Letterkunde

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2019

Bas Kwakman: In poëzie en oorlog. Vijftig jaar Poetry International

door Bart Vonck

Onder de indruk van de poëzie
 
Bas Kwakman neemt afscheid als directeur van Poetry International, een mandaat dat hij sinds 2003 vervult. En hij schreef een boek, met zicht op de vijftig kaarsjes die het internationaal toonaangevende festival in 2020 mag uitblazen. In zijn ‘Woord vooraf’ noemt Kwakman (die ook dichter en prozaschrijver is maar dat resoluut loskoppelt van het festival) de drie directeurs die Poetry heeft gekend ‘passanten’. Dit woord dekt de lading van dit boek dat op velerlei niveaus een  innemend poëtisch pleidooi is geworden.  
 
Kwakman is een passant van de poëzie die Poetry heeft gebracht en van de dichters die zich soms tegenstrevers tonen van collega’s die er andere poëtica’s op nahouden. De lezer ziet hier een stoet van dichters passeren, en de auteur, die vanuit zijn positie heel wat meer anekdotes zou kunnen opdiepen, houdt de vinger aan de pols van de poëzie, die internationaal en nationaal door heel wat stormen en avonturen is gegaan.  
 
Je leest portretten van dichters en hun arbeid en van stromingen die het poëtische woord actueel maken. Je leest eveneens een evaluatie van de twee voorgaande directeurs, vooral van Martin Mooij, die het festival toch een beetje als zijn eigen jachtterrein zag. Maar Kwakman trapt niet na, hij analyseert, en altijd in functie van een beter festival. Hij behoudt bewust geen afstand (hoewel zijn blik een internationale ruimte aankan en ook focust op microgebeurtenissen waarin welbepaalde dichters een rol spelen). Over die in acht te nemen distantie bekent hij: ‘Het is een regel waarmee ik bij dezen volledig breek. Wat voor u ligt is een verzameling van uiterst persoonlijke verhalen, anekdotes en dichtersportretten die gezamenlijk de merkwaardige en soms wonderbaarlijke geschiedenis van Poetry International ontsluiten.’ Ja, dit is een geschiedenis van Poetry maar evenzeer een staalkaart van de dichters, stromingen en evoluties die er in de poëzie toe doen.
 
Het boek is secuur in zes hoofdstukken ingedeeld. Kwakman schetst eerst zijn kennismaking met Poetry (en zijn eerste contact met de poëzie tout court). ‘Poëzie is geluk,’ concludeert de directeur, maar hij verwijst, na een resem definities van wat poëzie zou kunnen zijn, naar Spinoza: ‘Datgene wat niet door bemiddeling van iets anders kan worden begrepen, is uit zichzelf begrijpbaar.’ Meteen is dat de filosofische ondertoon van dit boek: een begrijpelijke (maar ook begeesterende) voorstelling geven van wat (alleen?) uit zichzelf begrijpbaar is. Wanneer de terminaal zieke Kees Ouwens komt lezen, geeft Kwakman aan waar het hem om te doen is: ‘een hartstochtelijke liefde voor poëzie delen.’  
 
In het tweede hoofdstuk komt het ontstaan en de ontwikkeling van Poetry tussen 1969 en 2003 aan bod. Ondanks alle problemen en soms ondoorgrondelijke keuzes, evolueert Poetry tot een gegeerd internationaal poëtisch platform. Maar het festival neemt het ook op voor dichters die op een of andere manier vervolgd worden. Solidariteit blijkt geen leeg begrip te zijn voor wie de poëtische stromingen van het moment op de kaart wil zetten. Kwakman probeert het mooie van de twee vorige directeurs vast te houden. Van Tatjana Daan ‘een festival met een actuele, dwingende programmering, stevig in stad en land verankerd.’ Van Martin Mooij ‘de klinkende internationale naam.’
 
Over ‘de internationale rol en positie’ gaat het in hoofdstuk drie. De poëzie blijkt een goede graadmeter te zijn van het democratische gehalte van een land. Kwakman bezoekt waar ook ter wereld beginnende festivals, die stilaan tot een netwerk van de internationale poëtische expressie uitgroeien. Over zijn eigen betrokkenheid schrijft Kwakman verhelderend:  
 
‘Ik kijk niet op tegen die dichters. Ben niet onder de indruk van een grote naam. Ik ben onder de indruk van poëzie, zeker, maar niet zo snel van de man of vrouw die het schrijft. Een normale, gelijkwaardige relatie, geen hijgerige onderdanigheid, geen dweepzucht, korte metten met divagedrag, gelijke behandeling van de debutant en de Nobelprijswinnaar, dat is de basis voor een goede festivaleditie.’
 
In het vierde deel laat Kwakman zijn blik gaan over specifieke festivalprogramma’s: het vertalen van poëzie, het Kinderfestival, het koninklijk bezoek, de kruisbestuivingen met theater, beeldende kunst, muziek en wetenschap. Poetry heeft de poëzievertaling geherwaardeerd. Kwakman: ‘Het vertalen van poëzie, woorden van kleur laten verschieten, ze opladen met een nieuwe taal – het houdt de poëzie in leven. Het is de vertaler die ‘de vermolmde versperringen in de eigen taal uit de weg ruimt.’’ (Kwakman citeert hier Walter Benjamin). Vertaalprojecten werden ‘een festival binnen het festival’. In hoofdstukje 36 geeft Kwakman een inkijk in de keuken van de poëzievertaling.
 
Maar Poetry gaat niet alleen internationaal. Ook op het Nederlandse domein wordt veel geactiveerd: Gedichtendag, de C.Buddingh’-prijs, de Dichter des Vaderlands… Een volgehouden aandacht die veel mensen bij het dichten betrekt. Daarover gaat het vijfde deel. Kwakman typeert dichters die elkaar soms echt vijandig gezind zijn, maar boven die vijandigheid uit torent hun poëzie, die vanuit radicaal andere uitgangspunten geschreven kan zijn. Ik raad iedereen aan te lezen wat Kwakman vertelt over Kouwenaar en Kopland, toch vaak gezworen vijanden en tegengestelde poëtica’s.  
 
Zelf ben ik meer een fan van Kouwenaar dan van Kopland. Maar Bas Kwakman legt het zo aan de dag dat de vooringenomen lezer een andere kijk krijgt op dichters die geen spontane verkleefdheid oproepen. Ik ben ‘nader tot’ Kopland gekomen, op basis van de openheid waarmee Kwakman schrijft over de man, maar vooral over zijn poëzie. Kwakman kijkt met de ogen van de dichter die hij in ons blikveld oproept, en zet er zijn lezer toe aan een meer vertrouwde blik te ontwikkelen voor poëtica’s waarvoor hij niet meteen kan vallen.  
 
Kwakman nuanceert (‘poëzie is geen oorlog’), verandert door zijn specifieke aandacht de context waarin een dichter optreedt, analyseert teksten vanuit verrassende invalshoeken. Zo wordt dit boek een grote geschiedenis (van Poetry, nationaal en internationaal) maar ook een micro geschiedenis die met gedichten wordt geschreven. Op geen enkel moment laat Kwakman de gedichten in de steek. Ook als hij het uitvoerig en anekdotisch over de dichters heeft (over Seamus Heaney bijvoorbeeld). En daar doet de lezer alle voordeel mee.
 
‘Het fatale instinct’, zo luidt de titel van het zesde en laatste deel, over het huidige Poetry International en de actuele rol van de poëzie. Kwakman gooit een steen in de kikkerpoel: ‘De hele wereld groeit in de richting van oncreativiteit en wij blijven maar hangen in ouderwetse romantiek.’ Poëzie zou saai moeten worden. Dat beweert Kwakman in het gezelschap van Kenneth Goldsmith, de ‘digitale Robin Hood van de avant-garde’, de promotor van visuele en concrete poëzie: ‘No matter what we do with language, it will be expressive.’ De poëzie, zo suggereert Kwakman samen met de Zwitserse dichter Florian Bissig, ‘wordt hoog gewaardeerd maar nauwelijks gelezen. De bereidheid om meerduidigheid te omarmen is verloren gegaan. Men is uit op een helder oordeel. Wie niet kip-en-klaar positie kiest wordt in het debat overrompeld.’ Kortom, het gedicht gaat zijn gang, maar ‘vanuit een verloren positie’.

Maar poëzie zou geen poëzie zijn als ze niet in staat was uit zo’n impasse op te staan. Met zijn vele lagen spreekt het gedicht op de lezer in. Terwijl het ene gedicht doofstom in een hoekje ligt, is het andere de straat opgegaan om zijn betekenis uit de mond van de lezers op te tekenen. Poetry beweegt op het ritme van gedichten: ‘Poetry beweegt, het publiek gaat mee’, en zeker ook vice versa. Deze woorden voeren Kwakman door de eenenzestig hoofdstukjes van dit boek. Hij zoekt nog steeds ‘de balans tussen een groot publiek en de hoogst mogelijke kwaliteit.’ Maar hij bewoog mee op een festival dat hijzelf tot beweging aanzette. De lezer mag op dat ritme meebewegen. Dat is een niet gering privilege.
 
Bas Kwakman: In poëzie en oorlog. Vijftig jaar Poetry International, De Arbeiderspers, Amsterdam 2019. 466 p. : ill. ISBN 9789029525602. Distributie L&M Books

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri