Vertaald proza

BOEKEN NR. 8, SEPTEMBER 2019

Tarjei Vesaas: Het ijspaleis

door Katja Feremans

Voor zijn roman Is-Slottet (1963), nu vertaald als Het ijspaleis, ontving de Noorse schrijver Tarjei Vesaas (1897-1970) in 1964 de Nordic Council Literature Prize, in de Noordse landen de belangrijkste literaire erkenning na de Nobelprijs.
 
Net als in zijn alom geprezen roman De vogels worstelen de personages met een verandering waar geen ontkomen aan is. In De vogels was het de zevenendertigjarige, maar kinderlijke Mattis die zich geen raad weet wanneer een houthakker van de ene dag op de andere bij hem en zijn zus Hege intrekt, waardoor hij haar met de nieuwkomer moet delen.
 
In Het ijspaleis worden twee elfjarige meisjes uit dezelfde klas uit hun baan geslingerd. Unn is nieuw in het kleine Noorse dorp, waar de roman zich afspeelt. Sinds het plotse overlijden van haar moeder woont ze er bij een tante. Haar vader heeft ze nooit gekend. Siss, het populaire meisje dat spontaan het voortouw neemt in de klas, probeert Unn uit haar zelfgekozen isolement te halen, maar slaagt er niet in om haar bij de groep te betrekken. Tussen hun tweeën gaat er wel gaandeweg iets spelen. Dat draait erop uit dat ze op een avond afspreken bij Unn thuis. Voorzichtig tasten ze af wat ze aan elkaar hebben. Ze weten zich maar moeilijk een houding te geven, maar onder die stugheid voelen ze een zielsverwantschap.
 
De ontluikende intimiteit in combinatie met het onbegrijpelijke waarmee de mooie, vreemde en schuwe Unn in haar ogen is omhuld, wordt Siss te veel. Abrupt maakt ze een einde aan de avond. De volgende ochtend besluit Unn op haar beurt dat hun intense ontmoeting nog geen vervolg verdraagt. In plaats van naar school te gaan, trekt ze daarom naar de waterval iets buiten het dorp, om er het door de vrieskou verrijzende ijspaleis met eigen ogen te zien. Ronduit overdonderd is ze door het sprookjesachtige bouwwerk ‘van kleine torenspitsen, gewelfde daken, berijpte koepels, zachte bogen en verward kantwerk. Alles was ijs, en het water spetterde erdoorheen en bouwde gestaag verder’.
 
Koste wat het kost wil Unn in het ijspaleis komen. Door een spleet tussen de gepolijste ijszuilen wurmt ze zich naar een eerste vertrek en vandaar werkt ze zich van kamer naar kamer, almaar dieper het fonkelende labyrint in, zonder zich te bekommeren om de weg terug.
 
Wanneer Unn aan het eind van de dag spoorloos blijkt te zijn, zetten de dorpsbewoners een grootscheepse zoekactie op touw. Tevergeefs. In de dagen, weken en maanden die volgen, wordt Unn niet gevonden. Siss is radeloos en begint zich na Unns verdwijning zowel van haar klasgenoten als van haar ouders af te sluiten. Die reactie heeft veel te maken met de belofte die ze heeft gedaan, namelijk dat ze aan niets of niemand anders dan aan Unn zal denken, zolang die niet terecht is. Door die zwaarwegende verbintenis gaat ze op de eenzelvige Unn lijken. Pas wanneer Unns tante haar benadert om haar te ontheffen van die belofte, wordt ze langzaam weer wie ze was.
 
Hoe de meisjes op het punt stonden om elkaar te vinden heeft Tarjei Vesaas prachtig in beeld gebracht. Fascinerend en tegelijk bevreemdend is het hoofdstuk gewijd aan Unn en het ijspaleis, dit vanwege de symbolische en suggestieve ondertoon, alsook door de tegengestelde krachten die op elkaar botsen: Unns reflex om weg te lopen, die eigenlijk een schreeuw is om aandacht en troost; haar ontvankelijkheid voor de schoonheid van het paleis ondanks haar onmetelijke verdriet; het ijspaleis dat voortdurend balanceert tussen uitnodigend en ontoegankelijk; de kracht die Unn vooruit stuwt, maar haar uiteindelijk fataal wordt: ‘Wat rechtop moest staan, stond op zijn kop – alles was verblindend licht hierbinnen. Het kwam geen moment in haar op dat dit vreemd was, het was zoals het moest zijn. Ze wilde slapen, was loom en slap, was er klaar voor’.
 
Klaar waarvoor? Voor de dood? Voor het ultieme samenzijn waar ze in Siss’ nabijheid een glimp van had opgevangen?
 
Door de stem van de verteller bij momenten te laten versmelten met die van de meisjes, kruipt Tarjei Vesaas in hun bewustzijn, maar door en door bezield zijn Unn en Siss niet. Vooral omdat hij het mysterie rond de ongrijpbare Unn overeind houdt, is het moeilijk om je met haar te vereenzelvigen. En je met Siss identificeren na Unns verdwijning is ook lastig, doordat zij helemaal in beslag wordt genomen door Unns afwezigheid, althans tot Unns tante dat tij kan keren.
 
De innerlijke onrust van de twee meisjes verbindt de auteur met het winterse dorp en zijn bevroren meer, met de bijtende kou en het dichte donker. Tegen die achtergrond bedwelmen zijn vaak afgemeten zinnen, maar dit neemt niet weg dat Het ijspaleis ondanks enkele beklijvende hoofdstukken in zijn geheel als een constructie aanvoelt, een indrukwekkende constructie weliswaar, net zoals het ijspaleis dat ook is.
 
Tarjei Vesaas: Het ijspaleis, Lebowski, Amsterdam, 2019, 170 p. ISBN 978 9048847877. Vertaling van Is-slottet door Marin Mars

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 2, FEBRUARI 2020

Buiten beeld

Jurriaan van Eerten

De allegorische microfictie van Cynan Jones

Het landschap als een spiegel

De schrijver is een alleenstaande moeder

Hagar Peeters

Schelmen van het Oude Hof

Mateui I. Caragiale

Zon

Peter Verhelst

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 2, FEBRUARI 2020

De koudste winter

Tine Mortier, Alain Verster (ill.)

De man met de zeegroene ogen

Koos Meinderts, Sanne te Loo (ill.)

dier boek. ik lees van aas gier tot zee draak

Coco & June

Het beest met de kracht van tien paarden

Lida Dijkstra, Djenné Fila (ill.)

Stel dat...

Alastair Reid, JooHee Yoon (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri