Non-fictie

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2019

Fik Meijer: Schoonheid voor het oprapen. Romeinse kunstjagers en hun navolgers

door Dieter Wildemauwe

Wie in Gent even van de Korenmarkt afdwaalt, kan er op een muurschildering van ‘The Monuments Men’ stoten. De film vertelt het verhaal van de speciale afdeling van de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog, die een duidelijke opdracht hadden: haal geroofde kunst uit nazihanden zodat die terug kan naar de plaats van herkomst. Een slordige vijf miljoen objecten werden op die manier terugbezorgd. Maar dat is slechts een fractie van wat in de loop der eeuwen op dubieuze wijze van eigenaar wisselde.
 
Oorlog en kunstroof hebben een lange geschiedenis, die Fik Meijer in zijn nieuwe boek van in het begin beschrijft. Van zodra de eerste staten clashten, werden artefacten naar de eigen hoofdstad mee teruggebracht, puur om de overwinning extra luister bij te zetten, maar ook om de vijand op die manier te vernederen. De Perzen roofden bij hun inname van de Atheense Acropolis de beelden van Harmodios en Aristogeitoon mee, het duo dat de laatste Atheense tiran zou hebben verdreven. Het leek alsof de democratie op die manier uit de stad verdween. Dat Alexander de Grote de beelden na de onderwerping van Perzië terugbezorgde, vergrootte alleen maar hun trofeewaarde.
 
Toen de Romeinen ten tonele verschenen, bleken ze ook hierin hun gekende grondigheid aan de dag te leggen. Ze gingen vaak zo driest te werk dat de eerste tegenstemmen zich lieten horen. De historicus Polybius waarschuwde dat ze door hun luxezucht hun eigenheid zouden verliezen en de jaloezie van de overwonnen volkeren nodeloos zouden aanwakkeren. De senaat stemde steeds maar nieuwe wetten die het pronken tegen moesten gaan. Er hielp geen lievemoederen aan, de hoeveelheid waardevolle voorwerpen ging omhoog met elke territoriale aanwinst en dat was ook het geval met de bijhorende triomftochten waarin al het moois getoond werd: mocht Pompeius er nog drie houden voor zijn hele carrière, Caesar hield er na zijn machtsovername vijf – op één maand tijd.
 
De Triomfboog van Titus, die een blijvende herinnering is aan wat buitgemaakt werd in Jeruzalem, betekent tevens het orgelpunt van al die triomftochten: alles wat militair veroverd kon worden, was dat ook. Geen nood, de Romeinen bleven gewoon verdergaan met het verschepen van marmer, kunst, en zelfs hele obelisken (48 in totaal!), een onderneming waarvoor speciale schepen dienden gebouwd. Nu en dan haalde zo’n schip zijn haven niet en belandde de vracht op de zeebodem. Die werd dan in elk geval gespaard van verdere gevaren: bij plunderingen van Rome en andere steden in Italië werd later veel vernietigd. Maar soms ging het ook om gecoördineerde acties waarbij men de geschiedenis wou uitwissen. Wel leefde toen al de discussie hoe er omgegaan moest worden met erfgoed en zelfs of dat wel in privécollecties thuishoorde. Al in de eerste eeuw voor Christus kon Verres, de gouverneur van Sicilië, enkel op misprijzen rekenen toen bleek van hoeveel kunstwerken hij zich wel niet meester had gemaakt.
 
Wanneer echter een sterke, controlerende overheid wegvalt, kan het gebeuren dat hele blokken marmer naar kalkovens versleept worden of dat de materiële resten van een veldslag verdwijnen in de smeltoven van de lokale smid. Toen het Europese machtscentrum noordwaarts verschoof, gebeurde in de Eeuwige Stad net hetzelfde, en zo moest Petrarca tot zijn stomme verbazing (en met enig gevoel voor overdrijving) vaststellen dat Rome leeggehaald was.
 
Maar de ‘nieuwe Romeinen’, zoals Fik Meijer ze noemt, waren pas begonnen. Wat de tand des tijds doorstaan had, viel vanaf de zeventiende eeuw ten prooi aan nieuwe plunderingen. Kleinere objecten werden, zonder respect voor de context waarin ze gevonden werden, op de privémarkt gebracht, grotere beelden en bouwwerken werden met toestemming van de overheid van hun fundamenten gehaald en naar Parijs, Londen of München gebracht. In dit boek wordt vooral gefocust op de Griekse oudheid, waar de Ottomanen het toen voor het zeggen hadden, en gaat het minder over wat bijvoorbeeld in Pompeji fout is gelopen. Dat valt te verdedigen: In Istanboel waren ze weinig bekommerd om de erfgoedwaarde en zagen ze er geen graten in voor een habbekrats toelatingen uit te reiken om beelden of hele gebouwen over te brengen. Dat kon in het begin aan het Europese publiek nog verkocht worden als ‘in veiligheid brengen’ of ‘bewaren voor latere generaties’. De grootste schade aan het Parthenon werd inderdaad aangebracht tijdens beschietingen in 1687, maar toch betekende de interventie van Thomas Bruce, Lord Elgin, een keerpunt. De betrouwbaarheid van zijn officiële toelating om sculpturen van het Parthenon weg te halen, is discutabel en er raakte bij de operatie ook veel beschadigd. Finaal zag hij zich zelfs verplicht alles met verlies te verkopen aan het British Museum, waar de Elgin Marbles nu nog steeds te zien zijn. Nog voor dat zo was, viel Byron al verscheidene keren uit naar deze moderne barbaar en spraken velen zich uit voor een teruggave. Griekenland werd onafhankelijk, de Grieken bouwden een geklimatiseerd museum, de Britten verknoeiden zelf veel in een mislukte restauratie, maar nog altijd moeten ze het in Athene met kopieën stellen.
 
Fik Meijer besteedt veel aandacht aan deze casus, en terecht. Je kan voor of tegen zijn, maar het is een feit dat er de laatste jaren veel beweging komt in dit soort dossiers. Dat ze al in de oudheid begonnen met het heen-en-weer-slepen, heeft het niet makkelijk gemaakt. Wat doe je met een bronzen beeld als de Atleet van Fano? Dat werd in de oudheid van een onbekende locatie naar Italië gebracht, verdween echter in de golven buiten de huidige Italiaanse territoriale wateren, werd daar vorige eeuw opgevist en kwam via via terecht in het Getty Museum in Florida. Ondanks opeenvolgende uitspraken van Italiaanse rechters, staat het nog steeds aan de overkant van de Oceaan.
 
Is dit een spijtige zaak? Misschien. Maar moet alles dan terug naar het land van herkomst? Moet kunst ook niet verspreid raken om die toegankelijk te maken en met elkaar in contrast te brengen? Met een mondig publiek en in tijden waarin we steeds meer ‘woke’ worden, zal de discussie niet stilvallen, integendeel. Fik Meijer heeft in elk geval met dit boek een verdiepende bijdrage geleverd voor wie hierover wil meespreken.
 
Fik Meijer: Schoonheid voor het oprapen. Romeinse kunstjagers en hun navolgers, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2019, 358 p. : ill. ISBN 9789025310394. Distributie L&M Books

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 8, OKTOBER 2021

Aria van professor Bentoné

Dirk Elst

Baron Bagge / Mona Lisa. Twee novellen

Alexander Lernet-Holenia

De gelukzalige jaren van tucht

Fleur Jaeggy

Gare du Nord. Belgische en Nederlandse kunstenaars in Parijs (1850-1950)

Eric Min

Het web van omtrek

Paul Demets

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 8, OKTOBER 2021

Brown girl dreaming

Jacqueline Woodson

De moestuin van Heer Hermelijn en Kereltje Konijn

Elle van Lieshout, Erik van Os, Marije Tolman (ill.)

De omhelzing

David Grossman, Michal Rovner (ill.)

Een tijger in je bed

Bibi Dumon Tak, Ingrid & Dieter Schubert (ill.)

Vluchtweg

Goedele Ghijsen

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri