Vertaald proza

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2019

Clarice Lispector, Benjamin Moser (sam.): Alle verhalen

door Bart Vonck

Heerlijk koppige Lispector
 
De Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector (1920-1977) heeft blijkbaar een publiek verworven in onze letteren. De Arbeiderspers gaat immers onverdroten voort met het publiceren van het werk. Dat de verhalen (vijfentachtig in het totaal) nu aan bod komen, is mooi meegenomen, want ze brengen de lezer in een kleiner universum dat misschien overzichtelijker is en bovendien een toegangspoort biedt tot de even compacte maar complexere romans. Kleine opstapjes naar het grote werk dat nog weerbarstiger is. Lispector blijft toch koppig Lispector. Afgezien van de vroegere verhalen (vooral het jeugdwerk dat we tussen 1940 en 1942 kunnen dateren), maak je hier als lezer ook de evolutie mee van een schrijverschap dat uiteindelijk de mechanismen van de fictie zelf in vraag gaat stellen. Die voortgang is op zichzelf wel interessant maar ik twijfel toch aan de late teksten (van 1974 tot 1977) die daarvan de uitwerking zijn.
 
Ik heb vooral genoten van de verhalen die Lispector tussen 1960 en 1974 schreef (vijf gepubliceerde bundels die hier zo goed als volledig aanwezig zijn). Toch krijgen we in dit boek niet alle verhalen, wat de titel ook mag laten uitschijnen. Maar de lezer kan meer dan tevreden zijn: het gros van Lispectors teksten die korter zijn dan een novelle of een roman, krijgt hij hier aangeboden. Bovendien in een zeer puike vertaling van Adri Boon. De vertaler kwam hier ontegenzeggelijk voor vele raadsels en uitdagingen te staan. Ik vermeld er twee: Lispectors vaak verrassende syntaxis en haar systematisch gebruik van abstracte woorden (die in het Portugees minder zwaar klinken dan in het Nederlands). Adri Boon heeft Lispectors eigenaardigheden gerespecteerd en daarvoor een Nederlandse versie gevonden die bijzonder blijft (en dus afwijkend), maar toch altijd ook aanvaardbaar afwijkend in het Nederlands. De vertaler rekt de taal wel op maar blijft binnen ons taaleigen, hoezeer dat ook naar Lispectors hand moest worden gezet. In zijn inleiding wijst samensteller Benjamin Moser op een van de bijzonderheden van Lispector: ‘een schrijfster die erom bekendstaat de verborgen werkelijkheden van het zichtbare leven te onthullen via een glijdende, grillige syntaxis.’ Zonder die syntaxis geen Lispector, en dat heeft Adri Boon behendig weergegeven.
 
Lispector gaat in haar verhalen de gevoelens én hun verwoording te lijf. In bijna elke tekst spreekt een vrouw die eerst een conventionele relatie aangegaan is, daaruit losbreekt en daarna ervaart dat die bevrijding nog maar het begin is van een vrijheid die ze nu op haar eigen gevoelens moet bevechten. Die vrijheid blijkt een hachelijke onderneming omdat de protagonisten nu met het raadselachtige en tegenstrijdige bestaan (en niet-bestaan) aan de slag moeten. Het behoud van waardigheid – of de onmogelijkheid daarvan – is een van de drijfveren van Lispectors schrijverschap. Er zijn lezers die helemaal voor haar teksten gaan, vanuit een instinctieve sympathie, en anderen blokkeren (even helemaal) als ze zich (wellicht even instinctief) voelen wegglijden in een wereld waarin ook hekserij kan huishouden. Nee, het leven is niet rationeel, en wat het dan wel is (of niet), daarover schrijft Lispector begeesterende en bevreemdende teksten. Met alle weerhaakjes van dien.
 
In een door Moser aangehaald citaat beweert de schrijfster: ‘Zowel in de schilderkunst als in de muziek en de literatuur, komt me zo vaak wat abstract wordt genoemd voor als het figuratieve van een subtielere en moeilijker te bereiken werkelijkheid, minder zichtbaar voor het blote oog.’ Ik vind dit revelerende woorden. Lispector gaat in (bijvoorbeeld) het abstract-algemene woord ‘liefde’ na wat de concrete realiteiten zijn die daarmee worden aangeduid. En ze komt tot ontstellende vaststellingen omdat haar positie, haar manier van kijken en beleven, niet representatief is: de schrijfster is geen afgezant van wie in de verhalen aan het woord is. Ze houdt zich op in de afstand tussen de werkelijkheid (datgene wat ‘present’ hoort te zijn) en de weergave ervan (de re-presentatie). Op dat punt ontstaat Lispectors manier-van-schrijven die de ogen van de lezer wijd open doet staan: hij kijkt in een afgrond die zijn eigen ‘ziel’ blijkt te zijn.
 
Lispectors teksten gaan bijna altijd over een persoonlijk groeiproces dat het opneemt tegen negatieve krachten die opeens de kern van dat proces gaan uitmaken. Je bent als vrouw niet vrij omdat je bij je partner weggaat, je wordt als vrouw ietsje vrijer als je het gevecht kunt aangaan met je intieme anders-zijn. Revolutionair is Lispector omdat ze niemand van die groei uitsluit. De vrouw uit de middenklasse, de gekleurde dienstmeid, iedereen kan vechten tegen het bestaan, in dat gevecht (of veeleer in het bewust aangaan van dat gevecht) is iedereen gelijk.  
 
Moser: ‘Haar personages vechten tegen ideologische opvattingen over de plaats van de vrouw. Ze lopen tegen praktische problemen aan met echtgenoten en kinderen, hebben geldzorgen, krijgen te maken met wanhoop die leidt tot drankzucht, waanzin of zelfmoord.’  
 
Lispector heeft veel aandacht voor overgangsperioden en voor de innerlijke riten die daarmee gepaard gaan: van kind tot meisje, van meisje tot vrouw, van een in het huwelijk geknechte naar een vrijere vrouw, waarbij die vrijheid een confrontatie is met de altijd al verdrongen emoties, of waaraan die concrete vrouw altijd al onschuldig voorbijgegaan was. Geen vrijheid zonder schuld, zonder verantwoordelijkheid voor de meest menselijke maar ook bodemloze gevoelens. In ‘De boodschap’ staat: ‘O, bevrijd ons van het verleden, laat ons onze zware plicht doen.’ Die plicht heeft Lispector opgenomen en er een streven van gemaakt. En daarvoor had ze een nieuwe taal nodig, zo eigen de hare, die van ‘iemand die nooit meer aan zichzelf zal wennen’. Zo ook de lezer die de handschoen opneemt.
 
Clarice Lispector, Benjamin Moser (sam.): Alle verhalen, De Arbeiderspers, Amsterdam 2019, 605 p. ISBN 9789029525930. Vertaling van Todos os contos door Adri Boon. Distributie L&M Books 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 8, OKTOBER 2021

Aria van professor Bentoné

Dirk Elst

Baron Bagge / Mona Lisa. Twee novellen

Alexander Lernet-Holenia

De gelukzalige jaren van tucht

Fleur Jaeggy

Gare du Nord. Belgische en Nederlandse kunstenaars in Parijs (1850-1950)

Eric Min

Het web van omtrek

Paul Demets

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 8, OKTOBER 2021

Brown girl dreaming

Jacqueline Woodson

De moestuin van Heer Hermelijn en Kereltje Konijn

Elle van Lieshout, Erik van Os, Marije Tolman (ill.)

De omhelzing

David Grossman, Michal Rovner (ill.)

Een tijger in je bed

Bibi Dumon Tak, Ingrid & Dieter Schubert (ill.)

Vluchtweg

Goedele Ghijsen

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri