Poëzie

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2019

Piet Brak: Een kort gesprek met de heer Waldenström in een open vlakte

door Yvan de Maesschalck

Veel kritische appreciatie en literaire onderscheidingen zijn dichter en beeldend kunstenaar Piet Brak (pseudoniem van Piet Bracke; 1943-2016) niet ten deel gevallen. Toch werd hem af en toe wat lof toegezwaaid. Dat gebeurde bijvoorbeeld in 1988 toen hem de ABB-Yang Poëzieprijs werd toegekend voor de bundel Rorschach (1988) en, nogmaals, toen de bloemlezing De omtrek van een gedicht. Een verzameling 1962-2012 in 2013 verscheen bij uitgeverij De Contrabas. In een korte inleidende tekst wees Julien Vangansbeke, oud-redacteur van het tijdschrift Yang, erop dat Braks ‘lichtvoetige zegging dikwijls een ietwat troebele, melancholische ondertoon heeft’. Voorts noemde hij de uitvoerige, uit reeksen opgetrokken bundel Stuifzandrug (1996) ‘misschien wel het hoogtepunt van Piet Braks oeuvre’. In het literaire e-zine De schaal van Digther merkte Daan Anthuenis op dat in deze ‘authentieke poëzie […] het bewegende leven even stil staat binnen de omtrek van een gedicht’. Pregnanter kan zijn voortreffelijke poëzie moeilijk worden getypeerd.
 
Hoewel Brak met de publicatie van Finissage (2012) zijn oeuvre als afgerond beschouwde, gaf hij kort voor zijn dood een ‘precieuze kleine bundel’ uit onder de titel Een klein gesprek met de heer Waldenström in een open vlakte (2016). Daarvan verscheen onlangs een prachtige, door veertien verschillende kunstenaars geïllustreerde herdruk in oblongformaat, op initiatief van Fotogroep Cycloop, Bea Venken en Norbert De Beule. De vormgeving was in handen van Marie De Maesschalck. Van deze luxe privé-editie zijn niet meer dan 200 genummerde exemplaren gedrukt.
 
Het openingsgedicht ‘Flatscreen in Berchem’ evoceert de gedachtewereld van een oudere man die in de ’opengesperde muil van de / deuropening’ zijn bezoek opwacht. Wellicht gaat het om de deur van een woonzorg- of revalidatiecentrum. De fysieke en mentale onmacht van de man spreekt uit elk woord: ‘een weifelend stofje,’ ‘een ingeslapen vaatdoek’, ‘een zopas vergeten bezoek’, ‘verwarde woorden op zoek / naar betekenis’. Om er maar een paar te noemen. Maar de dichter, die zich wellicht met deze man identificeert, is zijn metier niet vergeten en vooral niet de woorden waarmee hij het bedrijft. Daarom heeft hij het in de eerste verzen over ‘een scherpe kanteling / van licht op zijn geribde broek’. Zowel ‘scherp’ als ‘licht’ en een of andere lijn (‘geribd’) behoren tot het gekoesterde register van Piet Brak. De scherpte waarmee de dingen door het licht worden afgezoomd, omgeven of omcirkeld vormt een hoofdmotief, zo niet het hoofdmotief van zijn dichterlijke werk. Van de ontelbare voorbeelden citeer ik dit ene uit Stuifzandrug:  
 
En ik vraag mij af:
Waarom snijdt het licht zo pijnlijk
diep in een haag’
 
Brak verwondert zich over de scheidslijn tussen licht en schaduw, licht en landschap, licht en stilte. Zo is er in hetzelfde openingsgedicht sprake van ‘ontluisterende / stilte’. Dat kan een stilte zijn die je de behoefte om te luisteren ontneemt, maar natuurlijk ook een stilte die je geheel en al ontstelt of uit je lood slaat. Of een stilte die zo totaal of overweldigend is dat ze – letterlijk – onhoorbaar is geworden. In ieder geval heeft Brak zijn leven lang de vele varianten van de stilte beluisterd, betast, verkend. In ‘Verbeelding 2’ staat te lezen: ‘De man begrijpt niet / hoe de stilte ieder woord begrenst, / de omtrek rond haar betekenis’ (in Stuifzandrug). Over de stilte en hoe zij de dingen ‘begrenst’ is hij zich blijven verwonderen, ook in zijn latere gedichten. Zo heeft hij het in het tweede titelloze gedicht over ‘een sprong in de stilte, / dan een cirkel in de vijver / zonder woorden’. Volmaakte stilte neigt naar een ronde of ovale vorm, omdat zij alleen zo volkomen deel uitmaakt van de natuurlijke orde, zeker in metaforisch opzicht. In ‘Reis naar Engeland’ klinkt het:  
 
‘Het is bijzonder
je stem te horen
doorheen het gebladerte
van de stilte’.  
 
Stilte kan ook ritselen.
 
Een zintuiglijk ingesteld dichter als Piet Brak verbindt onophoudelijk het auditieve met het visuele, zoals hij ook volkomen los van elkaar staande feiten met elkaar verbindt. De dichter raapt het betekenisvolle en het onbetekenende samen en maakt van dat samenraapsel een poëtische afdruk. Het gedicht ‘1984’, dat ongewild aan George Orwell doet denken, is daar een mooie illustratie van:
 
‘Het was de dag waarop mijn moeder stierf:
ik was druk bezig in de keuken.
Het licht viel door een nauwe streep naar binnen.
 
Ik was gelukkig.
 
Een merel onder een boom vergat te zingen.
 
Ik was gelukkig.’
 
Het verbaast niet dat een ouder wordend dichter talloze herinneringen aan het verleden memoreert. Dat doet Brak dan ook herhaaldelijk, al behoedt hij zich ervoor te verglijden in gemakkelijk sentiment. Er huivert veel onuitgesproken innigheid in de karige woorden waarvan hij zich bedient, zoals in onderstaand gedicht waarin een vader, moeder en zoon in beeld worden gebracht. Het lijkt wel alsof alleen de contouren van hun aanwezigheid worden opgeroepen, alsof een teveel aan taal het beeld zou kunnen verstoren.
 
‘Zoon
(voor Karel H.)
 
Er is gelukkig geen wereld, geen woord
in zijn lichaam geslopen.
Hij geeft stilte een eigen vorm.
 
Hij loopt een ballon achterna
als naar zijn moeder.
Hij kijkt dikwijls naar de sterrenhemel
zoals vroeger zijn vader keek.
 
Het is de humor van een kind
dat in hem is blijven groeien.
 
Een zoon kan soms moeilijk
naar zijn moeder kijken.’
 
Ja, kijken, is dat een manier om door de buitenkant heen te dringen en iets van de binnenkant te zien? Of een manier om woordeloos in gesprek te treden met het landschap? Of nog, om iets van toen met iets van nu te vergelijken? In Braks gedichten is kijken – of een variant ervan – in ieder geval een vorm van aanwezigheid die woorden (bijna) overbodig maakt. Geen toeval dus dat het laatste gedicht van zijn bloemlezing ‘Woordloos gedicht’ heet, dat met de volgende losse verzen besluit: ‘Dit is een woordloos gedicht // om over dit alles te zwijgen’ (De omtrek van een gedicht). En evenmin een toeval dat in Een klein gesprek met de heer Waldenström deze verzen te lezen staan:  
 
‘Over de rand van de dingen:
 
kijkt men naar de verte,  
zo beklom je een eng landschap
tussen een tweebenige tuinladder.’
 
Braks gedichten voeren de lezer terug naar de rand van de dingen en dus ook naar de rand van de taal. In uitgepuurde beelden waarin ‘de verzamelwoede van het licht’ (De omtrek van een gedicht) overheerst, maar waarin ook het besef daagt dat elk moment van geluk de angel van verderf of ongeluk in zich draagt. Daarom eindigen bijna alle gedichten van Brak contrapuntisch of met een gedachte die de voorafgaande verzen in een verrassend perspectief plaatst. Het hiervoor geciteerde vadergedicht besluit aldus:  
 
‘Ik herken mijn vader niet meer: / ik wou hem daarom plotseling / pijn doen’. Ook ‘Flatscreen in Berchem’ biedt in de slotverzen een onverwachte omslag: ‘Plots denkt hij hierbij // hoe het lichaam van een vrouw / er in de middagzon uitziet / op een tropisch eiland’.
 
Een kort gesprek met de heer Waldenström in een open vlakte vervolledigt Braks oeuvre. De mysterieuze lange titel contrasteert opvallend met de veeleer korte gedichten die erin zijn opgenomen en het waarmerk dragen van een zekere wrangheid die ook in zijn eerdere bundels is aan te treffen. De aangrijpende, bijna paginagrote foto’s die elk gedicht begeleiden voegen een sfeervolle dimensie toe aan de verraderlijke lichtheid van zijn poëzie. Het zijn evenzovele uitnodigingen om als lezer vooral aandachtig te blijven kijken.
 
Piet Brak: Een kort gesprek met de heer Waldenström in een open vlakte, Fotogroep Cycloop, Sint-Niklaas 2019, 32 p. : ill. Distributie: ’t Oneindige Verhaal, Sint-Niklaas 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 8, OKTOBER 2021

Aria van professor Bentoné

Dirk Elst

Baron Bagge / Mona Lisa. Twee novellen

Alexander Lernet-Holenia

De gelukzalige jaren van tucht

Fleur Jaeggy

Gare du Nord. Belgische en Nederlandse kunstenaars in Parijs (1850-1950)

Eric Min

Het web van omtrek

Paul Demets

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 8, OKTOBER 2021

Brown girl dreaming

Jacqueline Woodson

De moestuin van Heer Hermelijn en Kereltje Konijn

Elle van Lieshout, Erik van Os, Marije Tolman (ill.)

De omhelzing

David Grossman, Michal Rovner (ill.)

Een tijger in je bed

Bibi Dumon Tak, Ingrid & Dieter Schubert (ill.)

Vluchtweg

Goedele Ghijsen

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri