Non-fictie

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2019

Guus Kuijer: De Bijbel voor ongelovigen

door Christophe Van Eecke

La Bible rémoralisé: Guus Kuijer herschrijft de Schrift
 
Als atheïst het Oude Testament hervertellen: ga er maar aan staan. Toch is dat wat Guus Kuijer de voorbije tien jaar in een reeks boeken heeft gedaan die hier nu in een massieve pil zijn samengebracht. Zijn versie duurt langer dan het origineel, zowel in aantal pagina’s als in de wijdlopigheid waarmee de gebeurtenissen worden verteld. Kuijer is er echter in geslaagd om deze oude verhalen, die ons vaak heel erg bekend zijn door andere hervertellingen, niet het minst in spectaculaire Hollywoodfilms, relevant te maken voor de eenentwintigste eeuw. Dat doet hij door een hele reeks ingrepen waarbij hij met ironie en sarcasme een aantal tijdeloze elementen in de Bijbel blootlegt door het transcendente te herschrijven in termen van het al te menselijke.
 
Wie de Bijbel op een atheïstische manier navertelt, gaat er bij definitie van uit dat deze cyclus van religieuze boeken een mythologie vormt. Hoewel Kuijer de verhalen vaak met relativerende ironie benadert, is zijn herwerking allerminst een deconstructie. Integendeel, alleen al door de vaart van zijn vertelling, die doorheen de vele honderden pagina’s van meanderende epische wijdsheid niets aan meeslepende spankracht inboet, weet Kuijer perfect het overweldigende karakter van het verhaal aan te houden. Zijn boek is een aaneenschakeling van novelles en romans die de machtige Bijbelse verhalen gul kruiden met ironische levenswijsheid of scherpzinnige inzichten die al dan niet aan de Bijbel zijn ontleend of aan zijn eigen pen ontsproten. Er is een constante wisselwerking tussen epische schaal, zin voor karakter en handeling, en psychologisch inzicht, gepeperd met postmodern sarcasme en ironie. Er zijn echter zoveel personages dat het onmogelijk is om hun psychologie telkens in detail te schetsen. Dat zou het verhaal immers vertragen en voor de lezer onvatbaar maken. Kuijer vangt dat zeer bekwaam op door regelmatig te werken met een archetypische psychologie waarvoor hij bovendien treffende moderne analogieën vindt. Met name in de metacommentaren die de vertellers de lezer meegeven, vertolkt Kuijer een eigen postmoderne en atheïstische blik op het gebeuren.
 
Verhalen van mensen
Cruciaal in dat proces is precies de manier waarop Kuijer van in het allereerste boek van Genesis met vertellers en vertelstandpunten speelt. In plaats van een epische vertelstem te gebruiken kiest Kuijer er steevast voor om het verhaal te vertellen vanuit het standpunt van één van de betrokken personages, die terugblikkend vertellen wat hen is overkomen of wat zij hebben vernomen. Niet alle vertellers zijn even betrouwbaar, en sommige geven zelf de verschillende versies weer die ze van bepaalde gebeurtenissen hebben gehoord. Bij het allereerste begin blijkt die verteller Adam te zijn, die plots aan het woord God denkt en zo het leven schenkt aan God, die vervolgens de wereld schept; waardoor Adam uitgebreid kan reflecteren op de vraag hoe hij door God geschapen kan zijn als hij zelf eigenlijk God heeft bedacht. Dat is veel meer dan een slim filosofisch woordspelletje omdat Kuijer consistent probeert het verhaal in menselijke proporties te gieten en in de verhalen zelf duidelijk maakt waarom deze verhalen zijn verzonnen en op welke manier de mens er zichzelf de maat in neemt. Een terugkerende thematiek is bijvoorbeeld de manier waarop religieus geloof mensen tot irrationaliteit, wreedheid of onzinnig gedrag drijft. Bovendien wordt keer op keer benadrukt hoe afgunst en jaloezie, maar ook mannelijk haantjesgedrag, de eigenlijke drijfveren zijn achter het handelen van de grote Bijbelse figuren en hun god. Hierdoor weet Kuijer op een bijna vanzelfsprekende wijze duidelijk te maken hoe de joods-christelijke mythologie een sublimering is van de menselijke zwakte en vooral van de tragiek van het menszijn, dat getekend is door dood, onrecht, en onmacht tegenover het noodlot en het stomme toeval.
 
Opvallend is dat Kuijer regelmatig een vrouwelijk vertelstandpunt kiest of het standpunt van de zwakkere of eerder marginale figuur. Kuijer schept er daarbij ook veel plezier in om met gender-stereotypen te spelen. Soms gaat dit ten koste van de vrouw. De zondeval komt bijvoorbeeld sterk op rekening van Eva te staan, die een onuitstaanbaar betweterig wicht is dat Adam regelmatig het bloed van onder de nagels haalt. Daar staan dan weer indrukwekkende vrouwenportretten tegenover: Sara, Jael, Thermutis en anderen. Kuijer legt de seksistische clichés er vaak dubbeldik op, wat in combinatie met zijn trefzekere ironie heel vaak tot een feministische herwerking van de Bijbelse materie leidt. Vrouwen zijn in Kuijers versie trouwens vaak de stem van de rede, van de (al dan niet ironische) relativering, de bemiddeling, de verzoening; het zijn mannen die oorlogstaal spreken en verdeeldheid zaaien en die oorlog voeren omwille van de oorlog (en de oorlogslust in hun god projecteren om ze te rationaliseren).

Eigentijdse echo’s van vlucht en vervolging
Kuijer vertaalt de archetypische universaliteit van de joods-christelijke mythologie consequent naar een eigentijds idioom. Dat laat hem toe om te tonen op welke manier deze verhalen ook vandaag nog relevant kunnen zijn; niet als religieuze of geopenbaarde tekst, maar als tijdeloze verhalen over de menselijke conditie. Het is bijvoorbeeld moeilijk om zijn herwerking van het verhaal van het volk van Israël onder het juk van farao in Egypte niet te lezen als een vingerwijzing voor de manier waarop de moderne staat Israël reeds vele decennia het Palestijnse volk onderdrukt en als beesten behandelt. Datzelfde verhaal maakt ook duidelijk hoe destructief het is wanneer een volk van ‘vreemdelingen’ dat zich in een ander land vestigt enkel met argwaan wordt bekeken. Het grote probleem van Israël in Egypte is immers dat het Joodse volk altijd een staat-in-de-staat blijft. De Joden wonen in eigen wijken en ontwikkelen zelfs eigen knokploegen om zich te verdedigen tegen het geweld van hun onderdrukkers, waardoor die plaatsen onveilig worden voor Egyptenaren: ‘we konden in onze eigen steden sommige wijken niet meer binnengaan’, klinkt het dan onder de Egyptenaren, alsof het Molenbeek of een andere no-go-zone betrof.
 
Uiteindelijk leiden argwaan en onderdrukking tot een strijd tussen de god van de Joden en farao, die zich door zijn eigen goden gesterkt weet. ‘Ik zou onze eigen goden onteren als ik ook maar een duimbreed wijk voor een god van buitenlanders,’ stelt farao, en klinkt daarbij verdacht veel als een hedendaags politicus ter rechterzijde. In het hedendaagse debat rond migratie wordt vanuit een dergelijke beeldvorming gemakkelijk voorbijgegaan aan de motieven achter volksverhuizingen. In Kuijers vertelling wordt het verhaal van Mozes en farao verteld door Thermutis, de Egyptische prinses die Mozes in zijn mandje vond en hem als haar eigen kind opvoedde. Het is echter ook Thermutis die zich uiteindelijk bij het Joodse volk schaart omdat ze niet langer kan aanzien hoe farao de Joden behandelt (parallellen met de nationaalsocialistische terreur uit de jaren 1930 zijn daarbij makkelijk te vinden). ‘Ik dacht aan al die mensen op de wereld die hun land moesten verlaten, op de vlucht voor honger, oorlog of vervolging, maar misschien nog vaker om een geliefde achterna te gaan,’ bedenkt Thermutis. ‘Ik voelde de pijn van al die mensen als een mes in mijn hart. Waarom dwingen de goden zovelen van ons de plek te verlaten waar we gelukkig zijn?’  
 
Ook andere verhalen vlechten de actualiteit doorheen het oude materiaal. Simpson wordt door de Filistijnen als een zelfmoordterrorist beschouwd ‘terwijl hij in Israël als een verzetsheld wordt geëerd’. En in zijn omstandige verslag van de strijd tussen David en koning Saul brengt Kuijer heel mooi de wisselende etnische allianties en machtsverschuivingen in kaart die gepaard gaan met een politiek-religieuze machtsstrijd.
 
Het loutere plezier van het vertellen
Kuijer vlecht dergelijke parallellen en eigentijdse echo’s elegant en moeiteloos in het weefsel van zijn massieve roman(s). Zijn toon is nooit prekerig, maar de alerte lezer wordt keer op keer getroffen door subtiele verwijzingen en dubbele bodems. Die worden ook vaak gesignaleerd door Kuijers ironie en droge humor, die ervoor zorgen dat de mythologische zwaarte van de verhalen wordt verlicht en verteerbaar wordt gehouden. Soms wordt de humor zelfs ronduit kolderiek en vulgair. De passage waarin Sara totaal uitzinnig wordt wanneer de god van Abraham opdraagt om alle mannen en jongens te besnijden, is pure Monty Python. En wanneer de Filistijnen van de stad Gat door aambeien worden getroffen flirt Kuijer met scabreuze Rabelaisiaanse humor. Doorheen het hele boek schept Kuijer er trouwens genoegen in om schuttingtaal in stelling te brengen en zo het Bijbelse decorum te doorbreken en de verhalen op menselijke schaal te brengen. En over dat alles heen ligt altijd weer de onweerstaanbare glans van het loutere plezier van het vertellen. De romans over Jozef en zijn broeders of over Mozes en de uittocht uit Egypte bieden bijvoorbeeld filmisch meeslepende lectuur terwijl de breed uitgewerkte opbouw naar het verhaal van koning David wordt ontwikkeld doorheen een doorwrochte structuur van verhalen-in-verhalen. Wat David, Saul en Jonatan betreft, weet Kuijer trouwens op een heel ongedwongen manier de homo-erotische ondertoon van het verhaal in zijn vertelling te weven.
 
Hoewel Kuijer de Bijbel doorheen zijn herwerking nooit banaliseert, zorgen zijn stilistische ingrepen toch voor een afstand tegenover het verhaal, en met name tegenover het religieuze denken. ‘Het was me langzamerhand wel duidelijk dat je God de mond kon snoeren door zelf na te denken,’ merkt Adam op een bepaald moment op. En waar dat denken het moet afleggen tegen de dogmatiek en orthodoxie van het geloof volgt onvermijdelijk de miserie.
 
‘Kent u de blik van mensen die goddelijke waarheden verkondigen? De ogen schijnen te kijken, maar ze zien niet. De blik komt niet voorbij de oogleden, maar blijft in de wimpers hangen’.
 
Bijgevolg biedt Kuijers vertaling van de Bijbel niet alleen een lezing voor ongelovigen, ze is ook een confrontatie voor diegenen die wel gelovig zijn, en die hier een lectuur van hun heilige boeken krijgen aangeboden die radicaal eigentijds wil zijn en de vraag stelt naar de betekenis van deze mythen voor de eenentwintigste eeuw. Dat is opnieuw de rijkdom van Kuijers project: dit is een atheïst waar geen gelovige omheen kan omdat hij de Bijbel serieus neemt, veel serieuzer dan conservatieve prelaten die vasthangen aan archaïsche interpretaties en niet willen erkennen hoe de joods-christelijke mythologie doorheen de eeuwen steeds is herdacht in functie van de noden van het heden. Het verleden was immers altijd al modern omdat het heden ook in het verleden al gewoon het moderne heden was voor de mensen die toen leefden.
 
Verhalen uit meerdere monden
Het was D.H. Lawrence die ooit opmerkte dat we moeten vertrouwen op het verhaal en niet op de verteller. Die boutade kan men zo interpreteren dat elke verteller alleen maar een schakel is in een langere keten van vertellers die verhalen aan elkaar doorgeven. Elke verteller en elke generatie voegen iets toe aan de traditie, nemen iets weg, en herdenken het verhaal voor hun eigen tijd. ‘Het is geloof ik nauwelijks mogelijk het verhaal van een ander na te vertellen zonder je erin te mengen,’ weet Jozefs jongste broer Benjamin. ‘De verhalen die we aan elkaar doorgeven zijn daardoor niet tot één mens te herleiden, omdat ze als het ware gekneed zijn door meerdere handen. Ik denk dat ze daar rijker van worden omdat ze niet uit één mond tot ons spreken, maar uit meerdere’. Door zijn spel met vertellers brengt Kuijer die meerstemmigheid in de Bijbel naar voor. En daarmee schrijft hij zich in een lange traditie in, die reeds eeuwenlang de Bijbelse mythologie hertaalt naar de eigen tijd, in liederen; in schilderijen (zoals de vele werken van Rembrandt en zijn tijdgenoten, die als illustraties in het boek zijn opgenomen en die de Bijbelse verhalen voor hun eigen eeuw vorm gaven, vaak ook in een eigentijds decor); in de middeleeuwse bibles moralisées met hun morele duidingen van de tekst; of in de films van zo diverse cineasten als Cecil B. DeMille en Pasolini, die de Bijbelverhalen op uiteenlopende manieren, en met sterk verschillende morele, politieke en esthetische agenda’s, naar een modern publiek hebben vertaald. ‘Ik raad iedereen aan om te luisteren naar de vertellers,’ observeert Benjamin als een pre-moderne Lawrence, ‘want als we niet luisteren, weten we niet wie ons vooraf zijn gegaan en wat we van ze kunnen leren’.
 
Dat lijkt me uiteindelijk ook een belangrijke intentie achter Kuijers massieve boek te zijn. Veeleer dan de Bijbel bij het cultureel afval te parkeren, zoals wel vaker gebeurt in militant-atheïstische kringen, wil hij de verhalen redden van de ideologie, luisteren naar wat de vertellers ons zeggen, en daar lering uit te trekken. Ook en net vooral wanneer die lering tegen de religieuze orthodoxie in gaat. Dat hij de verhalen hier en daar creatief wat moet heruitvinden om die lering erin te plooien is mooi meegenomen. Het is immers daar dat de herverteller zelf ook deel wordt van het verhaal, en dus een schakel in een levende traditie die voor onze eigen ogen wordt getransformeerd. Op die manier is Kuijers hervertelling zoals elke hervertelling meteen ook een eigentijdse exegese; maar in dit geval dan toch een exegese die er een duivels genoegen in schept om de boodschap van de Bijbel zeer correct te lezen en net daardoor eigenlijk tegen de geest van wat zo vaak de geest van de Bijbel wordt genoemd. Het is met andere woorden een exegese die moeiteloos duidelijk maakt dat een conservatieve en repressieve lectuur van de Bijbel heel vaak volledig voorbijgaat aan wat er de eigenlijke boodschap van is. Waardoor deze atheïstische Bijbel uiteindelijk ook ontzettend veel binnen- en andere pret verschaft.
 
Guus Kuijer: De Bijbel voor ongelovigen, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2018, 1288p. ISBN 9789025309275. Distributie L&M Books 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 6, JUNI 2019

Ik zal de wereld nooit meer zien. Aantekeningen uit de gevangenis

Ahmet Altan

Kamer in Oostende

Koen Peeters

Lief slecht ding

Frank Keizer

Onrustige dagen

F.B. Hotz, Thomas Heerma Van Voss (sam.)

SS Proleterka

Fleur Jaeggy

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2019

* De eerste avonturen van de Rode Ridder, 1959-1961

Een ridder voor alle seizoenen

De boom met het oor

Annet Schaap, Philip Hopman

Mijn mama

Annemarie van Haeringen

Poëzie hardop

Hans Hagen, Monique Hagen, Maartje Kuiper (ill.)

Twee maal op reis door het brein.

Verdwalen in Breinstein of inzicht in het hoofd

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri