Letterkunde

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2019

Maaike Meijer: Hemelse mevrouw Frederike. Biografie van F. Harmsen van Beek [1927-2009]

door Christophe Van Eecke

De verpoppende dichter
 
Eén van Frederike Harmsen van Beeks vroegste herinneringen is haar verwondering over de kleurenpracht van de vlinder Vanessa atalanta, die in groten getale op de vlinderstruik in de tuin van het ouderlijk huis vertoeft. Het is het begin van een levenslange fascinatie en liefde voor kleine dieren, zowel insecten als zoogdieren, die ze bovendien ook op verfijnde wijze eindeloos zal tekenen, knippen en knutselen; een oeuvre dat eerder al op verrukkelijke wijze werd gebundeld in Stoeten ritseldingen (2017), mede samengesteld door Maaike Meijer, die hier nu haar biografie van Harmsen van Beek presenteert. Daarin verzet de auteur zich tegen de diepgewortelde mythologie die zich rond de dichteres en haar landhuis Jagtlust heeft gevormd, en die door Meijer bijzonder vakkundig wordt ontrafeld en tot haar reële proporties herleid. Doorheen dat proces van ontmythologisering ontstaat een krachtig en veelzijdig portret van een uitzonderlijke kunstenares en vrouw.
 
De mythe van ‘Fritzi’ en Jagtlust
Frederike Harmsen van Beek heeft zich altijd gestoord aan het beeld van ‘Fritzi’ (een benaming waar ze een hekel aan had) en aan de mythe van Jagtlust als een soort artistiek Sodom en Gomorra van Blaricum. Meijers biografie heeft van bij het begin dan ook een duidelijke agenda: zij wil de mythe van ‘Fritzi’ doorbreken en de vrouw erachter in beeld brengen. Dat betekent onder meer dat Meijer voorbij wil gaan aan een reductionistische lectuur van het leven doorheen het werk, of omgekeerd. Voor Frederike geldt wat voor elke kunstenaar geldt: de interessante onderzoeksvraag is hoe leven en werk samenhangen. Dat vergt een rijke en brede thick description van context en milieu, en vooral van de manier waarop de persoon op die context reageerde. Het leven is niet de som van wat je is overkomen, maar het proces van wat je ermee hebt gedaan. De taak van de biograaf beperkt zich dan ook niet tot een reconstructie van een reeks gebeurtenissen waarvan het leven en het werk dan het gevolg zouden zijn; veeleer moet de biograaf het proces naspeuren van de manier waarop iemand zichzelf heeft gevormd, vormgegeven, stand heeft gehouden, en de uitdagingen van dat leven heeft opgenomen, en hoe dat proces ook zijn neerslag heeft gekregen in een oeuvre. Daarbij is het werk nooit een ongecensureerde sleutel tot het leven: wat van het leven in het werk glipt, wordt er door de kunstenaar in verwerkt, en dat betekent meteen ook: bewerkt, omgevormd, gestileerd, en dus verwijderd van de biografische bron.
 
Tegenover de mythe van ‘Fritzi’ stelt Meijer een realistisch portret van een vrouw wier leven vaak moeilijk en tragisch was. Na een weinig blijde jeugd waarin ze zich met name door haar moeder onbemind voelde, voltrok het volwassen leven van Frederike zich als een calvarie van armoede, gretige en soms weinig aardige mannen, en een worsteling om haar eigen artistieke identiteit erkend te zien. Een eerste huwelijk met een verarmde Franse aristocraat wordt een ramp omdat hij haar mishandelt. Ze houdt er een wondermooie zoon aan over, Gilles. Een volgende relatie met de Franse communist Pierre Burk is zo mogelijk nog complexer. Na de dood van haar vader wordt Frederike door hem en door haar in criminele milieus verzeilde broer Hein financieel uitgekleed. Met glasheldere scherpte beschrijft Meijer strak en meeslepend hoe deze tragedie zich voltrekt en hoe Frederike er vervolgens wel vaker niet in slaagt om zichzelf uit de wind te zetten omdat ze geplaagd wordt door een burgerlijk gevoel voor fatsoen en decorum en, daaruit voortvloeiend, een neiging om het wangedrag van anderen tegenover haar te vergoelijken. Pas vele jaren later komt al haar woede daarover naar boven en vertaalt die woede zich in een toenemende paranoia en bipolaire passief-agressiviteit.
 
Meijers biografie excelleert meer dan wat ook in de buitengewone levendigheid waarmee ze Frederikes persoonlijkheid, haar psychologische afhankelijkheden, haar kracht en haar zwakheden in het vizier krijgt en de lezer er moeiteloos deelgenoot van maakt. Nu en dan maakt ze daarbij een psychoanalytische kanttekening die eigenlijk onnodig is, en er dus een beetje aangeplakt bij staat, vooral omdat haar analytische beschrijving van Frederikes lotgevallen op zich al een buitengewoon scherp portret geeft van de persoonlijkheid en het karakter van de dichteres. Haar moeizame relatie met Peter Vos, een complex kunstenaar die haar obsessie met het tekenen van onooglijke en verrukkelijke creaturen deelt, wordt door Meijer gevoelig geschetst. Bijzonder verhelderend is de analyse van Frederikes vriendschap met Gerard Reve. Meijer toont hier aan hoe Reve ongewild heeft bijgedragen aan de publieke beeldvorming rond de dichteres, maar illustreert daarnaast ook hoe beide schrijvers elkaar hebben versterkt in het ontwikkelen van een artistieke taal die hen toeliet om de grens tussen leven en werk te vervagen door het leven literair vorm te geven. Als een les in autobiografictie en de theatralisering van het zelf doorheen een artistiek oeuvre is deze lectuur van de tandem Reve-Harmsen van Beek zeer instructief. Bovendien doet Meijer een absolute meesterzet door Harmsen van Beeks zelfpresentatie te interpreteren naar het model van de sprookjesfiguur Repelsteeltje en de dichteres tegelijk in te schrijven in de geschiedenis van de het type van de artistieke bohémien(ne).
 
Eind jaren 1950 betrekt Frederike berooid het leegstaande en onderkomen landhuis Jagtlust. Het is daar dat de welbekende mythe van ‘Fritzi’ vorm krijgt. Die overgang is abrupt. Plots komen daar een aantal artistieke personages over de vloer: Cees Nooteboom, Theo Sontrop (die op Jagtlust komt wonen), Frans Pannekoek en Remco Campert, met wie ze kort een tweede huwelijk aangaat dat al snel in miserie en (opnieuw) geweld eindigt. Het is echter niet helemaal duidelijk hoe en waarom Frederike zo snel het middelpunt werd van een artistieke gemeenschap in Jagtlust. Waarom zouden deze jonge literati en andere artistieke types zich plots op Jagtlust moeten gaan aanmelden? Hoe en waarom kenden zij Frederike? Over Campert vernemen we dat Frederike hem op het boekenbal van 1956 ontmoette, maar wat deed zij op het boekenbal? Het is duidelijk dat Frederike via het werk van haar vader en via haar eigen werk als illustrator een aantal banden had in artistieke en publicistische kringen, maar voor de lezer wordt het niet helemaal duidelijk wat hier nu precies de link of schakel was die van Frederike en Jagtlust plots een artistieke hot spot maakte. Frederike lijkt hier plots deel te zijn van een netwerk waarvan de precieze ontwikkeling onder de radar van Meijers verslag blijft. Een verklaring of duiding is hier wat ondergesneeuwd geraakt in de vaart van het verhaal.
 
Eind jaren 1960 komt er een kentering in Frederikes leven: haar alcoholverslaving neemt steeds onrustwekkender proporties aan, haar zoon Gilles raakt op de drift en verzeilt in criminele milieus en in zware drugsverslavingen en in 1971 moet ze Jagtlust verlaten. In een bijna fatale misrekening besluit een groep vrienden voor haar een nieuw onderkomen te kopen in het Groningse dorp Garnwerd. Hoewel ze het eigenlijk echt niet wil, laat Frederike zich daar toch onderbrengen, wat opnieuw haar onvermogen illustreert om de regie van haar eigen leven te voeren. Inmiddels voelt ze zich op het gebied van de liefde echter beter: ze gaat in deze jaren om met een reeks veel jongere ‘verloofden’ (een term voor een geliefde die reeds in de vroege jaren 1960 brede ingang vond in het cultureel-literaire taalgebruik, zoals onder meer in de boeken van Jan Cremer, en waarvan de uitvinding aan Harmsen van Beek wordt toegeschreven), die haar doorgaans goed vallen omdat ze minder geneigd zijn haar voor te schrijven hoe ze zich moet gedragen. Toch gaat het in de jaren 1970 stelselmatig bergaf met de dichteres. De alcoholduivel laat zich niet bezweren en na een aantal jaren in het afgelegen Garnwerd is Frederike alle levenslust verloren; in die mate zelfs dat ze een zeer lucide doodswens uitspreekt in een brief aan haar arts die in onkarakteristiek onbarokke taal is opgesteld.
 
Toch zou Frederike nog drie decennia leven, zonder evenwel nog echt belangrijk werk wereldkundig te maken. Een belangrijke nieuwe vriendschap in de jaren 1980 is die met schrijfster Charlotte Mutsaers. Wanneer het tot een breuk komt, verwerkt Mutsaers de relatie in haar roman De markiezin (1988), wat aanleiding geeft tot een literaire roddelrel waarin verschillende journalisten de schrijfster van plagiaat beschuldigen omdat ze Frederikes spreektaal nauwgezet reconstrueert in haar boek. De twee laatste decennia zijn in zekere zin een lange tocht naar de dood: Frederike zit in haar huisje in Garnwerd verschanst, durft vaak amper nog de deur uit en verbreekt vriendschappen. Veel vrienden en kennissen sterven ook, zoals haar jarenlange vriendin, de dichteres M. Vasalis (die als psychiater enig inzicht moet hebben gehad in Frederikes toenemende mentale achteruitgang) en, bijzonder tragisch, haar zoon Gilles. Wat uiteindelijk overblijft, naast de ongegronde mythes over de kasteelvrouwe van Jagtlust, is een zeer bescheiden oeuvre en een eindeloos woekerende verzameling tekeningen, kunstobjecten, speelgoed en boeken die meer en meer verspreid raken in de collecties van vrienden en bekenden.
 
Een voldragen en invoelbaar portret
Doorheen deze biografie weet Meijer een zeer goede balans te behouden tussen levensbeschrijving en duiding van het oeuvre. Zoals de auteur zelf aangeeft, was Frederike ten aanzien van haar eigen werk ‘wars van interpretatie’ hoewel dat werk op zich ‘een explosie van betekenismogelijkheden’ opent. Het is een zegen dat Meijer zich niet vergrijpt aan een exhaustieve opsomming van al die mogelijkheden en de exegese beperkt tot duidingen die wezenlijk bijdragen tot het inzicht in leven en werk, en met name in de manier waarop beiden door Frederike creatief met elkaar vervlochten werden. In het bijzonder de eerder aangehaalde analyses van de zelfrepresentatie van de dichteres zijn ontzettend verhelderend zonder voyeuristisch te zijn. Dat laatste is bovendien een kardinale deugd van deze hele biografie, die diep graaft en zijn onderwerp ook niet ontziet (de zich in de drank en paranoia verliezende Frederike die we in de hoofdstukken over de jaren 1970 leren kennen, is allerminst een aantrekkelijk persoon), maar tegelijk een respectvolle afstand behoudt en nooit zwelgt in het scabreuze detail. Over enkele van Frederikes geliefden merkt Meijer op dat hij haar ‘echt heeft gezien’. Hetzelfde geldt voor Frederikes biografe, die erin is geslaagd een voldragen en invoelbaar portret op te bouwen dat de lezer het gevoel geeft deze opmerkelijke vrouw persoonlijk te leren kennen.
 
Ik begon dit essay met een verwijzing naar Frederikes jeugdige fascinatie voor de Vanessa atalanta. Deze grote vlinder is niet alleen een wonderlijk mooi insect, ze is ook een buitengewoon krachtige vlieger die jaarlijks van het Middellandse Zeegebied tot in Schotland kan migreren en terug. Die combinatie van schoonheid en kracht vinden we ook terug in Frederike, die een taaie overlever bleek te zijn die, ondanks haar vaak harde leven, met kinderlijke verrukking naar de wereld bleef kijken en die vasthield in fragiele kunstwerkjes: gedichten, tekeningen, knipwerk en talrijke fragiele objets d’art. Maar tegelijk is de vlinder ook een mysterieus wezen: in haar verschillende levensstadia is ze eerst ei, dan rups, dan pop, en dan pas vlinder, en doorheen dat alles toch altijd ook dezelfde entiteit. Ook dat typeert Harmsen van Beek. In haar vergelijking van de dichteres met Repelsteeltje wijst Meijer er terecht op dat de magisch-surrealistisch-groteske elementen in het oeuvre ook een vorm van afscherming zijn: net zoals Repelsteeltje wil Frederike haar naam (haar eigenlijk identiteit) niet prijsgeven (niet te grabbel gooien). Er blijft altijd een duidelijke terughoudendheid in de publieke persona van de dichteres. Zoals een insect doorloopt Frederike verschillende stadia. Ze verpopt en verpopt en kapselt zich in en laat zich nooit echt vangen en al helemaal niet vastpinnen. Dat wil ze namelijk zeer nadrukkelijk niet, en zoals Meijer heel mooi aangeeft, hoofdstuk na hoofdstuk, is dat verzet tegen het zich laten vastzetten ook de grondsteen van haar ongeluk geweest. Altijd verschanst, altijd in het verweer; in die mate dat het na de bundel Kus of ik schrijf (1975) zelfs haar creativiteit omzeggens lamlegde, en in elk geval haar eigen vertrouwen in haar eigen kunnen. Zoals Meijer meermaals aangeeft, kreeg ze het voltooien van een gedicht of een korte tekst gewoon niet meer voor elkaar.

Het portret dat uit dit boek naar voren komt, is dat van een weerbarstige vrouw die zich maar moeilijk liet liefhebben, en die daarom moeilijk lief te hebben is (hoewel ze vaak zeer aandoenlijk overkomt). Hemelse mevrouw Frederike reconstrueert in vele opzichten een verspild leven, en de hoofdrolspeelster werkt vaak op de zenuwen met haar onmogelijke gedrag, haar agressie en gecultiveerde hulpeloosheid. Meijer windt zich meermaals op over de volwassen vrouw die altijd ‘help, help’ roept en van haar vrienden verwacht dat die haar komen redden. Het levensverhaal van F. Harmsen van Beek leest als het verslag van een fascinerende ramp, die in deze biografie zonder voyeurisme wordt beschreven, zodat je als lezer toch vooral achterblijft met dat enigszins akelige gevoel van wat het allemaal had kunnen zijn, indien alleen maar… Als tegengewicht voor de mythe van de kasteelvrouwe van Jagtlust kan deze biografie tellen. Want als Meijers portret van Frederike vaak ontluisterend is, dan is het ook nooit minder dan absoluut absorberend en meeslepend. Meijer is erin geslaagd de vrouw aan de mythe te ontrukken en haar te reconstrueren als een persoon en kunstenaar van vlees en bloed. Het portret is vaak niet fraai, en nog vaker helemaal niet wat we hebben geleerd te verwachten wanneer het over ‘Fritzi’ gaat. Het is, zoals Meijer zelf in de inleiding ook aangeeft, één lectuur van het leven, en andere zijn mogelijk. Maar de geest van de waarachtigheid waait door dit boek op een manier die menig andere biografie nog maar moet zien waar te maken.
 
Maaike Meijer: Hemelse mevrouw Frederike. Biografie van F. Harmsen van Beek (1927-2009), De Bezige Bij, Amsterdam 2018, 670p. ISBN 9789403136004. Distributie Standaard Uitgeverij 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2019

Grand Hotel Europa

Ilja Leonard Pfeijffer

Het verlichte hol

Max Blecher

Melancholie I

Jon Fosse

Mooi doodliggen

A.F.Th. Van der Heijden

Onder de Drachenwand

Arno Geiger

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 1, JANUARI 2019

Ans & Wilma verdwaald

Alice Reijs, Ariane van Vliet, Kaatje Vermeire (ill.)

En ik was zijn held

Rindert Kromhout

Hoi, ik ben een lijn. De wonderbaarlijke architectuurverzameling van Het Nieuwe Instituut / Hoi, jij bent een ontwerper. Een doeboek voor de ontwerpers van de toekomst

Behrang Mousavi en Jan Paul Schutten / Hannah Piksen en Annemiek Snelders

Van liefde en verlangen

Imme Dros, Harrie Geelen (ill.)

Zo kreeg Midas ezelsoren. De mooiste metamorfosen van Ovidius

Maria van Donkelaar, Sylvia Weve (ill.)

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri