Vertaald proza

BOEKEN NR. 5, MEI 2019

Georges Bernanos: Meneer Janeu

door Elisabeth Francet

Wat als God zijn biezen pakt?
 
'En of, wat een hitte!' De veertienjarige Steeny ontwaakt uit zijn middagdutje. Rond het Noord-Franse dorp Fenouille liggen de weilanden waar de beesten zijn, 'de lange Vlaamse koeien met hun droeve ogen'. Het zindert tussen de houten lamellen van het huis in de laan met de hoge linden. Steeny leeft in een gouden kooi van zachtmoedigheid: zijn moeders pantser. Men zegt dat zijn vader in de oorlog bij een gasaanval sneuvelde.
 
Monsieur Ouine (1943) van Georges Bernanos (1888-1948) werd dit jaar voor het eerst in het Nederlands vertaald. Volgens vertaler Ard Posthuma is Meneer Janeu een van de best bewaarde geheimen van de twintigste-eeuwse Franse literatuur. Bernanos, wiens eerste roman, Sous le soleil de Satan, in 1926 insloeg als een bom, beschouwde Meneer Janeu als 'het beste en meest complete' wat hij ooit gemaakt had. Lezers van het eerste uur waren echter ontzet, omdat de schrijver God geheel had laten verdwijnen uit het dorp Fenouille.
 
In de roman ontvouwt zich een bizar universum, dat soms aan de gothic films van Tim Burton doet denken. De kasteelheer Anthelme, een bon vivant in een havannakleurig pak, heeft zijn leven 'danig verslonsd' en ligt nu ziek te bed, aangetast door diabetisch gangreen. Hij is niet veel meer dan een gefermenteerde homp vlees. Zijn echtgenote, Ginette de Néréis, bijgenaamd 'Wollekuit', frequenteert het huis van Steeny's moeder. Steeny vindt haar net een romanfiguur. Ze loopt op vleugels, als een gewonde vogel. Overdag drijft ze vanuit een rijtuig haar indrukwekkende merrie voorwaarts. Haar spookachtige verschijning jaagt de hoofden van de dorpsjongens op hol.
 
De adellijke kasteelbewoners huisvesten een gewezen taaldocent, meneer Janeu. Op een dag kwam hij uit het niets aanwaaien met 'zijn geklede jas, zijn bolhoed en zijn grote schoenen'. Binnen enkele weken werd hij een autoriteit in het dorp. Gekweld door tuberculose zit hij dag en nacht achter zijn raam op de uitkijk. Hij ziet alles. Meneer Janeu is uitsluitend geïnteresseerd in het probleem van de moraal en verlustigt zich graag in de gapende wonden van de ziel. 'Ik begeer niets,' zegt hij, 'niets goeds en niets kwaads'. Om hem heen hangt een vreemde lucht.
 
De jonge Steeny vindt in meneer Janeu een leermeester. Uit diens rustige intonatie spreekt zoveel soevereine zelfverzekerdheid, dat Steeny hem tot het einde van de wereld zou volgen. Hij vlucht weg uit het verstikkende huis van zijn moeder en trekt bij meneer Janeu in. Die beklaagt Steeny's jonge mensenleven, 'een en al onwetendheid, een en al overmoed'. Tijdens de lange gesprekken met zijn leermeester ervaart Steeny heftige emoties: woede, afschuw, euforie, droefenis. Geïnspireerd door het tegendraadse heldendom van meneer Janeu, zoekt Steeny zijn eigen weg.
  <br /> In Fenouille woont ook de adellijke familie Devandomme. De vader, een trotse boer en weduwnaar, te schande gemaakt door zijn losbandige dochter, zit opgescheept met een stroper als schoonzoon en een hinkepoot van een kleinzoon, Steeny's boezemvriend en beschermeling.
 
Op een dag wordt aan de oever van de rivier het lijkje van een herdersjongen gevonden. Het gezicht is verbrijzeld. Op het moment dat Arsène, de burgemeester van Fenouille, het lugubere nieuws verneemt, heeft hij 'net zijn onderbroek aangetrokken' (de roman staat bol van dergelijke curieuze contrasten). De overspelige burgervader is gezegend met een uitzonderlijk reukorgaan dat hem een erotische uitstraling verleent. Hij zou de zaak het liefst in de doofpot stoppen: 'Waar is het goed voor om de hele rechterlijke macht te laten opdraven vanwege een ongelukkig dood koeienherdertje alsof het een prins van de wetenschap was bij wijze van spreken'. Een opspelend geweten dwingt de burgemeester alsnog de veldwachter en de dorpsdokter in te schakelen om een onderzoek in te stellen.
 
De gefrustreerde burgemeester gaat dan maar te keer tegen zijn vrouw: 'De schaamte verbiedt ons nu al bijna tweeduizend jaar onze onderbroek uit te trekken, de kerk verstikt het land onder een laag vuil!' De zogezegd godvrezende dorpelingen begaan zonder scrupules de ene na de andere zonde. Alles en iedereen stinkt. Hoezeer ze zich ook wassen en schrobben, rein worden ze niet, want de geur welt op vanuit hun ziel en hun geheugen is een beerput.
 
Het is geen enkel probleem om een dader te vinden in Fenouille. Zowat iedereen kan de moordenaar zijn. Immoraliteit zwaait er de plak, de adel sterft en God ligt te zieltogen. De pastoor, de burgemeester, de leraar: allen hebben ze hun autoriteit verloren. De meningen omtrent meneer Janeu zijn verdeeld. Sommigen zien in hem de verpersoonlijking van het goede, het rationele, voor anderen is hij het kwaad zelve, de baarlijke duivel.
 
Mannen en vrouwen komen tegenover elkaar te staan. Ze lijken wel twee aparte soorten, vervuld van afschuw, minachting, medelijden en wellust tegenover elkaar. Dat in dergelijke omstandigheden moordlust opwelt, mag dan ook niet verbazen. Meneer Janeu klampt zich vast aan de jeugdige onschuld van Steeny. Voor hem doen verveling en gebrek aan nieuwsgierigheid de mensen hun ziel verliezen. De dorpelingen zijn zo verveeld dat ze lijdzaam zitten te wachten tot een ander een misstap zet, crepeert door ziekte, gek wordt of aan het moorden slaat.
 
Volgt een aaneenschakeling van pantomimes, barokke monologen en filosofisch getinte dialogen. De vereenzaamde personages gedragen zich als nachtdieren. Opgejaagd, de oren gespitst, alle zintuigen op scherp, ondernemen ze moeizame tochten. Ze vallen op hun knieën, raken slaags en gewond, krabbelen overeind, strompelen voort, 'terwijl de steeds dichter wordende duisternis de wijde hemel vult'. Alleen Steeny heeft meer weg van een huisdier, gedomesticeerd door meneer Janeu.
 
De burgemeester van Fenouille wordt gek verklaard. Voor de dokter is het gebrek aan religieus gevoel in het dorp louter te wijten aan overspannen zenuwen en een seksuele obsessie. Maar wat als zelfs de pastoor het opgeeft? Wat als de Kerk een parochie dood verklaart en God zijn biezen pakt? De teloorgang van moreel besef heeft het dorp volkomen weerloos gemaakt tegen alle soorten vergif. Steeny, op zijn beurt, kan niet anders dan geduldig wachten tot de doodzieke meneer Janeu het loodje legt. Pas dan zal hij vrij zijn. Hij beseft dat de taaldocent hun zielen bespeelde, geen enkele poging deed hen te veranderen, slechts openbaarde wie ze waren. Uiteindelijk kende hij hen beter dan God.
 
Meneer Janeu is een boek dat concentratie en geduld vergt. Elk gesprek, iedere nieuwe constellatie is essentieel om je een waarachtig beeld van het geheel te kunnen vormen. Geleidelijk aan ontvouwt zich een subliem panorama. Zowat alles aan deze roman is excentriek: de personages, de kronkelende verhaallijnen, de voluptueuze taal, de synesthetische metaforiek, de schitterende dialogen. Dat alles gekruid met een vleug waanzin.
 
Het verhaal heeft de constructie en textuur van een droom, opgebouwd uit fragmenten. Tijd en ruimte worden vloeibaar. Grenzen tussen heden en verleden, leven en dood, leugen en werkelijkheid vervagen. De thema's zijn al even ongrijpbaar, verdoezeld door metaforiek. Gaat het verhaal over afvalligheid, waanzin, haat, nijd, kindermisbruik, zelfmoord, volkswoede? Vast staat dat de zielen der dorpelingen verdorven zijn.
 
Versterkte meneer Janeu, die zich losgemaakt had van de begrippen goed en kwaad, met zijn nihilisme de immoraliteit in het dorp? Wanneer daden louter afgemeten worden aan het 'amorele', wanneer elk oordeel ontbreekt, sterft dan niet samen met God ook het morele kompas in de ziel? Zou het kunnen dat de ziel in zo'n amorele wereld uiteindelijk leeg en overbodig wordt? Ruimte om hierover te speculeren is er in Meneer Janeu meer dan genoeg.
 
Georges Bernanos: Meneer Janeu, Vleugels, Bleiswijk 2019, 264 p. Vertaling van Monsieur Ouine door Ard Posthuma. ISBN 9789078627715. 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri