Poëzie

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2018

Guido Gezelle, Matthijs de Ridder (sam.) : Hoger dan de sterren. Gedichten

door Stefan van den Bossche

Men zou Guido Gezelle (1830-1899) de dichter kunnen noemen die zichzelf steeds weer vernieuwt, zelfs nog jaren na zijn dood. Uiteraard was hij ook, zoals bekend, een van onze belangrijkste vernieuwers, zo niet dè belangrijkste. En het kan geen kwaad om jonge en minder jonge lezers met zijn werk te confronteren. Het uitgebreide, destijds door Jozef Boets bezorgde verzameld werk is daartoe ongeschikt. Deze nieuwe bloemlezing, samengesteld en uitgeleid door Matthijs de Ridder, is een veel beter idee. Hanteerbaar, luchtig, plezierig. Een boek vol taalplezier inderdaad, met representatieve gedichten van de virtuoos van de vorm- en taalbeheersing en de wegbereider van de literaire vernieuwing in ons taalgebied.
 
Uiteraard kan men op elke selectie wel wat afdingen. Voor mij zou het magistrale gedicht ‘Gij badt op enen berg’ niet mogen ontbreken. Zo zijn er nog wel een paar. Maar soit, ook deze keuze heeft haar onmiskenbare verdiensten. De Ridder vertrekt vanuit de figuur van Paul van Ostaijen, die andere vernieuwer van de Vlaamse poëzie en wiens biografie hij aan het schrijven is.  
 
Van Ostaijen toonde zich begin 1925 verrukt toen hij een editie van Gezelles verzamelde gedichten met een handgeschreven brief van de meester erin ontdekte. Eerder had de Antwerpenaar zich vooral in zijn bundel Music-Hall (1916) laten inspireren door bepaalde van Gezelles natuurgedichten. Voor Van Ostaijen, aldus diens essay ‘Ekspressionisme in Vlaanderen’ uit 1918, stond de West-Vlaamse priester-dichter voor een literatuur waarin de Vlaamse psyche vooropstond, en in die zin verbonden met een eerste golf van Vlaamse bewustwording. Die laatste was door de veelvuldige en vernietigende peripetieën van de Eerste Wereldoorlog, richting een internationale moderne kunst in haar ontwikkelingsgang gestopt.
 
Niettemin blijft het, aldus De Ridder, een open vraag of Gezelles klassieke particularisme en flamingantisme de moderniteit wel omhelsd zouden hebben. Niettemin, zo wist Van Ostaijen, was het precies dat specifieke taalidioom dat eigen was aan een hoogst persoonlijke en originele expressie van de dichter. Enkele jaren later, in een interview in 1925, is Gezelle voor Van Ostaijen meteen ‘de grootste dichter’ en een exponent van de zuivere lyriek, iets waar Van Ostaijen zelf toen naar op zoek was hoewel hij in die autonome poëzie, die hij wel wilde gaan bedrijven, zelf nooit echt geloofde. Meer zelfs: ‘Hij [Gezelle] is de dichter van de zuivere lyriek, waarin de uiterst dynamische, uiterst instinctieve en spontane poëzie haast het geheel van het mysterie van het gevoel uitdrukt, niet slechts van een individuele gevoeligheid, of die van een tijdperk, maar het gevoel op zich, het gevoel van de hele mensheid.’ Een dergelijke poëtische expressie was volgens Van Ostaijen de motor van het oeuvre van Gezelle. Dat nam niet weg dat, zoals bekend, de poëzie van de persoonlijkheid van haar maker moest worden losgekoppeld, dat de dichtkunst haar maker hoorde te ontstijgen.
 
Gezelle was niet alleen een moderne dichter, ver vooruit op zijn tijd, maar ook de enthousiaste beoefenaar van hele reeksen vorm- en klankexperimenten. Vanuit deze optiek levert Matthijs der Ridder een erg prettige bloemlezing uit deze poëzie. Het zal voor vele lezers een hernieuwde confrontatie met het werk van onze grootste dichter betekenen. Een hanteerbare selectie en dito boek zorgt ervoor dat men ook dieper gaat lezen, beoordelen, proeven. En altijd opnieuw schuilen in dit soort wereldliteratuur de hoogst aangename verrassingen:  
 
‘De avondzonne glom en glimde
luid en prachtig door de wolken,
gloeide in ’t zwerk gelijk nen veenbrand,
dreef een strate viers derdeure, en,
in die strate, westwaard, westwaard,
voer, als in nen stroom van schoonheid,
iawadha’s blinkend vaartuig,
naar ’t te Gode gaan des zonlichts,
door de peersche heerlijkheden
van de deemstere Westerdiepte.’
 
Of anders gezegd: ‘Onder de maan op de lange rivier’…
 
Guido Gezelle: Hoger dan de sterren, Polis, Kalmthout 2018, 256 p. ISBN 9789463103435. Distributie Pelckmans Uitgevers 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

Berta Isla

Javier Marías

De klaverknoop

Paul Demets

Het amusement

Brecht Evens

International Bakery (voorheen Cinema Royale)

David Nolens

Michael Ondaatje

Blindganger

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

De blauwe vleugels

Jef Aerts, Martijn Van der Linden (ill.)

De pittige pruim die een pop werd

Vojtěch Mašek, Chrudoš Valoušek (ill.)

De torens van Beiroet

Paul Verrept

De waarheid volgens Mason Buttle

Leslie Connor

Het mysterie van niks en oneindig veel snot

Jan Paul Schutten, Floor Rieder (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri