Vertaald proza

BOEKEN NR. 6, JUNI 2019

Eduardo Halfon: De Poolse bokser

door An Van Hecke

Wie tot nu toe nog nooit iets gelezen heeft van de Guatemalteekse schrijver Eduardo Halfon, zal ongetwijfeld verrast worden door dit boek. Op de achterflap trok deze quote van een recensent van de Daily Telegraph onze aandacht: ‘De Poolse bokser staat ergens tussen Roberto Bolaño en W.G. Sebald. Het is raadselachtig, ongewoon en inspirerend.’ Onze nieuwsgierigheid was meteen geprikkeld en, inderdaad, al vanaf de eerste zinnen neemt Halfon je mee in zijn merkwaardige wereld.  
 
De Nederlandse vertaling die als titel De Poolse bokser kreeg, is in feite een compilatie van drie verschillende bronteksten: El boxeador polaco (2008), La pirueta (2010) en Monasterio (2014). Dat is een verantwoorde keuze, want de drie Spaanstalige boeken bestaan uit kortverhalen die op elkaar verder bouwen. In de twaalf verhalen van De Poolse bokser zitten verschillende verhaallijnen die de teksten met elkaar verbinden. Op die manier wordt dit boek een mooie verhalenbundel die we evengoed kunnen definiëren als een gefragmenteerde roman.  
 
De ik-verteller – die in het eerste verhaal de naam Eduardo Halfon krijgt – lijkt in alle verhalen dezelfde persoon, zelfs als zijn naam daarna niet meer wordt herhaald. Een van de verhaallijnen is die van de grootvader die Auschwitz heeft overleefd. Een andere verhaallijn is opgebouwd rond Milan Rakić, een Servische klassieke pianist van zigeunerafkomst. De verteller is gefascineerd door deze muzikant die hij voor het eerst in Antigua Guatemala hoort spelen. Als op een bepaald ogenblik de verteller geen ansichtkaarten meer ontvangt van de muzikant, gaat hij hopeloos naar hem op zoek. Die zoektocht brengt Eduardo tot bij de zigeunergemeenschappen in de verste hoeken van Belgrado.
 
De titel De Poolse bokser kan op het eerste gezicht wat vreemd overkomen en is ook misleidend. Het boek gaat helemaal niet over boksen. De bokser was een man die het leven van de grootvader in het concentratiekamp heeft gered door hem precies in te fluisteren wat hij wel en niet mocht zeggen tijdens het verhoor. Fictie en realiteit zijn daarin moeilijk te onderscheiden. Als je door interviews en artikelen wat op de hoogte bent van Halfons biografie, dan vallen er duidelijk autobiografische elementen te herkennen. De grootvader vertelde aan de kleine Eduardo dat de vijf groene cijfers onderaan zijn linkerarm de nummers van zijn telefoon waren zodat hij die niet zou vergeten. Aangezien in Guatemala in die tijd de telefoonnummers uit vijf cijfers bestonden, geloofde de kleine jongen het verhaal, maar algauw had hij de kleine leugen door. Sinds de grootvader in 1945 in Guatemala aankwam, had hij nooit aan iemand verteld over zijn ervaringen in Auschwitz.
 
Als kind opgroeien in een joodse familie in Guatemala is allesbehalve vanzelfsprekend. Het gaat om een zeer kleine minderheid in vergelijking met de grotere joodse gemeenschappen in bijvoorbeeld Mexico of Argentinië. Guatemala is een overwegend katholiek land waar bovendien de indiaanse bevolking sterk vertegenwoordigd is. Voor de ik-verteller is die joodse identiteit problematisch. Enerzijds wil hij er zich van afzetten omdat hij zich niet kan herkennen in sommige tradities, en dan vooral niet die van de orthodoxe joden. Anderzijds is het een identiteit die hij met zich meedraagt, wat vooral blijkt uit het respect en de bewondering voor de grootvader. Die twijfel en onzekerheid in de verteller komt heel sterk tot uiting als hij in Tel Aviv een taxi neemt. De taxichauffeur vraagt hem op een wat agressieve toon: 

‘Joods?’ ‘Ik glimlachte en zei: Soms. Hoe bedoelt u, soms? [...] Ik vond het te veel moeite hem die slechte grap uit te leggen. [...] Arabisch, vroeg hij en ik zei nee. Arabieren zijn slecht, zei hij in zijn povere Engels. [...] Ik wilde tegen hem zeggen dat mijn grootvader een joodse Arabier uit Beiroet was, en mijn grootmoeder een joods-Arabische vrouw uit Alexandrië, en mijn andere grootmoeder een joods-Arabische vrouw uit Aleppo, dus dat ik ook een beetje Arabisch was – eigenlijk driekwart Arabisch, één kwart Pools – maar ik staarde alleen naar zijn nek.’  
 
Die aarzeling bij de vraag naar de joodse identiteit zien we ook bij andere schrijvers. Zo begint de Mexicaanse schrijfster Margo Glantz haar autobiografie, Las genealogías: ‘Parezco judía y no lo parezco y por eso escribo –estas– mis genealogías’ (‘Ik lijk joodse en ik lijk het niet en daarom schrijf ik deze, mijn familiegeschiedenis’, mijn vertaling). Het lijkt wel een constante om die complexe identiteit te begrijpen en op zoek te gaan naar de eigen roots. Maar in een interview met Luis Figueroa in 2009 verzekert Halfon dat alles wat hij schrijft geen autobiografie is. Het zijn geen memoires, maar fictie. Hij wou niet de zoveelste schrijver zijn over een overlever uit de Holocaust, over het zoveelste kleinkind. Tot hij de manier ontdekte om dat in verhalen om te zetten en er een universeel karakter aan te geven.
 
Die magie van het verhaal vinden we al meteen terug in de eerste tekst met de titel ‘Ver weg’, over de ervaring van de ik-verteller die aan de universiteit literatuur doceert. Het verhaal is zeer herkenbaar voor leerkrachten literatuur, maar tegelijk is het heel verrassend. Halfon heeft zo zijn eigen kijk op de klas, is scherpzinnig en kritisch, maar ook zeer begripvol naar de jonge studenten, en zelfs grappig. Het verhaal krijgt een bijzondere wending en lijkt zelfs een beetje op een detectiveroman als de ik-verteller op zoek gaat naar een beloftevolle student van indiaanse afkomst, die al een tijdje niet meer naar de les komt. Als hij uiteindelijk in een afgelegen indianendorp de jongen terugvindt, blijkt die thuisgebleven te zijn om op het land te werken na het overlijden van zijn vader. Een confronterende passage, want daarmee geeft het verhaal ook een scherp actueel beeld van de sociale verschillen die tot op vandaag in Guatemala bestaan.  
 
Halfons stijl is pakkend en ontwapenend. Hij weet de lezer op onverwachte momenten te raken met diepgaande overpeinzingen en prachtige beelden. Dit is een boek dat je niet meer loslaat.
 
Eduardo Halfon: De Poolse bokser, Wereldbibliotheek, Amsterdam 2019, 253 p. ISBN 978902842727723. Vertaling van El boxeador polaco / La pirueta / Monasterio door Lisa Thunnissen Distributie Elkedag Boeken

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 6, JUNI 2019

Ik zal de wereld nooit meer zien. Aantekeningen uit de gevangenis

Ahmet Altan

Kamer in Oostende

Koen Peeters

Lief slecht ding

Frank Keizer

Onrustige dagen

F.B. Hotz, Thomas Heerma Van Voss (sam.)

SS Proleterka

Fleur Jaeggy

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2019

* De eerste avonturen van de Rode Ridder, 1959-1961

Een ridder voor alle seizoenen

De boom met het oor

Annet Schaap, Philip Hopman

Mijn mama

Annemarie van Haeringen

Poëzie hardop

Hans Hagen, Monique Hagen, Maartje Kuiper (ill.)

Twee maal op reis door het brein.

Verdwalen in Breinstein of inzicht in het hoofd

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri