëzie

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2018

Emma Crebolder: Opsnuiven

door Yvan de Maesschalck

De lyriek van de geur
 
In zijn bespreking van Emma Crebolders bundels Vergeten (2010) en Vallen (2012) maakt Stefan van den Bossche onder meer de volgende kanttekening: ‘Sinds 2010, met de publicatie van Vergeten, is Crebolder […] helemaal terug waar ze thuishoort: op de eerste rij van de Nederlandse poëzie’ (Ons Erfdeel, mei 2013). Dat is een lovende uitspraak, die tegelijk impliceert dat de kritische belangstelling voor haar werk niet altijd even uitgesproken is geweest. Daar is, overigens geheel terecht, een kentering in gekomen, mede door het feit dat Verzoenen (2014) heel gunstig is onthaald en de drie voornoemde bundels graag als een trilogie werden voorgesteld, onder meer door Mario Molegraaf in de Provinciale Zeeuwse Courant (september 2014) en Maria Barnas in de Volkskrant (april 2015). Er zijn daarenboven voldoende argumenten voorhanden om de onlangs gepubliceerde bundel Opsnuiven te beschouwen als het laatste luik van een heuse tetralogie, waarin – eens te meer – herinneringen aan lang vervlogen ervaringen de toon aangeven.
 
De nieuwe bundel bevat 25 tienregelige gedichten die uit een, twee of drie strofes zijn opgebouwd en sluit dus in formeel opzicht nauw aan bij de vorige bundels, die eveneens tienregelige rijmloze gedichten bevatten. In tegenstelling tot de verzen in Verzoenen of Vallen, gaat het om titelloze gedichten die telkens voorafgegaan worden door een bladzijde waarop zich vertakkende stippellijnen bevinden. Gaat het om de visuele representatie van de geuren die gedicht na gedicht komen aanwaaien? Of om een typografische parallel met de in kapitalen afgedrukte titels of over het blad dwarrelende letters van het werkwoord ‘vallen’ in de eerdere bundels? In elk geval lijken de openingsverzen van Opsnuiven (‘Met verte in de rug kroop / op een struik een heldergroene / rups nabij’) een letterlijke verwijzing naar Verzoenen, waarin elk gedicht een semantisch en/of thematisch spel met het prefix ‘ver’ speelt.  
 
Crebolder bouwt onmiskenbaar aan een doortimmerd oeuvre waarvan elke bundel een al even doortimmerde eenheid vormt. Zo komt de rups die ‘over een witte lijn’ loopt en de elementen trotseert in het openingsgedicht, ook het slotgedicht binnen gefladderd ‘bedwelmd door de geurende flox’, al treft de ik-figuur hem dan wel dood aan. De lezer ziet de vlinder geboren worden en sterven, een cyclisch patroon dat meteen de cirkelvormige structuur van de bundel weerspiegelt. Niet alleen wordt gesuggereerd dat alle leven uitmondt in de dood, maar ook dat iets van het leven na de dood toch overleeft:
 
‘Er lag niet wat er lag.
Geen vlinder
maar een getuite mond
met de witte lijn er nog rond’
 
Refereert Crebolder hier iets te opvallend – of juist subtiel? – aan het eerste gedicht van de bundel? Daar kan over geredetwist worden, maar de nijhoffiaanse knipoog (‘Er lag niet wat er lag’ versus ‘Er staat niet wat er staat’) spoort wellicht niet toevallig met de al geciteerde, gezelliaans aandoende verzen van het openingsgedicht (‘Brozer / en volmaakter steeg geen vleugelpaar’).
 
Bovendien is de gedachte dat na het afsterven van mens of dier iets aanwezig blijft heel centraal voor deze bundel. Die probeert immers gekoesterde plekken in concrete beelden op te roepen. Beelden die op het netvlies kleven van een ik-figuur die expliciet of impliciet terugblikt op haar verleden en dat verleden herbeleeft, actualiseert, tot leven brengt. Het gaat om de geuren die op de harde schijf van het geheugen zijn opgeslagen en door een of andere herinnering kunnen worden gemobiliseerd. Daarover schrijft Crebolder in een gedicht dat haar terugbrengt naar Absdale, een gehucht dat lang deel uitmaakte van Sint-Janssteen, het Zeeuws-Vlaamse dorp waar ze werd geboren:
 
Als ik terugga naar mijn tante
in Absdale ga ik terug naar
mirabellen en naar buxushagen.
 
Het sap uit het hout van palm
is diep in mijn geurpalet
gedreven. Het ligt daar koel
en vluchtig. Pas met een palmtak
voor mij uitgestoken doet
de geur zich voor mij open.
 
Absdale doet vanzelfsprekend denken aan een bepaald vers in Van den vos Reynaerde, maar het geurmechanisme waarover Crebolder het heeft herinnert onwillekeurig ook aan de beroemde passage waarin Marcel Proust verwijst naar een ‘petit morceau de madeleine’, een koekje dat zijn tante Léonie hem blijkbaar aanbood ‘après l’avoir trempé dans son infusion de thé ou de tilleul’ en dat spontaan zijn herinneringen aan het werk zette in Du coté de chez Swann (1913), het eerste deel van A la recherche du temps perdu. Voor Crebolder gaat het in ieder geval niet om de smaak, maar om een geurzin van embryonale of prenatale oorsprong. Zoveel valt te lezen in het volgende gedicht:
 
Ruiken is vooraf aan geluid
en witte schemer diep in
onze hersenstam gedreven.
Soms ontwaken de geuren
van meconium en biest die
de boreling omgeven. Odeur
ontwaren van darmpek en
moedervocht is woordeloze
taal ontginnen die
uitweg zoekt in poëzie.
 
Het gedicht maakt duidelijk dat heel diverse geuren de ik-figuur overvallen en de welkome aanleiding vormen tot het schrijven van gedichten. Daarom zou je bovenstaand gedicht en bij uitbreiding bijna alle gedichten van Opsnuiven poëticaal van opzet kunnen noemen. Geuren kunnen niet alleen vervaagde indrukken tot leven wekken, de beschrijving of evocatie ervan beïnvloedt ook de intensiteit van de leeservaring. Dat zal iedereen die ooit Het parfum (1985) van Patrick Süskind las of de van bloesemgeur doortrokken verhalen van Gabriel García Márquez spontaan beamen.  
 
Toch suggereert de titel dat geuren niet alleen kunnen worden opgevangen, maar ook opgepookt, geactiveerd en dus opgesnoven. Bij het zien van een ‘oranjetipvlinder’ komt de herinnering bovendrijven aan ‘de vleesloze vrijdagen’:  
 
‘Mijn moeder bronsde toen
ajuinsaus in kluitboter
en schepte van de polder buiten
een vleugje grond op ons bord’.  
 
Of roept ‘de vloed’ van de ‘zoute rivier’ het beeld op van een moeder die de ik-figuur haar (eerste) maandverband toestopt:
 
‘Tersluiks de spoelemmer, en
het geworstel van mijn moeder
met aanreiken van verband.
Haar zwijgen over de kwalijke
lucht van geronnen bloed’.

De geursensaties van de ik-figuur zijn indringend maar niet ongewoon:  
 
‘Geurdiagnostiek is niet vreemd
aan kleine neuzen. Onbesuisd
snuiven ze wat ligt tussen
bouillon en transpiratie,
tussen hyacint en urine’.
 
En ook: ‘Na jaren blijven we in haar huis / het liefst de vers-gekookte / sperziebonen ruiken’. Of hoe geliefde geuren blijvend weerstand bieden aan de tijd.
 
De gedichten van Crebolder zijn doorgaans mild nostalgisch van inslag. Maar dat verhindert niet dat de toon ingetoomd, ja zelfs beheerst is en evenmin dat naast de persoonlijke voortijd ook de geologische of archeologische voorgeschiedenis van de mensheid poëtisch rendeert. Dankzij de mergelgrotten bijvoorbeeld waar de ‘koelte is van citrus en muskaat’ en de nieuwe wijnstokken ‘nog niet zijn kromgetrokken’. Of de Vredefortkrater, die paalt aan de Vaalrivier in Zuid-Afrika: ‘Ik buk en / raap dooraderd kwarts, ruik / het blakeren van gras’. Het verhindert vooral niet dat hier en daar een bedwongen engagement opklinkt dat de onrust van het Afrikaanse vasteland – ooit Crebolders latere thuishaven – stem verleent. Die van de eeuwige zwerver wiens ‘oude huid nog / de kleur en het fluweel van / tamarindepeul [heeft]’. Of die van de gelauwerde Zuid-Afrikaanse dichteres Elisabeth Eybers (1915-2007):
 
‘Een halve eeuw heb je geschuild
op een Amsterdamse boven-
woning in taal van thuis. Nu
terug te Bloemfontein
leef je weer, statig met
Soetdoring in de tuin’
 
Er klinkt een diep respect voor natuur en mens in de sonore verzen van Crebolder, waarin alliteratie, assonantie en binnenrijm thuisgeven. Dat respect weet ze om te zetten in een lyrisch verzet tegen alles wat de harmonie tussen beide verstoort. Staande bij het Vrouwenmonument, dat de Boerenkrijg (1899-1902) memoreert, noteert ze:  
 
‘In mijn ooghoek treedt Afrika’s
doornige acacia. Het is
de doringboom in het lied
van Sarie Marais. Ik neurie
en zing ten slotte de woorden
boven de treurnis uit’  
 
Het is voor een aandachtig lezer onmogelijk niet met haar mee te neuriën.

Emma Crebolder: Opsnuiven, Nieuw Amsterdam, Amsterdam 2018, 59 p. ISBN 9789046823453. Distributie Pelckmans Uitgevers 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

Berta Isla

Javier Marías

De klaverknoop

Paul Demets

Het amusement

Brecht Evens

International Bakery (voorheen Cinema Royale)

David Nolens

Michael Ondaatje

Blindganger

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

De blauwe vleugels

Jef Aerts, Martijn Van der Linden (ill.)

De pittige pruim die een pop werd

Vojtěch Mašek, Chrudoš Valoušek (ill.)

De torens van Beiroet

Paul Verrept

De waarheid volgens Mason Buttle

Leslie Connor

Het mysterie van niks en oneindig veel snot

Jan Paul Schutten, Floor Rieder (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri