Non-fictie

BOEKEN NR. 4, APRIL 2019

Eric Min & Gerrit Valckenaers: De klank van de stad. Een cultuurgeschiedenis van Venetië

door Inge Lanslots

‘Daar sta je dan. Teruglopen naar het ponton van de vaporetto is de enige optie, maar dat wist je al voor de expeditie begon. Ook wij hebben de reis gemaakt, zowel in de ruimte als op het papier.
De rottende algen en de lege plastic flessen van La Giudecca getrotseerd. Het gezelschap van dode dichters en schilders opgezocht. Lijntjes op partituren gevolgd. Verbanden gelegd. Elke ochtend een ontdekking. Elke tafel een tombe.’

Zo besluiten Eric Min en Gerrit Valckenaers hun reis naar Venetië, De klank van de stad. Een cultuurgeschiedenis van Venetië, die ze in hetzelfde ‘Dankwoord’ opdragen aan de tweeëntwintigjarige vluchteling uit Gambia, Pateh Sabally, die in 2017 verdronk in het Canal Grande zonder dat omstaanders ingrepen terwijl ze zijn dood wel filmden met hun smartphone, met racistische commentaren op de achtergrond. Met het (voorlopig uitverkochte) relaas van hun reis naar de Dogenstad bevestigen Min en Valckenaers hoe Venetië tot de verbeelding blijft spreken.  
 
In het ‘Voorwoord. Travelling’ geven ze aan dat het pittoreske Venetië al meermaals gekopieerd werd, alsof het een pretpark-bouwpakket was, maar ze gaan meteen ook in op het unieke karakter van de stad, waar je te allen tijde dreigt verloren te lopen. ‘Zo is Venetië het eeuwige andere: tegendeel en keerzijde.’ Doorheen de tien daaropvolgende hoofdstukken volgen nog definities en omschrijvingen die de auteurs al dan niet ontlenen aan anderen: Voor fotografen is Venetië een stad van ‘wachten. Naderen. Verdampen: opgelost worden in een groter licht.’ ‘In de jaren veertig van de negentiende eeuw lijkt Venetië wel een spookstad, en veeleer een oude vrijster dan een schone slaapster.’ Vijftig jaar eerder was Couperus al gevallen voor Venetiës traagheid en labelde hij haar een ‘ “tooverstad” ’, terwijl Zola de stad afdeed als ‘ “een ruïne en een museum” ’. Goethe sprak dan weer denigrerend over Venetië als een ‘beverrepubliek’ omdat de stad in de lagune op boomstammen was gebouwd. Maar die negatieve uitlatingen wegen niet op tegen Venetiës aantrekkingskracht: velen willen er niet gewoon halt houden maar een tijdje verwijlen en keren ook meermaals terug, zoals Sartre die er bijna blind zijn laatste adem zou uitblazen. ‘Hier stopt het: Venetië is een terminus.’
 
Vele bezoekers mogen dan wel stranden in de ‘Bermudadriehoek tussen Rialto, San Marco en Accademia’, toch ontgaat de Byzantijnse pracht van de stad hen niet. Ze staan wel niet altijd stil bij de onmisbare rol die Venetië in de muziekgeschiedenis had. San Marco, de ‘piratenkathedraal’ die met al dan niet gestolen kunst verrijkt werd, is immers ‘niet enkel een mausoleum voor het gebeente van de heilige en de plek waar de stad haar uitbundige religieuze spektakels opvoert, maar evengoed een uitzonderlijke concertzaal met een Grieks kruis als plattegrond. Door de eeuwen heen hebben de kapelmeesters en hun muzikanten de ruimte gebruikt als een klanklaboratorium waar akoestische experimenten de kleur van de muziek hebben bepaald. […] Zo inspireerden de trouvailles van de Venetiaanse componisten de muziekpraktijk in de rest van Europa.’ In Venetië waren er in de achttiende eeuw vier vermaarde muziekscholen waar weesmeisjes een excellente opleiding genoten. Heel wat componisten deden in de stad inspiratie op: Stravinsky, Wagner, Rossini, Liszt, Verdi en Vivaldi – wiens werk pas laat erkend werd, om er maar enkele in niet-chronologische te vermelden. Min en Valckenaers staan ook stil bij hoe de aanwezigheid van de joodse gemeenschap – ‘Sefardische joden, Asjkenazim, Levantijnen, Ebrei Tedeschi’ – de muziekgeschiedenis beïnvloedde en duiden meteen de mogelijke oorsprong van het woord ghetto.
 
De joodse invloed op muziek zal Joyce enigszins verkeerd opnemen in zijn Ulysses, maar het geeft meteen aan hoe ook auteurs niet ontsnapten aan de bekoring van de stad. Stendhal beschreef de stad als geen ander, maar ook de overgevoelige Rilke en de hedendaagse Mexicaanse auteur Valeria Luiselli, die door haar verblijf in Venetië haar gelaagde identiteit in vraag stelde. Net zoals bij de musici had de stad niet alleen een grote impact op het oeuvre van de auteurs maar op ook hun leven. Onvergetelijk is ook de turbulente passage van George Sand (geboren als Amandine Dupin) en haar veel jongere minnaar De Musset, wier stormachtige relatie zich overigens niet beperkte tot de Dogenstad.
 
Verder nemen Min en Valckenaers je mee door de geschiedenis van het theater, de schilderkunst en de mode. De auteurs weiden uit over de Italiaanse Molière, Goldoni en de Fortuny-fabriek die prachtige stoffen ontwierp. De Delphos-jurken zijn wereldvermaard, te meer omdat de stoffen de typisch Venetiaanse kleuren wisten te vatten. Ontroerend zijn de pagina’s over Monet die het roze van Venetië wist te capteren en die zich geen leven zonder zijn wederhelft kon voorstellen. Zijn ‘leerling’ Signac, die van het impressionisme overstapte naar het pointillisme, leverde ons een andere kijk op de Dogenstad over. Venetië werd in de achttiende eeuw opgeluisterd door het werk van Giambattista Tiepolo en zijn zoon, Giamdomenico, legde in zijn fresco’s dan weer de neergang van een tijdperk vast. Memorabel zijn diens fresco’s in Ca’ Rezzonico, waarbij de bezoeker zich probeert in te beelden waar het publiek in het fresco naar kijkt. Een scène die tot de verbeelding spreekt. Begin twintigste eeuw organiseerden de futuristen dan weer events in Venetië om hun avant-gardistische programma te promoten: ze verwierpen de waarden van de ‘grijze’ bourgeoisie en verheerlijkten de vooruitgang, waarvoor de auto – en later ook het vliegtuig – symbool stonden.
 
In hun cultuurgeschiedenis staan Min en Valckenaers meermaals stil bij de aparte architectuur van de stad, waarin de beroemde Renzo Piano (hij tekende het ontwerp voor het ‘Vlinderpaleis’ in Antwerpen) recent intelligent ingreep met verschillende projecten. Zo hoeft Venetië niet alleen te herinneren aan een glorierijk verleden en de teloorgang na de Oostenrijkse bezetting – met als pluspunt de introductie van het aperitief spritz, maar krijgt het ook een hedendaags karakter. In afwachting van een bezoek ‘in de ruimte’ van de stad kan de lezer met De klank van de stad Venetië alvast op papier verder doorkruisen met Min en Valckenaers als volleerde gidsen. Niet alleen hun relaas maar ook hun uitvoerige bibliografie en notenapparaat bieden je verschillende bekorende parcoursen aan.
 
Eric Min & Gerrit Valckenaers: De klank van de stad. Een cultuurgeschiedenis van Venetië, Polis Kalmthout 2019, 430 p. ISBN 978946310205. Distributie Pelckmans Uitgevers

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri