Nederlands proza

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2019

Bert Moerman: Benny

door Laurent De Maertelaer

Meer vallen dan wandelen
 
Met veel bombarie stuurt uitgeverij Polis Benny, de tweede roman van Bert Moerman (1987), de wereld in. Kosten noch moeite worden gespaard, zo lijk het wel. Het boek kreeg een opvallende vormgeving en werd midden september tot twee keer toe officieel boven de doopvont gehouden, telkens in een café, het soort drenkplaats dat een niet onbelangrijke rol speelt in de plot van Benny. Bovendien was de roman, wellicht om wat marketing-keet te schoppen, de eerste week na de release enkel verkrijgbaar in de boekhandel, nadien pas online. Om het gimmick-gehalte nog wat op te krikken kreeg Benny zelfs een heuse trailer. Maar is al dat opgeklopte sop de kool wel waard?
 
Aan de onstilbare vertellust van Moerman zal het alleszins niet liggen. De zelfgecreëerde mythe rond zijn schrijverschap is gekend en staat nogmaals breed uitgesmeerd op de achterflap van Benny: in 2016 gaf Moerman zijn job op om in New York zijn debuut Niet dat het iets uitmaakt te schrijven. Deze opgemerkte roman leverde hem over het algemeen positieve recensies op, maar belangrijker nog, ook de Bronzen Uil Publieksprijs. De lat voor de opvolger lag én ligt met andere woorden vrij hoog. Moerman draait er zijn hand niet voor om, integendeel, want amper een jaar na zijn debuut komt hij nu al met ‘de moeilijke tweede’.
 
In Benny herneemt Moerman ongegeneerd de gesmaakte ingrediënten die van Niet dat het iets uitmaakt een vlot weg te lezen en bescheiden succes maakten: een onsympathiek hoofdpersonage, een lichtvoetige verteltrant en een flinke dosis onderkoelde humor. Ook Benny is een onversneden pageturner. Het onsympathieke hoofdpersonage van dienst heet deze keer Daniël. Hij is weinig verrassend de ik-verteller van alle hoofdstukken die vanuit zijn perspectief verteld worden.
 
De hoofdstukken zijn vrij kort, met gebalde acties en evenwichtig verdeelde dialoogblokken. Een hele reeks zorgvuldig aan elkaar gelinkte motieven en minutieuze plotwendingen willen krampachtig de indruk geven dat een meesterverteller aan het woord is. In zes van de hoofdstukken krijgt de lezer via een auctoriale verteller meer achtergrond over evenveel nevenpersonages, inclusief de man wiens doopnaam de titel van het boek vormt. Een dergelijk hoofdstuk wordt telkens ingeleid door een dubbel titelblad, waarop de voornaam van het desbetreffende personage in het grote opvallende lettertype van de omslag in tweeën wordt gesplitst: de eerste lettergrepen helemaal rechts tegen de rechterbladrand en de laatste helemaal links tegen de linkerbladrand. Hierdoor zie je op het bladblok zwarte streepjes ‘op snee’ verschijnen, wat best een aardigheidje is.
 
De zevendertigjarige Daniël heeft zijn schaapjes op het droge. Hij is een arrogante selfmade man, die zich door letterlijk onder aan de ladder te beginnen, heeft opgewerkt in de bouwsector. Nu heeft hij een eigen kantoor en kan hij zich een groot huis en een protserige SUV (‘mijn champagnekleurig schip’) veroorloven: ‘Ik was blij als een jongetje. Wat heb je het toch lekker voor elkaar, zei ik tegen mezelf. Ik deed een korte roffel met mijn vingers op het tafelblad en liet me achteruitzakken in mijn bureaustoel.’ Daniël kickt op de geruststellende routine in zijn leven: zo gaat hij iedere dinsdag met een groepje oppervlakkige vrienden tennissen. Thuis wacht zijn trophy wife, Suzy, met wie hij twee kleine dochters heeft. Hij leeft op een wolk: ‘Ik herken een gelukkig man als ik er een zie, en daar zat een kampioen des levens lekker te chillen op de sofa.’
 
Het gaat Daniël zodanig voor de wind dat hij de onweerstaanbare drang voelt om te vieren. Op een dag stapt hij onderweg naar huis in een opwelling zomaar een café binnen, ‘meer een thuis voor mensen die dingen kwamen doen die onder de radar hoorden te blijven.’ Daar ontmoet hij per toeval Benny, een ietwat vreemde vogel met wie hij als elfjarige samen op school heeft gezeten. Benny dringt meer en meer Daniëls geregeld bestaan binnen. Zijn vroegere schoolkameraad wint stilaan het vertrouwen van Daniëls entourage.
 
Na de hernieuwde kennismaking met Benny, beginnen er inderdaad vreemde, niet meteen verklaarbare dingen te gebeuren: een catastrofe voor de controlefreak die Daniël is. De spanning stijgt, terreur hangt in de lucht. Alles wijst op slechts één schuldige: Benny. Terwijl Daniël langzaam de pedalen begint te verliezen en verglijdt in een perverse paranoia, probeert hij de situatie recht te trekken door met zijn gezin te vluchten naar een vakantiehuisje. Daar slaan de stoppen pas goed door.
 
Vanaf de eerste pagina’s van Benny weet de lezer dat een en ander is misgelopen, nog voor het titelpersonage aan bod komt: tijdens de eerste kennismaking met Daniël zijn we er getuige van hoe hij in zijn eigen huis inbreekt: ‘Ik ben meer aan het vallen dan ik aan het wandelen ben. Misschien een beetje over mijn toeren. Ik moet me concentreren. Elke stap die ik zet is het mislukte eindresultaat van een lompe evenwichtsoefening.’
 
Als we de achterflap mogen geloven gaat Benny over de bijrol die we spelen in andermans leven. Moerman laat heel wat dreiging uitgaan van de figuur Benny, iemand die te lang aan de zijlijn heeft gestaan en voorgesteld wordt als een tikkende tijdbom. Benny is een duistere slappeling die uit lijkt op wraak voor wat hem in een ver verleden is overkomen. Dat is althans wat Moerman de lezer wil doen geloven. De sfeer van Benny deed mij in dat verband denken aan de films van de Oostenrijkse regisseur Michael Haneke, in het bijzonder Funny games (1997). Of komt dat door het vakantiehuisje aan het water? Is het overigens toeval dat Hanekes tweede langspeelfilm Benny’s video (1992) heet en dus een gelijknamig hoofdpersonage heeft als Moermans tweede roman?
 
Het grote verschil tussen Benny en een parel van zwarte humor zoals Funny games — waarin de sluimerende dreiging je onophoudelijk de stuipen op het lijf jaagt, vooral wanneer er niets gebeurt — is echter de overvloed aan tragikomische elementen bij Moerman. Haneke is de grootmeester van de suggestie: net wat niet getoond wordt, komt het hardst binnen. In Benny weerklinkt te vaak geklets op de dijen, wat mij betreft letterlijk een domper op het leesplezier.
 
Bovendien trekt de plot zich tergend traag op gang, waardoor de lezer veel te lang op z’n honger blijft zitten. De vele vliegertjes die Moerman oplaat – verwoede pogingen om de lezers bij de les te houden – schieten hun doel schielijk voorbij. Het zijn stuk voor stuk open deuren, die je na de zoveelste slag in de lucht al lang niet meer wil opentrappen. De anticlimax op het einde zorgt voor iets als 'negatieve catharsis' (ongetwijfeld bestaat hier een geleerde term voor).
 
Moerman kan een deftig potje schrijven, maar zoals zelfs de meest verbeten anti-lezer weet is dat niet voldoende om een geslaagde roman op papier te zetten. Er rammelt helaas van alles aan Benny: meligheid wordt niet geschuwd (‘Je kunt de toekomst niet tegenhouden maar je kan ermee leren leven.’), de dialogen zijn geregeld van een houterigheid die een plank zou doen blozen (ronduit verschrikkelijk zijn de gesprekken tussen Daniël en zijn collega Marc) en de personages die rond zouden moeten zijn, blijven zo flat als een vijg (Daniël kijkt op geen enkel moment in eigen boezem; de nevenpersonages blijven niet meer dan dat, waardoor ze in eerste instantie uitblinken in vrijblijvendheid).
 
Moerman heeft nochtans de touwtjes stevig in handen en vergaloppeert zich als bij wonder nooit aan een plot die zich het best laat omschrijven als exuberant en veelzijdig. Ongelukkigerwijs schiet Moerman zichzelf echter meer dan eens in de voet door een niet te stelpen stortvloed aan weinig geloofwaardige of beklijvende wendingen (wie zal zich bijvoorbeeld niet misleid voelen door de hele handremkwestie?). Overdaad schaadt ook hier, want het geeft Benny jammer genoeg de allures van een uit de hand gelopen, kluchtige soap.
 
Bert Moerman: Benny, Polis, Antwerpen 2019, 240 p. ISBN 9789463104753. Distributie: Pelckmans Uitgevers 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri