Vertaald proza

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2019

Colette: Sido

door Elisabeth Francet

Eind 2018 verscheen Sido van Colette (1873-1954) in een uitgepuurde, herziene vertaling door Kiki Coumans. Uitgeverij Vleugels brengt hiermee een grande dame van de literatuur opnieuw onder de aandacht. Sinds De eerste keer dat ik mijn hoed verloor heb ik mijn hart verpand aan de flamboyante Franse auteur, journaliste, actrice en mimekunstenares Sidonie Gabrielle Colette. In beide autobiografische werken schrijft Colette lyrisch, zinnelijk en vrijmoedig over haar kinderjaren in het Bourgondische dorp Saint-Sauveur, het huis waar ze opgroeide en in het bijzonder haar moeder Sido.
 
Colette vertrouwde, in leven en werk, op haar sensorische geheugen en haar talent voor verwondering. Ze was intrinsiek vrij en trok zich weinig aan van verwachtingen of oordelen van anderen. Onder invloed van haar moeder ontwikkelde Colette een sterke band met de natuurelementen, planten, dieren en seizoenen. Als plattelandskind wilde ze alles behalve schrijven; daarvoor leefde ze te graag en gretig.
 
Met Sido blikt ze, zowat vijftig jaar later, terug op een ongedwongen jeugd in een paradijselijke omgeving. In een weelderige, prikkelende taal zet ze haar trotse, eigenzinnige moeder neer als een gepassioneerde vrouw, gezegend met zelfspot en gezond verstand. Koppig als een ezel, eerlijk als goud. Colette steekt haar fascinatie, zelfs adoratie voor haar moeder niet onder stoelen of banken. Zelfs niet als Sido haar argwanend bejegent, wanneer ze zit te dromen: 
 
'Wat kijk je vandaag toch onnozel uit je ogen, meisje! Je bent trouwens erg mooi als je zo onnozel kijkt. Jammer dat het maar zo zelden voorkomt […] Misschien was ik mooi; mijn moeder en de foto's uit die tijd zijn het daarover niet altijd eens.'
 
Colette haalt herinneringen op aan okerkleurige zomers en hagelwitte winters. De achtertuinen gaven Saint-Sauveur zijn karakter en er werd druk gecommuniceerd van de ene naar de andere  tuin. 'Hoezo achterdocht op het platteland? Onze tuinen vertelden elkaar alles.' Gepassioneerd door botanica, werpt Sido een gegadigde buur een boeket viooltjes toe, 'staande tussen de pomp, de hortensia's, de treures en de stokoude notenboom, [...] haar hoofd en haar bezielde blik omhoog'. Geen enkele van de omliggende tuinen ontkomt aan Sido's invloed. De tuin is haar heiligdom, een plek waar ze vrij is. Op ieder moment kan ook Colette voor die vrijheid kiezen. Door een eenvoudige klauterpartij over een hek, muur of schuin afdakje, springend van muur tot muur, verkent ze onbekende terreinen en vertrouwde wonderen.
 
Het kind Colette observeert zwijgend, denkt het hare over de dingen en laat zelden in haar kaarten kijken. Die geestelijke onafhankelijkheid zal Colette in haar verdere leven en oeuvre bevechten en behouden. 'Minet-Chéri': zo noemt Sido haar dochter, wier trots - omdat ze in Parijs gaat wonen - ze later bespot. Haar moeder verkiest de provincie boven Parijs en oordeelt ondeskundig over de stedelingen. Colette windt zich regelmatig op over die onhebbelijkheid van haar moeder: 
 
'Waar haalde ze de autoriteit van die oordelen vandaan, de stelligheid, terwijl ze zelf nog geen drie keer per jaar buiten haar departement kwam?' 
 
Toch begrijpt ze haar moeders hang naar het platteland. In poëtische resonantie keert ze terug naar een tijd van overvloed, naar haar geboortedorp Saint-Sauveur, puttend uit een rijk arsenaal aan herinneringen. Op de voorgrond plaatst ze haar moeder en, als een tros bengelend aan haar armen, haar echtgenoot (de kapitein) en hun kinderen (de wilden).
 
Haar broers zijn echte wilden: 'Twee lichtvoetige, magere, knokige natuurkinderen. Gematigd en puur.' De oudere halfzus (uit Sido's eerste huwelijk), 'op een aangename manier lelijk met haar Tibetaanse ogen', sluit zich op in de literatuur en in de melancholie. Allen lezen ze buitensporig veel, op het maniakale af. Colette en haar broers zijn buitenkinderen. 's Zomers gaat ze soms voor dag en dauw op stap, met een leeg mandje aan elke arm, om in de nevels langs de rivier aardbeien en bessen te plukken. Op de terugweg spitst ze haar oren, kijkt nieuwsgierig rond, luistert naar gesprekken in haar omgeving, laat oordelen achterwege. Ze neemt waar en registreert. Colette is ervan overtuigd dat 'de reflecterende gloed van de vlammend rode rij geraniums langs het terras en van het vingerhoedskruid dat uit het kreupelhout opdook', haar kinderwangen hun hoogrode kleur gaf. Kleuren, geuren, smaken en texturen zijn prominent aanwezig in Colettes herinneringen. Sido betast en besnuffelt haar dochters vlechten om te controleren of ze haar haar wel heeft geborsteld.
 
's Winters, wanneer een sneeuwstorm op komst is, rent Colette 'op commando van haar moeder als een fanatiek scheepsmaatje van het familieschip met klepperende klompen het huis rond' om ramen, deuren en luiken te vergrendelen. Sido is een levend weerstation. Door het aantal rokken om de ui te tellen of de gang van de schildpad te observeren, weet ze of het een strenge winter zal worden. 'Dooi? Daar kunnen Parijse meteorologen mij niks over vertellen! Kijk eens naar de pootjes van de poes.' Sido praat zonder ooit naar woorden te zoeken en heeft daarbij steeds een gebruiksvoorwerp in de hand: een mattenklopper, een snoeischaar, een kleerborstel. Aards als ze is, houdt ze zich afzijdig van katholieke kinderachtigheden. Wel heft ze vaak opgewonden haar hoofd naar de hemel, 'waar ze de religies van mensen geen plaats gunde'.
 
Colettes moeder wordt maar door één persoon – haar toegewijde echtgenoot Jules-Joseph Colette - 'Sido' genoemd. De lyrische inslag van haar eenbenige vader en de spontane nuchterheid van haar moeder verenigen zich in Colette. Ze verbaast zich erover dat ze haar vader zo slecht heeft gekend. Zijn gezicht ziet ze slechts vaag voor zich. Levendig herinnert ze zich zijn houding, zijn bleke hand, zijn hartstocht voor haar moeder. Kapitein Colette zingt wanneer hij kwaad of verdrietig is en als hij zingt, luistert Sido naar hem en onderbreekt hem niet. 'Te laat, te laat...', verzucht Colette. 'Had ik, toen hij nog leefde, niet door zijn spottende waardigheid en zijn geforceerde frivoliteit heen moeten kijken?' Voor haar vader waren alle bloemen rozen. Hij was een stadsmens en wilde niet met de natuur bezig zijn, wel met de politiek, met mensen. Nooit zag Colette haar vader de kat, de hond of het paard aanraken. 'Het was ondenkbaar dat haar moeder voor haar vader zou komen te sterven.'
 
Colettes jongste broer, in haar herinnering een elfenkind, zoekt haar vele decennia later op in Parijs. De zwijgzame, grijzende man vertelt dat hij is teruggegaan naar Saint-Sauveur, naar de plekken waar ze als kind zo veel tijd doorbrachten. Volgt een prachtige passage, waarin hij uitvoerig vertelt over een oud tuinhek met een piepende klink. In die passage lijkt hun hele jeugd vervat. Daarna gaat hij weg. 'Hij had me verder niets te vertellen.'
 
In Sido laat Colette ongecompliceerd haar exuberante taal bliksemen en fonkelen. Ze is een estheet pur sang. Wat lelijk is, wordt in haar handschrift mooi en wat haar zintuigen beroert, verandert ze al schrijvend in goud. Zinnelijkheid schuilt bij Colette in ieder woord: je proeft en ruikt de regen, betast de opkomende zon, kruipt in het hart van een bloem en staart recht in het zwarte oog van een salamander. Ze verkent de wereld om zich heen zo ongekunsteld en ongeremd dat er nauwelijks aan valt te weerstaan. Colette is als poëzie: haar lezen is als thuiskomen in het leven.
 
Colette: Sido, Vleugels, Bleiswijk 2018, 80 p. Vertaling van Sido door Kiki Coumans. ISBN 9789078627609 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 6, JUNI 2019

Ik zal de wereld nooit meer zien. Aantekeningen uit de gevangenis

Ahmet Altan

Kamer in Oostende

Koen Peeters

Lief slecht ding

Frank Keizer

Onrustige dagen

F.B. Hotz, Thomas Heerma Van Voss (sam.)

SS Proleterka

Fleur Jaeggy

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2019

* De eerste avonturen van de Rode Ridder, 1959-1961

Een ridder voor alle seizoenen

De boom met het oor

Annet Schaap, Philip Hopman

Mijn mama

Annemarie van Haeringen

Poëzie hardop

Hans Hagen, Monique Hagen, Maartje Kuiper (ill.)

Twee maal op reis door het brein.

Verdwalen in Breinstein of inzicht in het hoofd

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri