Non-fictie

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2019

Lotte Jensen e.a. (sam.): Against English. Pleidooi voor het Nederlands

door Carl De Strycker

Eerste scène: jarenlang prijkte bij het binnenrijden van mijn straat deze slogan van een bekende schoenketen: ‘What a shoe can do’. Op mijn vraag waarom niet de Nederlandstalige versie – even krachtig, met een vergelijkbaar rijm – werd gebruikt, heb ik helaas nooit antwoord gekregen… Tweede scène: ik volgde ooit met zo’n zestig anderen een cursus historische kritiek. Aan het begin van de les vroeg de docente wie het Nederlands niet machtig was. Eén vingertje ging in de lucht en hups: de hele dag werd plots in het Engels gedoceerd – elementaire beleefdheid. Het grappige was dat ik met een collega van het departement Engels onderweg was en dat toen de lesgeefster, die aardig Engels sprak, haar een vraag stelde er een very British en erg eloquent antwoord kwam. Je zag dat zoveel taalbeheersing de professor toch even uit het lood sloeg.
 
Iedereen kent vast dit soort taferelen waarbij Nederlandstaligen vrijwillig op het Engels overschakelen. Je moet maar even Amsterdam bezoeken, daar word je doorgaans standaard in het Engels geholpen. Het is tegen dat soort sluipende overname van onze moedertaal door het Engels dat het boek Against English verzet aantekent. Niet uit nostalgische, nationalistische of identitaire redenen, maar uit liefde voor het Nederlands, en onderbouwd met cognitieve en sociale argumenten. Niet gebaseerd op een romantisch negentiende-eeuws verlangen naar de volkstaal en de natiestaat, maar vanuit oprechte bezorgdheid over de effecten van het Engels op onze samenleving, en gestaafd met psycholinguïstisch en ander wetenschappelijk onderzoek.
 
Het boek opent met een aantal liefdesverklaringen aan onze taal van mensen die geen moedertaalsprekers zijn, maar zich het Nederlands eigen hebben gemaakt, zoals de succesvolle schrijver Özcan Akyol, de Italiaanse vertaalster van Nederlandse literatuur Claudia di Palermo en de Duitse journaliste Annette Birschel. Uit deze stukken spreekt verbijstering over het gebrek aan trots van Nederlandstaligen op hun taal. Het is goed om eens van een ander te horen dat Nederlands niet als geblaf overkomt, maar oprecht mooi gevonden kan worden. Daarnaast bevat het boek een aantal voorbeelden van absurde voorvallen. Daniël Rovers somt een heel aantal scènes op zoals die waarmee ik deze bespreking opende, Piet Gerbrandy memoreert een Engelstalige lezing van een Italiaanse classicus die nauwelijks te begrijpen viel. Het zijn vaak hilarische wederwaardigheden, die evenwel het pijnlijke respect voor onze moedertaal onderstrepen.
 
Daarna volgen een aantal taalpolitieke stukken waarin economie, rechtspraak, cultuur(overdracht) en vooral hoger onderwijs aan bod komen. Interessant is het stuk waarin Niek Pas de lezer herinnert aan de bescherming van de Franse taal die actief gepraktiseerd wordt. Steeds meer jonge Fransen spreken een flink mondje Engels, maar ze blijven trots op hun eigen cultuurtaal en allerlei maatregelen zorgen ervoor dat het Engels het er niet zo makkelijk overneemt in het dagelijkse leven als in Nederland. Vooral in het noorden van ons taalgebied zijn de gevolgen van de verengelsing stuitend: bedrijven die voor hun interne communicatie geheel op het Engels zijn overgeschakeld, ook al zijn alle collega’s Nederlandstalig, bijvoorbeeld, maar het zijn vooral de universiteiten die het Nederlands in de uitverkoop zetten.  
 
Bij onze noorderburen is al 28 procent van de bacheloropleidingen en zo maar even drie vierde van de masteropleidingen volledig Engelstalig met als enige reden: geld. Op de manier trekken de universiteiten, die voor hun financiering afhankelijk zijn van studentenaantallen en vooral van de output (afstuderenden), buitenlandse studenten aan. Dat er ook heel veel negatieve bijwerkingen zijn, wordt systematisch onder de mat geveegd: omdat zowel docenten als studenten minder taalvaardig zijn in het Engels dan in hun moedertaal, daalt de kwaliteit van het onderwijs, verdwijnt de nuance, stijgt de tijd waarin een tekst gelezen en begrepen wordt en dalen de cijfers. Bovendien worden de groepen groter door de instroom van buitenlandse studenten waardoor de werkdruk stijgt en er minder aandacht naar elke individuele student kan gaan. Dat alles heeft als (mogelijk) gevolg: studie-uitval, studieduurverlenging, en nivellering (en als bijkomend effect: in het middelbaar onderwijs een verwaarlozing van de aandacht voor het Nederlands, dat gereduceerd wordt tot een huis-, tuin- en keukentaaltje).  
 
Nog schrijnender is deze problematiek als je hem vanuit sociaal oogpunt bekijkt: ooit werd het universitair onderwijs in de volkstaal georganiseerd in plaats van in het Latijn of het Frans om drempels weg te werken en zoveel mogelijk mensen toegang te verlenen tot een universitaire studie. Door het invoeren van het Engels als onderwijstaal wordt opnieuw een horde gecreëerd die voor mensen uit de gegoede middenklasse die hun kinderen prima Engelse (bij)les kunnen geven makkelijker te nemen is dan voor wie daar financieel niet toe in staat is. Het schrikbeeld is dat de verengelsing van het onderwijs opnieuw maatschappelijke segregatie in de hand werkt.
 
Een aantal auteurs gaat in dat kader in op de bewering dat het Engels het nieuwe Latijn zou zijn: de lingua franca waarmee de hele wereld met elkaar kan communiceren. Ze maken duidelijk dat er toch wel grote verschillen zijn. Het Latijn was voor iedereen een tweede taal, zodat niemand een voorsprong had als moedertaalspreker, en bovendien was de beheersing van die taal grondiger dan die van het Engels vandaag. Wat mensen tegen elkaar brabbelen is namelijk eerder Globish, een verarmde taalvariant waarvan de grammatica basaal is en de woordenschat zo’n 1500 woorden telt (terwijl die in de moedertaal al gauw 20.000 woorden bevat).
 
Het is, zo stellen al deze auteurs vast, dramatisch gesteld met de plaats van het Nederlands in Nederland. Omdat deze taalkwestie nauw verbonden is met de discussies die vandaag de dag gevoerd worden over de kwaliteit van het onderwijs, de integratie van nieuwkomers en de gelijkberechtiging van elke burger, is dit een urgent boek dat ingaat op de vele maatschappelijke facetten die aan het wisselen van taal vastzitten. En hoewel dit boek sterk de Nederlandse situatie beschrijft, is het ook een waarschuwing aan het zuiden van het taalgebied: het toont hoe ver het kan komen als we de positie van het Nederlands niet bewaken en wettelijk vergrendelen.  
 
In haar bijdrage gaat Gita Deneckere in op de Vlaamse situatie. Omdat door de Vlaamse beweging een lange taalstrijd geleverd is die tegelijk een culturele en sociale strijd was, ligt het opzij schuiven van het Nederlands hier gevoeliger en zijn er strikte quota voor opleidingen in een andere taal dan het Nederlands. Toch merkt Deneckere op dat precies onder een regering waarin Vlaams-nationalisten dominant zijn de deur op een kier gezet wordt voor het versoepelen van die beperkingen. Net zoals de andere auteurs in dit boek argumenteert zij helder en overtuigend waarom het vrijwillig marginaliseren van je eigen taal geen goed idee is.
 
Lotte Jensen e.a. (sam.): Against English. Pleidooi voor het Nederlands, Wereldbibliotheek, Amsterdam 2019, 224 p. ISBN 9789028450226. Distributie Elkedag Boeken 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 8, OKTOBER 2021

Aria van professor Bentoné

Dirk Elst

Baron Bagge / Mona Lisa. Twee novellen

Alexander Lernet-Holenia

De gelukzalige jaren van tucht

Fleur Jaeggy

Gare du Nord. Belgische en Nederlandse kunstenaars in Parijs (1850-1950)

Eric Min

Het web van omtrek

Paul Demets

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 8, OKTOBER 2021

Brown girl dreaming

Jacqueline Woodson

De moestuin van Heer Hermelijn en Kereltje Konijn

Elle van Lieshout, Erik van Os, Marije Tolman (ill.)

De omhelzing

David Grossman, Michal Rovner (ill.)

Een tijger in je bed

Bibi Dumon Tak, Ingrid & Dieter Schubert (ill.)

Vluchtweg

Goedele Ghijsen

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri