Nederlands proza

BOEKEN NR. 6, JUNI 2019

Koen Peeters: Kamer in Oostende

door Jooris van Hulle

‘Alles moet zijn getal hebben’: het is zowat de lijfspreuk van Koen Broucke, historicus, schilder en pianist. Hoe begaan hij is met getallen, blijkt onder meer uit het feit dat hij, waar ook maar en in welke omstandigheden ook een naam valt uit het verleden, direct en zonder aarzelen geboorte- en overlijdensdatum weet te citeren. Of dit nu al of niet overeenstemt met de werkelijkheid, doet er hier niet toe. Het is hoogstwaarschijnlijk de romancier in Koen Peeters die hem deze getallendrang toeschrijft.  
 
In het gezelschap van Broucke bezocht Peeters de voorbije drie jaar tweeëndertig keer Oostende. Dat Peeters’ vrouw afkomstig is uit Oostende, verklaart al tot op zekere hoogte de fascinatie van de schrijver voor de stad-aan-zee. Anderzijds – en dit blijkt gaandeweg de roman – is Oostende een toevluchtsoord geworden voor hem, wanneer hij voor even de druk van zijn job in Brussel wil ontvluchten. En dan komt de schrijver-verzamelaar in de romancier tot leven: hij raakt in de ban van afbraakwerken (‘dit is het ritueel waarvoor Oostende zich nooit heeft geschaamd’), wordt door toevallige en minder toevallige gebeurtenissen meegezogen in de geschiedenis van de stad. Met een allusie op het bloemenuurwerk bij het Leopoldpark – de toeristische trekpleister uiteraard met het erbij horende beeld ‘Dikke Matille’ van Georges Grard – luidt het naar het slot van de roman toe: ‘Het grote uurwerk van de tijd bedienen.’  
 
Op zijn wandeltochten door de stad blijft Koen Peeters, trouw aan zijn obsessie voor het verzamelen (lees zijn eerder verschenen romans, waarin dit gegeven als motief wordt uitgewerkt), alles noteren in zijn schriftjes. Hier in de roman Kamer in Oostende heeft hij het steevast over ‘de protocollen’, vluchtig genoteerde bedenkingen en uitspraken die dan vorm moeten krijgen. Op dit niveau van de roman poneert Koen Peeters een aantal boeiende ideeën over de manier waarop de romancier ingrijpt in en omgaat met zijn verhaalstof. Het is voor hem zoeken, soms ook twijfelen over wat hij nu precies aan moet met al die notities:
 
‘Er is een juiste, kunstige nevenschikking mogelijk van de feiten, de ontmoetingen en dingen die ik zie gebeuren in Oostende. Dit zijn toch geen alledaagse geschiedenissen? Ik moet het alleen maar in de juiste volgorde zetten.’  
 
Hoe die volgorde en schikking er finaal gaat uitzien, wordt hem aangereikt bij een bezoek aan het Hôtel du Parc, ooit eigendom van en beheerd door de nu grotendeels vergeten schrijver Gaston Duribreux. In zijn archief, hem ter beschikking gesteld door de zonen Duribreux, vindt Peeters een door de vader gemaakte plattegrondschets van het hotel met zijn 34 kamers terug.  
 
Voor Koen Peeters ‘is deze schets betekenisvoller dan de hotelier zelf ooit kan bedoeld hebben. Elke logeerkamer is een hoofdstuk in een boek, vierendertig in totaal. Alsof de schrijver daarmee voor mij een masterplan heeft getekend.’ En er is meer… De 34 heeft ook te maken met het vertrekpunt van Peeters’ zoektocht (zelf heeft hij het samen met Broucke altijd over ‘ons onderzoek’): het verblijf in Oostende van Stefan Zweig en Joseph Roth, ‘We zijn tweeëndertig keer in Oostende geweest, telkens twee of drie dagen. Ik heb het gecontroleerd in mijn protocollen. In totaal waren het evenveel dagen als Stefan Zweig met Joseph Roth optrok in Oostende, want die waren drie maanden samen.’ De tweeëndertig bezoeken aan de stad, aangevuld met de hoofdstukken waarin de zee zelf aan het woord komt: het ‘masterplan’ van de 34 kamers van het Park Hotel klopt inderdaad.
 
Kamer in Oostende neemt de lezer mee doorheen de (kunst-)geschiedenis van Oostende. Telkens weer voert Peeters die personen ten tonele die hem en zijn mede-zoeker Broucke die dingen laten zien of die verhalen vertellen die Oostende letterlijk en figuurlijk kleur hebben gegeven en nog steeds kleuren. Over Zweig en Roth bijvoorbeeld. is er vertaalster en bezieler van het Roth-genootschap Els Snick. Mooi hier is dat Peeters ook de te vroeg overleden schrijver John Gheeraert memoreert en diens niet aflatende inzet om sporen uit het Oostendse verleden van beide grootheden na te trekken. En verder, al wie naam en faam heeft in Oostende of ook maar een reden heeft om er neer te strijken, passeert de revue: Eric de Kuyper, die het heeft over de ‘ratrappage’, ‘de nervositeit om mee te zijn’, en verder: Hedwig Speliers, Ensor-kenner Xavier Tricot, Hugo Brutin die zijn vriendschap met Paul Snoek in het licht stelt, Bernard Dewulf die in de ban is van Spilliaert, Guinevere Claeys die hen naar Permeke leidt... En zovele anderen, niet steeds allen volledig bij naam genoemd (zo heeft Peeters het twee maal over ‘Charlotte’, de ene keer Mutsaers, de andere keer Van den Broeck), maar in de bijna Ensoriaanse stoet die voorbijtrekt ‘een encyclopedie met mensen’.  
 
Koen Peeters: Kamer in Oostende, De Bezige Bij, Amsterdam 2019, 271 p. ISBN 9789403160504. Distributie Standaard Uitgeverij 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2019

De grote verkilling

Geert van Istendael

Kamers antikamers

Niña Weijers

Verlaten

Jane Harper

Verwondering

Aharon Appelfeld

Winterlaken

Micha Andriessen

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2019

Adres onbekend

Susin Nielsen

Mag je haaien aaien?

Katrijn De wit, Inge Rylant (ill.), Laura Bergans (design)

Niet te stoppen

Angie Thomas

Ploef

Espen Dekko, Mari Kanstad Johnsen (ill.)

Zo slapen dieren

Jiří Dvořák, Marie Štumpfová (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri