Vertaald proza

BOEKEN NR. 3, MAART 2019

Joseph Roth, Stefan Zweig: Elke vriendschap met mij is verderfelijk. Brieven 1927-1938

door Carl De Strycker

Joseph Roth zoekt begin september 1927 contact met Stefan Zweig naar aanleiding van diens positieve oordeel over zijn boek Juden auf Wanderschaft. Het bedankingsbriefje vormt het begin van een briefwisseling die meer dan een decennium beslaat. Het is ook de aanzet voor een bijzondere vriendschap tussen beide schrijvers die na een eerste persoonlijke ontmoeting – pas in 1930 – resulteert in een aantal belangrijke samenkomsten en gezamenlijke werkverblijven (waarvan het bekendste waarschijnlijk dat in Oostende 1936 is, waarover Mark Schaevers zo mooi geschreven heeft in Oostende, de zomer van 1936 en waarover ook Volker Weidemanns wereldwijde bestseller Zomer van de vriendschap gaat). De correspondentie tussen deze twee belangrijke en in de Nederlanden geliefde Oostenrijkse auteurs verscheen in 2011 in het Duits en is nu naar het Nederlands vertaald door Roth-specialiste Els Snick en uitgegeven als 300ste deel in de reeks Privé-domein (voor de gelegenheid met gouden randje), waarin ook Zweigs De wereld van gisteren verscheen.

De briefwisseling bevat 194 brieven van Roth aan Zweig en 45 in de omgekeerde richting. Het onevenwicht heeft te maken met het feit dat Roth een hotelmens was. Veel brieven van Zweig zijn verloren gegaan omdat Roth geen vaste stek had, waardoor hij niet de mogelijkheid had om dingen te bewaren, en dus ook geen archief voerde. De onderwerpen die aan bod komen, zijn Roths penibele levensomstandigheden en zijn voortdurende gebrek aan geld (klaagbrieven daarover beslaan zowat driekwart van de correspondentie), de uitwisseling van gedachten over elkaars werk, en ten slotte de politiek-maatschappelijke situatie in Duitsland en Oostenrijk in de jaren dertig, die gekenmerkt worden door de opkomst van Hitler en het nationaalsocialisme.

Dat laatste onderwerp is het boeiendst, vooral omdat de naïviteit over de heersende toestanden bij de goeiige Zweig in scherp contrast staat met Roths feilloze aanvoelen van de toekomstige verschrikkingen. Al heel vroeg maakt hij een heldere en rake analyse die visionair zal blijken te zijn, terwijl Zweig pas de ernst van de situatie inziet wanneer er bij hem in Salzburg een brutale huiszoeking plaatsvindt (waarna hij Oostenrijk verlaat). Wat betreft commentaar op elkaars werk is er ook een groot verschil tussen beide briefpartners. Zweig is eigenlijk meestal onder de indruk van Roths werk, ook van de minder geslaagde publicaties, terwijl Roth bijtend kritisch is en Zweig niet alleen op het vlak van de structuur van diens boeken op zwakheden wijst, maar ook op woord- en zinsniveau fouten bespreekt. Een dergelijke openheid waarin onverbloemd de waarheid gezegd kan worden, wijst op de grote vertrouwdheid en het wederzijdse respect dat bestaan moet hebben tussen beide vrienden.

Het grootste deel van de correspondentie bestaat echter uit de weeklachten van Roth over zijn chronische gebrek aan geld, ondanks het feit dat hij als een ware sjacheraar overal voorschotten weet los te prutsen, niet slecht betaald wordt voor zijn werk als journalist en schrijver, en voortdurend overal op krediet leeft. Eigenlijk zijn het bedelbrieven aan de welgestelde Zweig, die niet zelden over de brug kwam met geld en zich zo min of meer tot mecenas ontpopt. Daarbij schuwt Roth de affectieve chantage niet (meermaals overweegt hij zelfmoord omdat hij zijn leven uitzichtloos vindt), en is hij ongegeneerd manipulatief: hij spreekt Zweig bewust kwetsend toe, maakt onterechte verwijten, is voortdurend verongelijkt en heft heuse scheldkanonnades aan. De voorname Zweig blijft er rustig en minzaam onder, het enige waar hij telkens weer streng op aandringt, is dat Roth zich zou laten behandelen voor zijn drankverslaving, die Roth dan weer – typisch voor de echte alcoholist – minimaliseert. Het is maar in brieven aan anderen waarin Zweig over Roth schrijft dat je merkt dat dit gedrag hem niet alleen zorgen baart, maar ook ergert. Nee, het is voorwaar geen sympathiek portret van Roth dat hier uit zijn brieven naar voren komt.

Elke vriendschap met mij is verderfelijk is een prachtig boek voor liefhebbers van Roth en Zweig, al gaat Roths larmoyante gezeik over geldkwesties op den duur ook wel vervelen. Dat naast de integrale briefwisseling tussen de beide auteurs ook brieven aan derden zijn opgenomen, werkt verhelderend, zeker omdat zoveel brieven van Zweig verloren zijn gegaan. Ook het nawoord van Heinz Lunzer, waarin de briefwisseling historisch en literair gecontextualiseerd wordt, helpt voor een beter begrip en inschatting van de situatie waarin beide heren verkeerden. Met name voor Roths financiële toestand schept ze ondubbelzinnig klaarheid: dat die precair was, kwam enkel en alleen door zijn eigen onvermogen om met geld om te gaan en niet door te lage honoraria, zoals de schrijver het zelf graag voorstelt.  

Een omissie is evenwel dat het commentaargedeelte uit de oorspronkelijke uitgave in de Nederlandse versie geheel achterwege is gebleven. De aanhef van het nawoord komt daarmee op losse schroeven te staan. Het tweede deel van deze zin gaat namelijk in zijn geheel niet op voor de vertaling: ‘Voor zover hun brieven bewaard zijn gebleven, worden ze hier voor het eerst volledig en onverkort gepresenteerd en uitvoerig becommentarieerd.’ Enkel de namen die in de brieven vermeld worden, worden minimaal geduid (geboorte- en sterfjaar en een aanduiding van het beroep van de genoemde in kwestie).  

Dat maakt dat een aantal passages volledig onbegrijpelijk zijn voor wie niet ingewerkt is in de geschiedenis van de jaren dertig van vorige eeuw of in de biografie van beide schrijvers. Het probleem doet zich al op de eerste bladzijde in de eerste brief voor, waar Roth aan Zweig schrijft ‘U hebt me heel aardige woorden gezegd over mijn jodenboek. Ik dank u hartelijk.’ Dat het hier om een brief (of een recensie, wie zal het zeggen?) van Zweig over Juden auf Wanderschaft gaat, wordt nergens vermeld. En zo wemelt het in dit boek van de paragrafen waarin zaken of gebeurtenissen worden vermeld waarover de Nederlandstalige lezer in het ongewisse wordt gelaten. Dat is niet minder dan een smet op deze jubileumuitgave in de onvolprezen reeks Privé-domein.

Joseph Roth en Stefan Zweig: Elke vriendschap met mij is verderfelijk. Brieven 1927-1938, Arbeiderspers, Amsterdam 2018, 420 p. ISBN 9789029517232. Vertaling van Jede Freundschaft mit mir ist verderblich : Briefwechsel 1927-1938 door Els Snick. Distributie L&M Books 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 3, MAART 2019

De bijzondere syntaxis van onvertaalbare locuties

Jacques Derrida en Veva Leye

De ontembare

Guillermo Arriaga

Fantoommerrie

Marieke Lucas Rijneveld

Nachtouders

Saskia de Coster

Wijzigingen bijhouden

Sayed Kashua

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 3, MAART 2019

De kleur van de zon

David Almond

In de voetsporen van Karel Daarwind

Mārtiņš Zutis

Merel

Sarah Moon

Oma Vogeltje

Benji Davies

Wat ik de bomen wil vertellen

Enzo Pérès-Labourdette

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri