Vertaald proza

BOEKEN NR. 5, MEI 2019

Albert Cossery: Grote dieven kleine dieven

door Laurent De Maertelaer

De schakeringen van het schandelijke

Les couleurs de l’infamie (1999) is het literaire testament van de Egyptische schrijver Albert Cossery (1913-2008), de kortste roman uit zijn in omvang bescheiden, maar naar intrinsieke waarde groots en onnavolgbaar oeuvre. Al in het midden van de jaren 1980 kondigde Cossery deze roman voor het eerst aan als Petits voleurs et grands voleurs: uiteindelijk moesten de Cossery-adepten bijna vijftien jaar geduld uitoefenen alvorens het boek daadwerkelijk werd gepubliceerd. En dan nog onder een andere titel. De eerste Nederlandse vertaling bewaart, als mooi eerbetoon, de oorspronkelijke werktitel: Grote dieven kleine dieven.  
 
In een uiterst elegant, puur en verfijnd proza hangt Cossery een ontluisterend beeld op van de grootstad Caïro, waar corruptie en misdaad de dienst uitmaken en de kleine luizen (‘sinds lang in overlevingsstrategieën bedreven gepeupel’) in de stinkende pels van de metropool het hoofd boven water proberen te houden. Met bijtende spot klaagt Cossery de machthebbers en opportunisten aan, terwijl hij zijn centrale personages — bedelaars, gauwdieven en verloederde filosofen — met een mild existentialisme benadert. Hoewel de stumpers en sukkelaars teren op het corrupte systeem om te overleven, vinden ze tegelijkertijd een bijna cynische vreugde in de absurde onomkeerbaarheid van hun ‘rampzalig stedelijk nomadenbestaan’. De ‘Voltaire van de Nijl’ levert met Grote dieven kleine dieven een weerzinwekkend slotdeel af van de ‘lange geschiedenis van de menselijke verwerpelijkheid’.
 
Monsieur Albert
Cossery werd geboren op 3 november 1913 in Caïro, als nakomertje in het gezin Kusairi, later verfranst tot Cossery. Hij ging er prat op dat hij — behalve tijdens zijn schooljaren — nooit zijn bed uitkwam voor het middaguur én in zijn leven nooit heeft gewerkt om de kost te verdienen. Nietsdoen was zijn religie. Toen iemand hem vroeg waarom hij boeken schreef, antwoordde hij dat hij hoopte dat zijn lezers de volgende dag niet meer zouden willen gaan werken. Zijn vader en grootvader hielden er hetzelfde principe op na. Ze waren afkomstig uit het Syrische Al-Qusayr, bij Homs, en konden als eenvoudige grondbezitters hun gezinnen onderhouden. Ze rentenierden op de lange termijn, als het ware, en als de nood hoog was, verkochten ze mondjesmaat lappen land. Cossery’s moeder kon lezen noch schrijven, maar had een bescheiden vermogen in juwelen. Ook die werden soms verpand, zolang de familie zich maar niet moest verlagen tot arbeid.  
 
Albert had twee veel oudere broers en een zus: alle kinderen hadden Franse voornamen. Zijn broers schreven gedichten en brachten hem in contact met de wereldliteratuur en de grootheden van de Franse letteren. Thuis werd Arabisch gesproken, maar Cossery liep school in het Frans, bij de broeders van het lyceum. Als tienjarige wist hij al dat hij schrijver wilde worden, gebruikmakend van de Franse taal, natuurlijk, de taal van de bellettrie. Op zijn achttiende publiceert hij een eerste (en laatste) dichtbundel, Les morsures, naar eigen zeggen vooral om indruk te maken bij de meisjes. De bundel verzen in de trant van Baudelaire is vandaag zo goed als onvindbaar.
 
In de jaren 1930 verbleef Cossery een tijd in Parijs om rechten te studeren. Van zijn studie kwam echter niet veel in huis, van de bloemetjes buiten zetten des te meer: ‘Om schrijver te worden, hoef je niet te studeren.’ Vader Cossery weigerde verdere steun en Albert keerde terug naar Caïro, waar hij stilaan naam maakte als begenadigd auteur van korte verhalen. Een eerste bundeling, Les hommes oubliés de Dieu, verscheen in 1941, gelijktijdig in het Frans, het Arabisch en het Engels. Later zou Henry Miller, Cossery-fan van het eerste uur, er voor zorgen dat de bundel uitkwam in de Verenigde Staten: Lawrence Durrell, die tijdens de oorlog werkte als diplomaat in Caïro, had Miller gewezen op een bijzonder, lokaal talent. De bekrompenheid van de Egyptische literaire kringen deed Cossery al gauw naar lucht happen: hij monsterde aan als steward op een pakketboot richting New York. Daar werd hij als ‘verdachte vreemdeling’ terug op de boot gezet richting Egypte. In 1944 publiceerde Cossery zijn eerste roman La maison de la mort certaine bij uitgeverij Masses in Caïro. Dankzij bemiddeling van Albert Camus — Cossery’s levenslange copain de drague — verschenen zijn eerste twee boeken in Frankrijk. In 1945 zag Cossery zijn grote kans en vestigde zich definitief in Parijs: eerst in Montmartre, nadien in Saint-Germain-des-Près. In deze laatste vrijgevochten en artistieke wijk voelde Cossery zich meteen thuis. Hij nam er een kamer in het bescheiden hotel La Louisiane in de rue de Seine. Hij zou er blijven tot aan zijn dood in 2008. Hotelmens Joseph Roth kan er een puntje aan zuigen.  
 
In het bruisende nachtleven van Parijs maakt Cossery kennis met onder vele anderen Boris Vian, Jean Genet, Louis Guilloux, Michel Leiris, Pablo Picasso, Juliette Gréco, Marcel Mouloudji en Alberto Giacometti. Stuk voor stuk werden het vrienden, die hem hielpen te overleven wanneer de royalties van zijn boeken niet toereikend waren. Cossery walgde van de gevestigde orde, de machthebbers en de autoriteiten. Hij haatte de rijken, de machthebbers, omdat via hen de corruptie en het kwade de samenleving binnendringt. Hij benadrukte geregeld dat hij vrij was omdat hij niets bezat. Desondanks was hij altijd piekfijn uitgedost, als een onvervalste dandy, strak in het pak, de ultieme flaneur, toujours la classe. Cossery ligt begraven op het kerkhof in Montparnasse, niet ver van Baudelaire en Cioran. De Belgische fotografe Sophie Leys maakte een mooi en ontwapenend filmportret van Cossery: het toont hem, op het einde van zijn leven, stemloos door keelkanker, communicerend via papiertjes, in al zijn ongrijpbaarheid en kwestbaarheid.  
 
Cossery was het tegendeel van een veelschrijver. Niet uit luiheid, want schrijven was zijn hele leven: ‘La seule chose que je prenne au sérieux, c’est l’écriture.’ Met een nagelaten oeuvre van zeven romans en een verhalenbundel op een schrijverscarrière van bijna zestig jaar is dat grofweg een boek per klein decennium. Iemand rekende uit dat zijn literair debiet neerkomt op een zin per dag. Cossery lag er niet wakker van: ‘Je peux passer six mois sans rien écrire, à penser à une phrase; appelez ça de la paresse, si vous voulez. Pour moi, c'est de la réflexion.’  
 
Grote dieven kleine dieven is het vijfde boek van Cossery dat in Nederlandse vertaling verschijnt, waarvan vier het werk zijn vertaalster Mirjam de Veth. In haar aanstekelijk nawoord bij de voorliggende editie benadrukt ze dat Cossery zichzelf altijd als een uitgesproken Egyptische schrijver heeft gezien. Hij heeft nooit de Franse nationaliteit aangenomen, hoewel hij er twee derden van zijn leven woonde. De setting van zijn romans is bijna altijd Caïro of een stad in een niet nader bepaald Midden-Oosters land. Zijn personages drinken geen wijn, maar roken hasjiesj bij de vleet (zie ook de schitterende Caïro-trilogie van Cossery’s landgenoot en Nobelprijswinnaar Nagieb Mahfoez). Zoals De Veth signaleert vertaalt die Egyptische identiteit zich ook in Cossery’s Frans. Zo gebruikt hij letterlijke vertalingen van Arabische begroetingen en verwensingen, verfranst hij op straat opgevangen anekdotes, spreekt van ‘al-Kahira’ in plaats van ‘Caïro’ en tutoyeert beduidend meer dan een Fransman, zoals Egyptenaren die Frans spreken nu eenmaal doen. Cossery’s taal is compact en precies, concludeert De Veth, maar al zijn zinnen zijn gedrenkt in ironie.
 
De schakeringen van het schandelijke
Grote dieven kleine dieven opent met een meesterlijke scène: Oessama, het 23-jarige hoofdpersonage, kijkt vanop een voetgangersbrug vol fascinatie naar de onontwarbare drukte op het immense Tahrirplein:
 
‘Wat Oessama het liefst deed was kijken naar de chaos. Hangend over de leuning van de bovengrondse voetgangersbrug die met zijn metalen pijlers het Tahrirplein omsloot, overpeinsde hij ideeën die faliekant in tegenspraak waren met de theorieën van gezaghebbende denkers, die verzekerden dat het voortbestaan van een land staat of valt met orde. Het schouwspel dat zich voor zijn ogen ontrolde logenstrafte deze stompzinnige bewering onontkoombaar.’
 
Het schouwspel vanaf deze panoramische uitkijkpost sterkt hem in zijn overtuiging dat de wereld tot in het oneindige kan blijven voortbestaan in chaos en anarchie. Oessama is geen ‘fatale schoonheid’, maar heeft een innemend gezicht ‘met zwarte ogen waarin eeuwige pretlichtjes’ glimmen. Ondanks de hitte loopt hij gekleed in een linnen pak, een ecru zijden hemd, ‘opgeluisterd met een felrode das’ en bruine suède schoenen. Zijn onaangepaste kledingstijl heeft een reden: de risico’s van zijn vak tot een minimum reduceren. Oessama is namelijk een dief, ‘geen legale dief zoals een minister, bankier, zakenman, speculant of projectontwikkelaar’, neen, ‘hij was een bescheiden dief met wisselende inkomsten wiens activiteiten […] in alle tijden en overal ter wereld beschouwd werden als een aanslag op de morele wet van de rijken.’ Begiftigd met een praktische intelligentie heeft Oessama al snel door dat wanneer hij zich kleedt ‘in de stijl van de gepatenteerde oplichters van het volk’ hij minder in het oog zal springen bij de politie en zich onopvallend zal kunnen bewegen in welvarende middens.
 
Arme mensen zijn volgens Oessama niet tot alles in staat, zoals hij weleens heeft horen beweren. Niet alleen arme mensen zijn dieven. Anders zouden ze rijk zijn, zo redeneert hij. Kijkend naar de krioelende massa raakt hij ontroerd door ‘de denkbeeldige adel’ waar armoezaaiers aanspraak op maken: ‘ostentatief berooid zijn’ is voor hem ‘een onomstotelijk teken van ware grootheid’. Oessama groeide op in grote armoede, maar was — helaas voor hem — niet lichamelijk misvormd, waardoor hij niet kon concurreren met andere bedelaars. Toen hij nog een eerlijke burger was, beschouwde hij armoede als iets noodlottigs. Maar nu is hij een kruimeldief die meer geniet van de avontuurlijke opwinding die bij zijn métier hoort dan van de financiële opbrengst. Wanneer Oessama zich op een dag installeert op het geïmproviseerde terras van Café Cosmopolite verandert zijn leven. Hij beraamt een slag op de ‘Notabelenclub’ aan de overkant van de straat, een ‘hol van de handelsaristocratie’ die voor de jongeman al meerdere keren een bron van ‘lucratieve individuele terugvorderingen’ is geweest. Zijn plannen vallen echter in duigen op het moment dat Safiera opduikt, een jonge prostituee die verliefd is op Oessama en een romantische kijk heeft op zijn beroep. Eigenlijk wil ze ook dievegge worden, in eerste instantie om op gelijke voet te staan met de man van haar dromen.
 
Oessama wimpelt haar voor de zoveelste keer af en ziet dan plots zijn kans wanneer een corpulente man — met ‘een fysiek voorkomen dat zo afstotelijk was dat zelfs een ritsige geit ervan zou walgen’ — de club verlaat. Met ‘de vingervlugheid van een goochelaar’ slaagt hij erin de man te ontdoen van zijn krokodillenleren portefeuille, met daarin een enveloppe. De brief in de bewuste omslag is geadresseerd aan een steenrijke projectontwikkelaar die verantwoordelijk wordt gehouden voor de dood van een vijfigtal bewoners van een pand met sociale huurwoningen dat door zijn bedrijf was gebouwd en kort na de inauguratie was ingestort. De briefschrijver, de broer van de minister van Openbare Werken, distantieert zich uitdrukkelijk van de projectontwikkelaar. Oessama beseft meteen dat hij een bom in handen heeft, maar weet niet goed wat te doen. Hij zoekt zijn vader op — die eveneens in een bouwvallig ‘huis van de wisse dood’ woont en niet op de hoogte is van de misdadige praktijken van zijn zoon — maar die kan hem niet verder helpen. Terwijl Oessama erover denkt met de brief naar de pers te stappen, ‘ter lering en vermaak van alle volkeren die minder op de hoogte waren van de misdadigheid van hun leiders’, ziet hij op een terras zijn vroegere leermeester in het vak, Nimr, zitten. Nimr vindt Oessama ‘een jonge pauw die pronkt met zijn veren’ omdat hij zijn armoedige achtergrond verloochent. Hij walgt van Oessama’s ‘mooie pakken’-tactiek:
 
‘Er is niets immoreler dan te stelen zonder risico’s. Juist het risico onderscheidt ons van bankiers en hun trawanten die wettelijke diefstal bedrijven onder de bescherming van de regering. Ik heb je mijn kunst niet bijgebracht om je een filmster-dief te laten worden wiens grootste zorg is bij zijn publiek niet in de smaak te vallen.’
 
Profeet van de spot
Oessama leerde Nimr kennen op een duister moment in zijn jonge leven. Hij stopte met school toen hij kon lezen en schrijven en begon te bedelen, zoals vermeld ‘een weinig lucratief bedrijf’ aangezien hij een ongeschonden en gezond lichaam had. Net wanneer hij een zelfmoordpoging overweegt door zich voor een bus of vrachtwagen te gooien, krijgt hij van Nimr een royale aalmoes van twintig piaster. Meesterdief Nimr neemt Oessama aan als zijn leerling. Voor Nimr zijn dieven de meest vrije wezens die je maar kan bedenken, behept bovendien met een ‘revolutionair bewustzijn’. Diefstal is voor hem de ‘rechtvaardige terugvordering van het wisselgeld door de armen in een wereld waar grote dieven aan de top van de maatschappelijke ladder ongestraft hun zakken vullen.’ Oessama vraagt advies over de brief. Eerst raadt Nimr aan die te verbranden, maar verandert al snel van gedacht en stelt Oessama voor om samen naar Karamalla te gaan, ‘de uitzonderlijkste man’ die hij kent. Nimr leerde Karamalla — ‘een schrijver en journalist van naam’ en ‘profeet van de spot’ — kennen in de gevangenis. In zijn geschriften probeert Karamalla door middel van spot alle vormen van macht en de groteske figuren die de macht uitoefenen, te bestrijden. Een van de pijlers van zijn filosofie is dat problemen zich altijd vanzelf oplossen als je er geen aandacht aan besteedt.
 
Karamalla heeft net als duizenden andere daklozen zijn domicilie in de Dodenstad, de stadsbegraafplaats, meer bepaald in het mausoleum van zijn familie, een krakkemikkig grafmonument ‘ontworpen met de benepen fantasie van een politieambtenaar’. Volgens hem verlangt het merendeel van de mensen naar slavernij, oplichting en onderdrukking. Als ‘profeet van de spot’ streeft hij een andere, geestelijke aristocratie na:
 
‘Er moet gezegd worden dat Karamalla behoorde tot de categorie van echte aristocraten die als vuile kleren alle waarden en normen hadden afgeworpen die door die schandelijke figuren al eeuwenlang vastgesteld waren om hun heerschappij te bestendigen. Zo deed het voortbestaan van de macht van die stinkende honden op de planeet geen afbreuk aan zijn levensvreugde. Integendeel, hun stompzinnige en criminele daden waren voor hem een onuitputtelijke bron van vermaak. Zozeer dat hij zichzelf soms moest bekennen dat hij het zou betreuren dat dit geboefte zou verdwijnen, uit angst voor de saaiheid van een mensheid ontdaan van haar gespuis.’
 
Hij veracht de lof van een maatschappij die alleen respect heeft voor schoften. Niets of niemand verdient daarom de minste eerbied. Wanneer Oessama Karamalla ontmoet, erkent hij onmiddellijk de grootsheid van de filosoof-bedelaar, die ‘leefde in een wonderlijk op hem toegesneden werkelijkheid’. Karamalla vindt Oessama’s brief een ‘meesterwerk van zwarte humor’, dat volgens hem echter geen enkel schandaal zal veroorzaken omdat dergelijke criminaliteit een toegestaan verschijnsel is in de hoogste maatschappelijke kringen. Speciaal voor deze groteske zaak bedenkt Karamalla ‘een grandioze oplossing’. Hij wil de bestolen man een lesje leren.
 
Net als in Cossery’s andere romans krijgen Caïro en zijn bewoners een prominente rol in Grote dieven kleine dieven. Corrupte machthebbers, bedelaars-filosofen, gentleman-dieven, nobele luiaards, hoertjes, straatslijpers en andere aristocraten van de geest bevolken een chaotische en allesverslindende metropool. Striptekenaar Golo maakte overigens een niet onaardige adaptatie met nog meer aandacht voor de Egyptische hoofdstad dan in het origineel. Cossery’s inspiratiebron is het Egypte van zijn jeugd, zijn familie en vrienden. In een interview stelde hij ooit niets te verzinnen. Verzinnen is voor romanciers, niet voor écrivains. Een verhaaltje bedenken en opschrijven, dat kan iedereen. Oessama is duidelijk geïnspireerd op Cossery zelf, maar ook Karamalla heeft evidente trekken van ‘de Voltaire van de Nijl’. Bij de eerste gaat het vooral over een uiterlijke gelijkenis, bij de tweede eerder over een filosofische eensgezindheid. Autobiografische elementen zijn schering en inslag bij Cossery. De über-Oblomovs in zijn meesterwerk De luiaards in de vruchtbare vallei (1948) zijn bijvoorbeeld gebaseerd op enkele familieleden, die weigerden te werken en luiheid verhieven tot een cultus. In zijn eerste roman, Het huis van de wisse dood (1944), klaagt hij de schandelijke woonomstandigheden in Caïro aan, net zoals in de passage met Oessama’s vader in Grote dieven kleine dieven, zijn laatste roman.
 
Na de publicatie van Grote dieven kleine dieven in 1999 kondigde Cossery aan dat hij niet meer zou publiceren, onder meer omwille van gezondheidsperikelen. Hij was toen al immers een dik eind in de tachtig en zijn voorlaatste roman, Une ambition dans le désert (1984), was al vijftien jaar eerder gepubliceerd. Sommigen beweren dat Grote dieven kleine dieven het werk is van een auteur die al ver over zijn hoogtepunt heen was. Het is met iets meer dan honderd pagina’s immers zijn kortste roman en het einde van het verhaal komt vrij abrupt. Je zou er een soort van gemakzucht of haastwerk in kunnen zien. Maar laat u niets wijsmaken: de apotheose in het Spiegelcafé — waarin Oessama, Nimr en Karamalla de confrontatie aangaan met de corrupte projectontwikkelaar — is een staaltje van Cossery’s uitzonderlijke talent voor dialoog en humor van de allersubtielste soort. De laatste twintig bladzijden zijn eerder een hoogtepunt en zeker niet de snelle, ondoordachte afhandeling van een flinterdunne plot.
 
De ironie en de onthechting waarmee Cossery door het leven ging, is overdrachtelijk en prominent aanwezig in het geheel van zijn literaire productie. Sterker nog, in zijn bijtende humor zit net de crux. Hij liet ooit optekenen dat voor hem iedere zin, hoe kort ook, moet zijn als ‘een druppel ammoniak die de mensen uit hun lethargie schudt’. Met een taal vol weerhaken en scherpe kantjes wil hij de valse mechanismen van de maatschappij doorprikken en ontmaskeren. Nimr wordt bijvoorbeeld voorgesteld als een weinig fanatiek krantenlezer ‘wegens analfabetisme’, en de ‘snode puinmagnaat’ Soelaiman als ‘de ontwikkelaar van onbeduidende stedelijke genocides’. Het is niet alleen een manier om de dingen gezegd te krijgen, maar ook een veelzeggende methode om meer te zeggen dan er staat. Cossery’s roman is doordrongen van een oprechte liefde voor zijn kleurrijke en inventieve personages. Hun geestelijke vader neemt het onverschrokken voor hen op. Maar de ‘Sfinx van het Café de Flore’ wil niet beleren of met de vinger wijzen. Hij wil aanklagen. Cossery is een grootmeester in het balanceren op het scherpst van de ironie en de farce, zonder ooit te vervallen tot een slap cynisme of de vuige pet van de moraalridder op te zetten. Humor als vorm van wijsheid, met de grandeur van een diep inzicht in het menselijke tekort.
 
Albert Cossery: Grote dieven kleine dieven, Jurgen Maas, Amsterdam 2019, 132 p. ISBN 9789491921650. Vertaling van Les couleurs de l’infamie door Mirjam de Veth. Distributie: EPO 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2019

Brutopia. De dromen van Brussel

Pascal Verbeken

De literatuur draait door

Sander Bax

De patiënten van dokter García

Almudena Grandes

Meneer Janeu

Georges Bernanos

Otmars Zonen

Peter Buwalda

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2019

De dader

Antonia Michaelis

De geschiedenis van Jane Doe

Michael Belanger

Farwest

Peter Elliott, Kitty Crowther (ill.)

Konijn & Egel. Er komt geen einde aan het einde

Paul Verrept, Nils Pieters (ill.)

Mevrouw Wervelwind

Rindert Kromhout, Jan Jutte

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri