Non-fictie

BOEKEN NR. 4, APRIL 2019

Jan Willem Stutje: Hendrik de Man. Een man met een plan

door Ludo Abicht

Jan Wilem Stutje, de Nederlandse historicus, had reeds vroeger een paar indrukwekkende en omvangrijke studies over progressieve Nederlandse en Vlaamse politieke figuren geschreven, onder meer over de Nederlandse communist Paul de Groot (Paul de Groot. De man die de weg wees, 2000), de Vlaamse trotskist Ernest Mandel (Ernest Mandel. Rebel tussen droom en daad, 2007) en de Friese anarchist Domela Nieuwenhuis (Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919). Een romantisch revolutionair, 2012). Deze studies waren indrukwekkend, al was het maar vanwege de hoeveelheid verwerkte oude en nieuwe bronnen, en omvangrijk, zowat gemiddeld 500 bladzijden.
 
Toegegeven: er lopen diepe kloven tussen stalinisten en trotskisten, en tussen marxisten en anarchisten, maar het is duidelijk dat de belangstelling van Stutje in elk van deze gevallen uitgaat naar de linkervleugel van de progressieve en socialistische beweging. Het is belangrijk dit even te vermelden, omdat het boek over Hendrik de Man (1885-1953) eveneens begint met de politieke en intellectuele biografie van een socialist, in dit geval een invloedrijk sociaaldemocratisch leider (of moeten we ‘voorman’ zeggen?), terwijl het moeilijk vol te houden is dat de rijpere De Man ondanks zijn zelfinschatting nog objectief tot dit progressieve of socialistische kamp gerekend kan worden.
 
Want waar Henrik de Man er persoonlijk waarschijnlijk diep van overtuigd was, tot zijn laatste snik een waarachtig socialist te zijn gebleven, is dat voor een buitenstaander helemaal niet vanzelfsprekend. Hoe kon iemand die lange tijd tot de revolutionaire linkervleugel van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) behoorde, vanaf het midden van de jaren dertig niet alleen overtuigd monarchist, maar zelfs openlijk medestander (‘collaborateur’) van het Duitse nationaalsocialisme geworden zijn?
 
Willem Stutje verwerpt alle makkelijke of pseudopsychologische motieven die men voor deze ontwikkeling zou kunnen bedenken. Bijvoorbeeld: Hendrik de Man was door zijn traumatische ervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn jeugdige, zeg maar Luxemburgiaanse geloof in de revolutionaire kracht van de proletarische massa’s kwijtgeraakt. Dat had hij uiteraard met veel radicaal linkse medestanders gemeen, maar dat verklaart nauwelijks zijn verdere evolutie. Hij keerde zich af van het dogmatische, zeg maar Leninistische marxisme, zoals onder meer zal blijken uit zijn meesterwerk Zur Psychologie des Sozialismus (1926 – vert. De psychologie van het socialisme), maar hij deelde dit wantrouwen tegenover het leninisme met de overgrote meerderheid van zijn sociaaldemocratische medestrijders die echter nooit de fatale overstap naar zijn autoritair socialisme national gezet hebben. Hij was razend ambitieus, elitair en af en toe een tikkeltje opportunistisch, maar had hij dit niet met vrijwel alle succesrijke politici van alle kleuren gemeen? Hij identificeerde zich hartstochtelijk met zijn beroemde Plan van den Arbeid, maar deed Franklin Delano Roosevelt dat dan niet met zijn New Deal, om over andere, even ambitieuze herstelplannen in wanhopige tijden te zwijgen? En zo kunnen we nog een tijdlang doorgaan, zonder echt te begrijpen wat er in het hoofd van Hendrik de Man is voorgegaan en waarom hij nooit heeft kunnen begrijpen waarom niet velen van zijn bewonderaars hem in zijn toenadering tot wat hij wellicht een beetje naïef als ‘de linkervleugel van het nationaalsocialisme’ beschouwde gevolgd zijn. Om het nog iets complexer te maken: ondanks het feit dat De Man na de oorlog als een verrader beschouwd en geschuwd werd, vinden we in de programma’s van de naoorlogse sociaaldemocratie een aantal centrale elementen terug die direct of indirect aan het vooroorlogse Plan de Man ontleend zijn, tot nog toe uiteraard zonder expliciete verwijzing naar zijn bijdrage.
 
Het moge duidelijk wezen dat we hier niet (alleen) te maken met een opportunistisch meeloper, ‘kazakdraaier’ en gelegenheidsprofiteur die zonder scrupules verbrand heeft wat hij aanbeden had, maar met iemand die op bepaalde cruciale momenten in zijn politieke en intellectuele ontwikkeling andere keuzes gemaakt heeft dan zijn politieke geestesgenoten. Ik geef een voorbeeld: in 1932, zes jaar na de publicatie van Zur Psychologie des Sozialismus, verschenen voor het eerst de zogenaamde Frühschriften van Marx. Vorsers van het Frankfurter Institut für Sozialforschung (de ‘Frankfurter Schule’), waaronder Erich Fromm, trokken daar conclusies uit die inhoudelijk dicht aansloten bij die van De Man. Alleen bleven zij binnen de marxistische traditie, die De Man in 1926 ontegensprekelijk verlaten had. Met het gevolg dat hij zowél tegenstander was van het sociaaldemocratische revisionisme als van het marxisme-leninisme en daarom op zoek moest gaan naar een andere invulling van zijn socialistisch engagement.
 
Ook in dat geval stelt Willem Stutje dat dit niet noodzakelijk naar zijn autoritair (en royalistisch) socialisme national had moeten afglijden:
 
‘In De psychologie van het socialisme had hij dit volk voor het eerst onderzocht. Het ging om de kleine man, de handarbeider, de loontrekker, maar ook om de vaklieden, de technici, de witte boorden, de kleine zelfstandigen, winkeliers en anderen uit de middenklassen, kortom de gewone mens met positieve eigenschappen als rechtschapenheid, ijver en oprechtheid. Die kwalificaties verraadden dat De Man zich schatplichtig voelde aan de socialistische erfenis, al deed hij een beslissende stap naar een autoritair leiderschap door vanuit een corporatieve staatsopvatting de gewone mens niet de autonomie van organisatie te gunnen.’
 
Samenvattend zouden we kunnen zeggen dat dit boek zo belangrijk is net omdat de auteur ook geen definitief antwoord heeft kunnen geven op de vraag waarom we zoals vroeger, ook vandaag en morgen niet met de beste bedoelingen in het verkeerde kamp zouden kunnen terechtkomen. Stutje geeft geen definitief antwoord, maar de lectuur van deze vlot geschreven en gedreven biografie zet ons aan, over deze cruciale vraag te blijven nadenken.
 
Jan Willem Stutje: Hendrik de Man. Een man met een plan, Polis, Kalmthout, 2018, 530 p. ISBN 9789463101875. Distributier Pelckmans Uittgevers

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 4, APRIL 2019

Confituurwijk

Femke Vindevogel

De dood en het voorjaar

Mercè Rodoreda

De grote angst in de bergen

Charles-Ferdinand Ramuz

Een kamer met een tafel en schrijfgerei

Ivo van Strijtem

Het nabestaan van Anna Portier

Judith Maassen

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 4, APRIL 2019

De vloek van de vliegende Olifantes

Kate DiCamillo

De wolf komt echt niet

Myriam Ouyessad, Ronan Badel (ill.)

Haast

Stéphane Servant, Rébecca Dautremer (ill.)

Ik mis me. Boek bij de film Nous Trois

Wally De Doncker

Wolinoti, het houten kind

Dimitri Leue, Vanessa Verstappen (ill.)

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri