Vertaald proza

BOEKEN NR. 5, MEI 2019

Kurt Schwitters: Auguste Bolte / Bofkont Hans en andere sprookjes van Merz

door Elisabeth Francet

Medium van de ironie: Merz en andere onzin
 
Kurt Schwitters (1887-1948), Duits avant-gardistisch beeldend kunstenaar, dichter, schrijver en publicist, gebruikte voor zijn collages al wat hij maar kon vinden: krantenpapier, postzegels, stukjes wasdoek, buskaarten, advertenties. 'Merz': zo noemde Schwitters zijn nieuwe uitdrukkingsvorm met principieel alle soorten materiaal. Het is de tweede lettergreep van Kommerz, een woord uit een advertentie die hij gebruikte voor een collage. Merz werd een apart beeldelement en uiteindelijk een begrip. Het houdt het midden tussen expressionisme, futurisme, dadaïsme, kubisme, activisme en constructivisme en werd voor Schwitters hét medium van de ironie. Hij verkoos onzin boven zin.
 
Achter die façade van onzin schuilde bij Schwitters soms vlijmscherpe maatschappijkritiek. Hij stak openlijk de draak met Hitler. Zijn werk werd in het Derde Rijk beschouwd als Entartete Kunst, in het openbaar verbrand en Schwitters vluchtte halsoverkop naar Noorwegen, later naar Engeland. Ironisch genoeg hield men hem daar voor een Duitse spion. Hij belandde in de gevangenis. Uiteindelijk verwierf Schwitters het Britse staatsburgerschap. Een dag later overleed hij.
 
Schwitters schreef gedichten, sprookjes, toneelwerk en grotesken, waarin vreemde, zelfs onmogelijke dingen worden beschreven. Ook hier werkte hij volgens het Merz-principe. Later schreef hij klankgedichten die hij als performer 'betekenisgetrouw' voordroeg. De totaalervaring was voor hem essentieel: klankeffecten, rijm, ritme gaven vaart aan zijn werk.
 
De revolte van Auguste Bolte
Een prachtvoorbeeld van een Merz-groteske is Auguste Bolte. Schwitters opent dit absurde, hyperkinetische boekje met een inleidende veeg uit de pan voor 'de brave kunstkritiek', die volgens de auteur 'kuis en zedig een schortje heeft voorgebonden'. Waarom dit als inleiding? Schwitters geeft er een draai aan: 'Het komt er allereerst op aan de critici voor zich in te nemen, zodat ze mijn boek waarachtig positief bespreken'. Nou, denk ik dan (met het door de auteur vooronderstelde hoofd van een recensent: 'een klerenhaak, omrand met garneersel'), dat zullen we nog wel eens zien!
 
De verteller introduceert het schrandere meisje Auguste Bolte, dat op een dag 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 mensen op straat eenzelfde richting uit ziet lopen. Er moet iets aan de hand zijn! Mochten er 9 mensen in dezelfde richting lopen, hoeft er niet per se iets aan de hand te zijn. Het getal 10 geeft voor het meisje de doorslag. Aangezien niemand Auguste wil vertellen wat er aan de hand is, besluit ze de groep te volgen. Maar dan gebeurt het: de groep splitst zich op in 2 maal 5 mensen, die beide een andere richting uit gaan. Wat nu? Ze moet snel een keuze maken want ze kan zich niet in 2 splitsen. Of toch?
 
Naast tel- en splitsdwang lijdt Auguste namelijk ook aan rijmdwang, iets waarvan zij zich schielijk bewust wordt. Ze krijgt er zelfs oprispingen van. Hier begint haar revolte, denkt Auguste Bolte ('Je rijmt niet zonder reden een leven lang op revolte'). Onze Auguste bedenkt een tactiek om de aanhoudende splitsing der groepen mensen de baas te kunnen. Ook de verteller hanteert een strategie: de lezer verhinderen om ook maar een moment meegesleept te worden door het verhaal, door hem voortdurend af te leiden met volslagen nonsens.
 
Augustes queeste ontaardt in een groteske getallendans, griezelige rijmelarij en sociale chaos. De grootste flauwekul slaat samen met Auguste op hol en wordt een onbegrijpelijke woordenbrij. Het finale inzicht van het schrandere, splitsende, rijmende meisje is weliswaar ontnuchterend: 'Wie kan hoe dan ook wat dan ook weten. […] De mens moet een keuze maken omdat het niet uitmaakt of en in welke zin hij een keuze maakt.' En de lezer dan? denkt de lezer. Wel, de lezer heeft geen recht, en al helemaal niet het recht om in een kunstwerk ergens achter te komen. Met deze kordate uitleiding stuurt Schwitters ook zijn lezers mooi wandelen.
 
Lichtvoetige wanhoop
Na Auguste Bolte is Bofkont Hans en andere sprookjes van Merz aanvankelijk een verademing: een verzameling van 25 satirische en groteske sprookjes, waarin Schwitters de levensomstandigheden tijdens en net na de Eerste Wereldoorlog bespot en aan de kaak stelt. Bofkont Hans is een arme, ongelukkige arbeider die het, dankzij een konijnenvelletje en zijn gewiekste inborst, tot bankier schopt. Hij verwerft rijkdom, geluk en liefde.
 
Het mag niet verbazen dat ook in Schwitters' sprookjes de personages al snel kletskoek beginnen te verkopen. Ze hollen van hot naar her en logica is hen volkomen vreemd. Wat ze delen, is hun wanhopige zoektocht naar geluk. In 'De varkenshoeder en de vorst der dichters' wordt een eenvoudige varkenshoeder door 'de vorst der dichters' verleid om zijn sereniteit en eenvoud te ruilen voor prinsdom, geluk en een mooi lief vrouwtje. De vorst der dichters plaatst hem BOEM! midden in zijn allerbeste sprookje. Het vrouwtje blijkt echter van bordkarton en het geluk van korte duur. Het ontaardt in gemarchandeer.
 
In 'Hij' groeit een jongen zodanig snel dat de soldaten een manier moeten bedenken om 'Hem' korter te maken. Ze sluiten hem op maar merken dra dat de gevangenis te klein wordt. Dus bouwen ze een nieuwe, grotere gevangenis. Intussen is 'Hij' zo gegroeid dat hij ook daar niet meer in past. Alvorens een nóg grotere gevangenis te maken, moeten ze de buitenmaatse man opmeten en vervolgens vermenigvuldigen met zijn inflatiecijfer. Aan de hand van logaritmetafels wordt vervolgens de grootte van de nieuwe gevangenis bepaald. Het hoeft niet gezegd dat ook deze keer 's mans groei de tijd ruimschoots inhaalt.
 
In 'Gedaanteverwisselingen' maakt de verteller de bedenking dat we veel te weinig stilstaan bij de ingrijpende gevolgen van een gedaanteverwisseling na een toverspreuk. Een eeuwigdurende andere gedaante kan het normale leven in een grote stad danig verstoren. Het is de verdomde plicht van het stadsbestuur en de ordediensten om dergelijke euveldaden drastisch aan te pakken! De verteller loopt net op straat over dit aloude en hedendaagse probleem te prakkiseren, wanneer hij omgetoverd wordt in een olifant. Wat nu?
 
Schwitters' sprookjes zijn variaties op klassieke thema's zoals: drie wensen, gedaanteverwisseling, de fee met het toverstokje. De les die uit de sprookjes naar voren komt, is dat mensen telkens opnieuw het geluk buiten zichzelf neigen te zoeken, terwijl het alleen in henzelf kan liggen. De mens heeft wonderen en idealen nodig, oppert Schwitters, zelfs al spatten ze uiteen. Wie kan nog zeggen wat geluk is in een wereld, geteisterd door oorlog? 'De tijd dat er nog een hemel was, ligt al lang achter ons.'
 
Schwitters meent dat we beter onze heil zoeken in het absurde, het irrationele. In zijn sprookjes en grotesken doet hij dat op een lichtvoetige, bijna terloopse manier, vol animo en overtuiging. Een moraal van het verhaal is er niet – dat is tegen Schwitters principes –  maar een richting wijst hij wel aan. De bedoeling is niet: literatuur. De bedoeling is: Merz!
 
Kurt Schwitters: Auguste Bolte, Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk 2019, 48 p. Vertaling van Auguste Bolte door Jan H. Mysjkin. ISBN 9789078627562

Kurt Schwitters: Bofkont Hans en andere sprookjes van Merz, Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk 2019, 112 p. Vertaling door Jan H. Mysjkin. ISBN 9789078627579 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2019

De grote verkilling

Geert van Istendael

Kamers antikamers

Niña Weijers

Verlaten

Jane Harper

Verwondering

Aharon Appelfeld

Winterlaken

Micha Andriessen

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2019

Adres onbekend

Susin Nielsen

Mag je haaien aaien?

Katrijn De wit, Inge Rylant (ill.), Laura Bergans (design)

Niet te stoppen

Angie Thomas

Ploef

Espen Dekko, Mari Kanstad Johnsen (ill.)

Zo slapen dieren

Jiří Dvořák, Marie Štumpfová (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri