Nederlands proza

BOEKEN NR. 5, MEI 2019

Mariken Heitman : De wateraap

door Edith Cassiers

Zoeken naar woorden om de wankele waarheid te vatten
 
Een boek over leven en hoe dat te leiden begint onvermijdelijk met de dood. Er wordt een vos gevonden, ‘liggend in een krul alsof hij sliep, zomaar een ding geworden’. De reflectie op dat (soms onbegrijpelijk plots) uitdoven wordt in schril contrast geplaatst met genereuze beschrijvingen van een bloeiende en bottende tuin.

De vastberaden vanzelfsprekendheid van dat leven en sterven van de natuur verwondert het hoofdpersonage. Studente Elke worstelt met het determinisme dat haar studiegebied, de biologie, impliceert. Ze kan zich niet vinden in de smalle genderhokjes die sekse lijkt voor te schrijven. Ze voelt zich noch vrouw, noch man, en wordt verpletterd door de verwachtingen en vooroordelen die de blik van de buitenwereld bevat. Haar vertwijfelde ouders stuurden haar na haar middelbare school naar haar oudtante Ko. Zij woont alleen en brengt haar tijd wiedend, zaaiend, harkend, plukkend, oogstend en stekkend in haar moestuin door. Terwijl haar voeten steeds dieper wegzakken in de mulle grond, vindt Elke een zekere aarding tussen die levenslustige planten die zo resoluut transformeren met het wisselen van de seizoenen, en de zwijgzame, starre Ko die mee op dat ritme gedijt. Ze gaat biologie studeren, maar keert iedere zomer terug om tussen de gewassen te vertoeven.
 
Haar persoonlijke zoektocht kristalliseert in het onderwerp dat ze voor haar eindscriptie kiest: de wateraap. Dit fluïde wezen zou - aldus een onbewezen en reeds afgewezen evolutietheorie - de brug vormen tussen de aap en de mens. Elke laat moestuin en tante achter, en trekt naar Wenen om daar de auteur van een van de weinige boeken over de wateraap te ontmoeten en als promotor voor haar scriptie te engageren. In haar onderzoeken naar de ontwikkelingen van de mens lijkt het hoofdpersonage oorzaken alsook bevestiging te zoeken voor het bestaan als ‘tussenwezen’. Een bondgenoot, of verwante ziel, die haar tegelijkertijd een spiegel voorhoudt. Want waarom liet die wateraap de veiligere en voedzamere waters achter zich, en nam dit wezen het risico om zich, onaangepast, zonder perspectieven, op het land te nestelen?  
 
‘Hij verbond het een met het ander terwijl ik in mijzelf juist een gat vermoedde dat ik maar niet gedicht kreeg’.  
 
Het hoofdpersonage onderzoekt en ondervraagt meerdere mogelijkheden. Begon alle ellende aan land? In de anonieme omhelzing van de grootstad vindt Elke de vrijheid om te verkennen. De queeste naar de eventuele oorsprong verwordt tot belofte voor de bestemming.
 
De wateraap is het debuut van Mariken Heitman (1983), die zelf biologie studeerde en nu lesgeeft op een middelbare landbouwschool. Heitman schrijft kabbelend, dan weer koortsachtig, in een ritme waarin korte, gebalde zinnen, en barokke, symbolische beschrijvingen elkaar afwisselen. De toon twijfelt tussen broeierigheid en ingetogenheid. Heitmans zinnen zoeken. De taal wordt afgetast, in een zoektocht naar de juiste termen, naar woorden die de wankele waarheid kunnen vatten, naar metaforen die meer spreken dan het belichte subject. De taal wordt ook binnenstebuiten gekeerd, gereduceerd tot klanken en rijmen: ‘de droesem die restte was de herinnering aan een hunkering’, ‘laffe kwel’, ‘de composthoop capituleerde’, en nog ‘onder mijn mouw smeulde de huid’. Poëtische paragrafen worden afgewisseld met een eerder essayistisch exploreren van wetenschappelijke theorie en filosofie. Haar boek wordt op die manier zelf een performatieve daad, in een gelijkaardige lijn als die ambitieuze nieuwe schrijfvorm die feministen als Peggy Phelan en Della Pollock eind twintigste eeuw ontwikkelden. ‘Performative writing’ of ‘performatief schrijven’ wil evoceren, wil nieuwe, onbereikbare, ontastbare werelden op de bladspiegel (her)creëren, schrijft vanuit een radicale ik-vorm, die steeds aan het worden is.
 
Elke neemt ons mee in haar verinnerlijking, op haar ritmisch mijmerende gedachtestroom. Gevangen in haar lichaam, vinden we een vrijheid in haar hoofd, waarbij verleden en heden, verbeelding en werkelijkheid, door elkaar lopen. In zorgvuldig geconstrueerde bewegingen wordt de tijd gespreid en terug naar binnen geplooid als een accordeon. Het boek kan gezien worden als een eigentijdse versie van de bildungsroman. De Elke(rlijc)-figuur maakt een (redelijk voorspelbare) reis waarbij ze verschillende passanten ontmoet waarvan niet altijd duidelijk is tot welke wereld ze behoren.

Wat dit boek zo boeiend maakt, is hoe teder er over een zulk complex onderwerp als gender wordt geschreven. Hoewel het boek in een tijd van toxisch essentialisme een pertinente problematiek aankaart, vormt het geen agressieve aanklacht. Het is niet dwingend, slechts oprecht vragend en voorzichtig zoekend. Elke observeert en probeert te begrijpen. Het maakt haar vraag niet minder hartverscheurend: kan zij, mag zij zich mens noemen, als ze niet binnen bepaalde vaste categorieën past? ‘Ze keken onbeschaamd naar me, probeerden me met hun blikken te vormen, dachten dat ze me hielpen’. En elders: ‘Ik moest het doen met de kaders die mij toegeworpen werden en ik wilde wel, ik greep mij eraan vast als een drenkeling, maar niets leek te passen.’
 
De wateraap als concept, het gender van Elke: beide pleiten voor een openheid, een welwillendheid in het accepteren van meer mogelijkheden, buiten ons systematisch denken om. ‘Dit wezen werd het woord dat ik nooit had gekend voor het gevoel, voor alles, waar ik vanaf het allereerste begin naar verlangde’. Het boek past in dat opzicht geheel in de Queer-beweging (die ook breed doorwerkt in de literatuur): het celebreren van verschillen, het doorbreken van heteronormatieve structuren, het accepteren van ‘anders’ zijn. Variaties, mutaties en tussenvormen die paradoxen verzoenen en binaire tweedelingen opbreken: man en vrouw, hard en zacht, verleden en toekomst, lichaam en geest, leven en dood, water en land. Ogenschijnlijke tegenstellingen die steeds in beweging zijn, die samen dansen, over en door elkaar lopen, als eb en vloed.
 
Dit boek prikkelt en verstilt tegelijkertijd. Wij voelen als lezers het krioelen van de planten. In een broze sensualiteit worden al onze zinnen aangesproken en aangewakkerd: geluiden, geuren, beelden en smaken waaien ons als een zomerbries tegemoet. Een dergelijk zintuiglijk schrijven vraagt om concentratie en tijd – de ruimte om elk blaadje, elk haartje, elk adertje dat bonst onder de huid te beschrijven en doorvoelen.
 
In haar helder bevragen van gender als sociaal-cultureel construct, trekt de auteur identiteit terug tot het lichaam. Met eenzelfde verrassende vanzelfsprekendheid eigen aan de natuur, leiden zintuigen de weg. Het is als die ervaring gekaderd moet worden dat het sap stolt en de vloeibaarheid verstijft. Leven wordt gelijkgesteld aan verlangen, stilstand betekent de dood. De onhoudbare natuur breekt onverbiddelijk door het jonge meisjesvel (‘uitstulpingen, groeistuipen, huilbuien en donker, vijandig haar dat als insectenpootjes uit mijn witte kinderonderbroek wilde kruipen’). De wetten van de moestuin dienen als richtlijn. Alles wordt vergeleken, verklaard, verwerkt, verantwoord met behulp van de botanica.
 
Daarmee schaart Heitman zich achter die andere grote queer auteur: Maggie Nelson, die in het geniale De argonauten (Atlas/Contact 2016) schrijft over hoe ‘realness’ (naar een term van Donald Winnicott) altijd samengaat met een gronden in het lichaam, hoe elke ervaring een fysieke basis heeft, hoe filosofie, theorie en analyse steeds zintuiglijk verankerd zijn – en hoe het doorbreken van genderstereotiep denken die ervaringswereld eindeloos kan vergroten.
 
De wateraap mondt uit in een intense (omgekeerde) apotheose, een werveling onder water. De laatste actie van de auteur gaat voorbij de zachtheid, zet stilte om in (nieuwe) woorden. Als een wortel die ondergronds gestaag groeit, zich vertakt en vasthecht, om vervolgens door de aarde te breken, eigenzinnig, uniek en onstuitbaar - in alle kracht, in alle kwetsbaarheid. Lezen en leven: beide een oefening in overgave.
 
Mariken Heitman: De wateraap. Atlas/Contact, Amsterdam, 2019. 172 p. ISBN 9789025453107. Distributie VBK België

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2019

De grote verkilling

Geert van Istendael

Kamers antikamers

Niña Weijers

Verlaten

Jane Harper

Verwondering

Aharon Appelfeld

Winterlaken

Micha Andriessen

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2019

Adres onbekend

Susin Nielsen

Mag je haaien aaien?

Katrijn De wit, Inge Rylant (ill.), Laura Bergans (design)

Niet te stoppen

Angie Thomas

Ploef

Espen Dekko, Mari Kanstad Johnsen (ill.)

Zo slapen dieren

Jiří Dvořák, Marie Štumpfová (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri