Non-fictie

BOEKEN NR. 6, JUNI 2019

Lucas Catherine: De Buik van Brussel

door Bart Vonck

Samengeraapte vertelsels
 
Lucas Catherine noemt zichzelf een ‘historicus van Vergeten Zaken’ en in die hoedanigheid publiceert hij veel en over uiteenlopende onderwerpen (Congo, de Morisco’s, Palestina, Brusselse geschiedenis…). In 2014 gaf EPO al ‘Brussel. Van renaissance tot republiek’ uit, waarin Catherine de roomse keizer Karel als een ‘oorlogsstoker’ neerzette. De auteur zet expliciet in op een alternatieve geschiedschrijving. Dat zou kunnen betekenen dat de lezer een kritische interpretatie van de geschiedenis voorgeschoteld krijgt waarin de ware aard van bejubelde helden onthuld wordt en de officiële ideologie aan een kritisch onderzoek onderworpen. Bovendien zou de historicus op andere bronnen beroep kunnen doen, weg van de alleenheerschappij van het geschreven woord. De historische methode zou dan bestaan uit het verzamelen en ontrafelen van (vooral) de orale traditie.
 
Dit boek is inderdaad kritisch en gebaseerd op (nogal schrale) verhalen ‘van horen zeggen’. Maar omdat de brede context (een ware beschrijving-in-vele-lagen van oorzaken en gevolgen van gebeurtenissen) ontbreekt, wordt kritiek herleid tot een op de korrel nemen van nefaste verschijnselen, zoals het massatoerisme bijvoorbeeld, zonder op zoek te gaan naar, onder meer, de mogelijke bewegingen van de bevolking die zich als kritische tendensen uiten. En die natuurlijk ook, maar niet exclusief, in de oraliteit te vinden zijn. Kritiek is echter veel meer dan veredelde achterklap of wauwelende cafépraat. Dit boek laat zich daar niet toe herleiden, maar komt soms gevaarlijk in de buurt van dat niveau. Catherine omschrijft zijn bronnen als volgt:  
 
‘Ik cirkel rond de Vismet op zoek naar histories, met als gids mijn bibliotheek en als onderzoekscentra een heel beperkt aantal staminees.’
 
Hij laat dus niet alleen de oraliteit spelen, wat hij ook mag beweren.
 
Gebrek aan diepere context gaat ook gepaard met een zeer oppervlakkige visie op oraliteit die een echte bron en gangmaker van een alternatieve geschiedschrijving zou kunnen zijn. De orale traditie van Afrika (en Catherine moet die toch minstens van verre zo niet van dichterbij kennen) heeft geleid tot een sprankelende antropologie die de mensen begrijpt vanuit hun verbindingen met geografie, magie, voorouders, topologie en mythe (om mij tot enkele ingrediënten te beperken). Daaruit ontstaat een ‘dieptegeschiedenis’ die recht doet aan ervaringen en aan wat daaruit als gedrag of maatschappelijke organisatie is gegroeid.
 
Als ik dit boek moet beschrijven, kan ik alleen maar uitbrengen dat het gezapig oppervlakkig is. De ‘historicus van Vergeten zaken’ verliest zich in losstaande weetjes, in zaken die na lectuur al heel snel in de vergetelheid vallen bij gebrek aan visie en diepgang. De lezer denkt onwillekeurig aan de niet diepgaand geïnformeerde gids die, als dienaar van het toerisme, met een vlaggetje in de opgestoken hand, een verhaaltje bij een bepaalde plek tevoorschijn tovert als toetje na een overvloedig besprenkeld mosselmaal. Bovendien is het hier gebezigde Nederlands soms ronduit stuntelig en stijgt het nooit op uit het moeras van het Vlaams. Eén voorbeeldje: ‘Van waar kwam de vis?’ Het is niet omdat het Brussels dialect (dat in dit boek vaak en terecht de kop opsteekt) de taal van de oraliteit is, dat een historische beschrijving genoegen moet nemen met een steenkolennederlands.
 
Waarover gaat dit boek? De titel verwijst naar de markt van Sint-Katelijne en de ‘Vismet’ die omstreeks 1950 met ‘de Buik van Brussel’ aangeduid werden. De vergelijking komt uit de koker van architect en politicus Fernand Brunfaut. Die plaatsen ontstonden na het dempen van de oude havendokken. Catherine geeft in vogelvlucht een geschiedenis van het gebied van de oude haven (dat nog niet goed gedocumenteerd is, zoals de auteur terecht beweert).  
 
Alles begint met de inhuldiging in 1561 van de ‘Schipvaert’, het kanaal naar Willebroek en Antwerpen. Catherine beschrijft de evolutie van de wijk, de vishandel, de kroegen, tot in de 20ste eeuw. Hij heeft veel oog voor wat er zo allemaal verhandeld werd. En voor enkele typische gerechten (Catherine is een levensgenieter en deelt dat ook mee). Hij schrijft bijvoorbeeld ook, via ‘het verhaal van de cacao’ (halverwege de achttiende eeuw) en van de banaan, over de commerciële relaties met Congo (een onderwerp dat hij goed beheerst) en met andere exotische landen. Catherine vermeldt een aantal feiten en namen (de moord op Jeanneke Van Calck, de zanger Henri Mees…), maar zonder context of achtergrond. Hetzelfde geldt voor de vaak vermelde ‘golden sixties’ die nergens omschreven worden, maar blijkbaar een belangrijke verandering van de wijk teweeg brachten. Op p. 93 begint de auteur aan een ‘wandeling langs markante plekken op de voormalige vismet’ waarbij vooral oude poorten aangedaan worden. De beschrijvingen zijn heel summier (wat wellicht het grote aantal foto’s verklaart die het magere verhaal moeten aansterken).
 
Catherine heeft een persoonlijke band met de wijk. Zijn overgrootmoeder verkocht melk en eieren op de markt van Sint-Katelijne. Catherine schrijft dat hij dit boek eigenlijk ‘in het Brussels’ had moeten brengen, een dialect dat vermoord is. Het boek is ‘een soort afscheid nemen als van een overledene’:  
 
‘Het Brussel van mijn jeugd en de verhalen over Brussel die ik vroeger hoorde, bestaan niet meer. Brussel is dood en de Buik van Brussel is overgenomen door toeristen, Euro- en andere craten, door Fransen die deze stad zien als een Franse provinciestad, door bobo’s uit Wallonië én door bobo’s uit Vlaanderen die hier na hun studies zijn blijven plakken of filemoe zijn en die hier een nieuw dorp hebben gesticht rond de Graanmarkt en langs de Vlaamsesteenweg.’

Er zit zeker een kern van waarheid in dit citaat. Er is een en ander teloorgegaan in deze wijk. Maar Catherine legt zich daar bij neer. Zijn verhaaltjes zijn met een larmoyante nostalgie overgoten. Wat de auteur niet vermeldt, zijn de vele jonge mensen (vaak van vreemde origine, Europees of niet) die niet door het verleden zijn bezwaard (zoals Catherine dat is) en nieuwe energieën ontwikkelen. De beschreven wijk maakt minstens deel uit van een creatieve en artistieke ‘scene’ die begeleid wordt (zij het nog te schuchter) door een volwassen geworden politiek-analytisch discours dat de Brusselse toekomst op het oog heeft. Wie zich neerlegt bij een folkloristisch discours en daarmee de geschiedschrijving van een wijk-als-deel-van-de-stad besmet, heeft voeling verloren met een Brussel dat uit de reële problemen (mobiliteit, urbanisme, klimaatverandering, instroom van vreemdelingen, enz.) functionerende oplossingen kan aanreiken. Wie liever in een ‘estaminee’ blijft hangen en in het heden alleen de ondergang van een verleden ziet, zet zichzelf buiten spel. Brussel verdient, ook omwille van zijn verleden, een andere keuze. En Brussel heeft een andere geschiedschrijving nodig. Brussel is geen ‘Vergeten Zaak’.
 
Lucas Catherine:De buik van Brussel, EPO, Berchem, 2019, 131 p. : ill. ISBN 9789462671621 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 6, JUNI 2019

Ik zal de wereld nooit meer zien. Aantekeningen uit de gevangenis

Ahmet Altan

Kamer in Oostende

Koen Peeters

Lief slecht ding

Frank Keizer

Onrustige dagen

F.B. Hotz, Thomas Heerma Van Voss (sam.)

SS Proleterka

Fleur Jaeggy

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2019

* De eerste avonturen van de Rode Ridder, 1959-1961

Een ridder voor alle seizoenen

De boom met het oor

Annet Schaap, Philip Hopman

Mijn mama

Annemarie van Haeringen

Poëzie hardop

Hans Hagen, Monique Hagen, Maartje Kuiper (ill.)

Twee maal op reis door het brein.

Verdwalen in Breinstein of inzicht in het hoofd

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri