Vertaald proza

BOEKEN NR. 3, MAART 2019

Patrick Modiano: Blue Aloha

door Katja Feremans

‘Ik ken PM al veertig jaar. Ik was achttien toen ik hem ontmoette, en het leek me meteen geweldig om de assistente te worden van die metafysische detective’. Zo begint de tekst ‘P.M.’ van Dominique Zehrfuss (1951), de echtgenote van Patrick Modiano (1945). Haar poëtische beschouwing, die ze in 2012 al schreef en waarmee Blue Aloha opent, geeft een fascinerende inkijk in hoe Modiano’s subtiel getoonzette proza ontkiemt.
 
Van zijn bedwelmende, melancholieke toon valt er evenwel nog niet veel te bespeuren in zijn eerste verhaal in Blue Aloha. ‘Ik ben een eenzame jongeman…’ schreef hij in 1966, twee jaar voordat zijn romandebuut De plaats van de ster uitkwam. De jongeman uit de titel is om en bij de twintig en wordt samen met leeftijdsgenoten gevangengehouden in een met roze prikkeldraad omheind concentratiekamp. De kampleiding laat volop kleding, parfum, sigaretten en ladingen andere koopwaar aanrukken. Voorts wiegt ze de jonge gedetineerden in slaap met LSD en sentimentele muziek. Kapo’s als Adamo, Françoise Hardy, Johnny Hallyday en Sylvie Vartan ‘voeren hen mee op een zee van tederheid om hen weerloos uit te leveren aan hun beulen’, want wat hen uiteindelijk te wachten staat is deportatie en vervolgens uitroeiing.
 
Dit verhaal, dat Modiano op zijn eenentwintigste schreef, is een en al bijtende parodie op de massaconsumptie en het genot waar zijn eigen generatie van babyboomers zich in wentelde: ‘Ja, we zijn verwende kinderen. Nee, we zijn niet aan het front gestaald, we hebben nog niks meegemaakt. Nee, het ontbreekt ons niet aan zakgeld. Ja, we leven in een welvarend, goedverlicht en brandschoon kamp. In plaats van wachttorens hebben onze leiders winkels en horecabedrijven laten bouwen’.
 
In ‘Kalenderbladen’ heeft Modiano dan weer in een fragmentarische stijl een testament opgemaakt van zijn jeugd. Aan bod komen onder meer het internaat, het geldgebrek thuis en de schimmige zaakjes van zijn vader en diens kompanen. Sommige van die aantekeningen uit 2001 heeft hij later verwerkt in Un pedigree, in het Nederlands verschenen als Een Stamboek (2005). Daarin komt bijvoorbeeld de korte bespiegeling terug bij Raymond Queneau, die hem in de jaren zestig bij uitgeverij Gallimard binnenloodste: ‘De lach van Queneau. Half geiser, half ratel. Maar ik ben niet goed in metaforen. Het was gewoon de lach van Queneau’.
 
Zijn jeugdwerk draagt het stempel van zijn ‘stamboek’, zo stipt Dominique Zehrfuss aan in ‘P.M.’. Hoe meer zijn oeuvre gestalte kreeg, hoe meer echter de ongrijpbaarheid er een plek in verwierf en deel ging uitmaken van de zogenaamde ‘petite musique modianesque’: Modiano’s met een troebel waas bedekte precisie, zijn fluïde personages, de onberekenbaarheid van het geheugen, de obsessie van de schrijver met eigennamen en topografie.
 
In ‘Hartenkreet’ is die sfeer duidelijk voelbaar. Het verhaal werd als ‘Courrier du cœur’ voor het eerst in 1974 gepubliceerd en is opgevat als een brief waarin de uit Parijs gevluchte hoofdpersoon op een oudejaarsavond zijn hart uitstort bij een in vroeger tijden bekende filmactrice. Centraal in zijn relaas staan de vier onaangename figuren die hem in een Normandische badplaats achtervolgen en die hij maar niet van zich af kan schudden.
 
Het zuiverst klinkt de ‘petite musique modianesque’ in het in 1983 geschreven ‘De tijd’. De ik-figuur, die in de jaren zestig soms over de vloer kwam bij Guy Scheffer, vraagt zich nu, vijftien jaar later, af wat er van hem is geworden. Een telefoonnummer in een van zijn oude agenda’s brengt hem op het spoor van Scheffer. Wanneer die niet op tijd op hun afspraak is, laat de verteller zichzelf binnen in diens appartement met de sleutel die onder de deurmat ligt. Meteen wordt hij ingehaald door het verleden, een ‘tijd van uitzinnig optimisme die ons tegenwoordig hopeloos passé lijkt, met zijn naïeve geloof in plexiglas, hallucinerende middelen, Afghaanse jassen, de avant-garde…’. Ook de metalige achtergrondmuziek die Scheffer inblikte op vraag van luchthavens, komt hem weer voor de geest - een van Scheffers langspeelplaten heette ‘Blue Aloha’. En Guy Scheffer zelf? Die blijkt een typische, modianeske figuur, even vluchtig als de tijd zelf.
 
Het wezen van Patrick Modiano’s schrijverschap, dat door Dominique Zehrfuss ongemeen mooi in twee bladzijden is verwoord, zet Dirk Leyman verder uiteen in een uitgebreid nawoord. Liefhebbers van Modiano zullen hun hart ophalen aan het veelzijdige materiaal dat is opgediept en vertaald voor Blue Aloha. Voor wie minder met zijn werk vertrouwd is, schetst het nawoord het ruimere kader waarbinnen de Nobelprijswinnaar te werk gaat en brengt het boek een staalkaart van zijn proza.
 
Patrick Modiano: Blue Aloha, Vleugels, Bleiswijk, 2018, pag. 78. Vertaling door Maarten Elzinga. ISBN 9789078627616

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 3, MAART 2019

De bijzondere syntaxis van onvertaalbare locuties

Jacques Derrida en Veva Leye

De ontembare

Guillermo Arriaga

Fantoommerrie

Marieke Lucas Rijneveld

Nachtouders

Saskia de Coster

Wijzigingen bijhouden

Sayed Kashua

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 3, MAART 2019

De kleur van de zon

David Almond

In de voetsporen van Karel Daarwind

Mārtiņš Zutis

Merel

Sarah Moon

Oma Vogeltje

Benji Davies

Wat ik de bomen wil vertellen

Enzo Pérès-Labourdette

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri