Nederlands proza

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2020

Charlotte Van den Broek: Waagstukken

door Christophe Van Eecke

Bouwer, waarom schrijven wij?
 
Na twee erg gewaardeerde dichtbundels maakte Charlotte Van den Broeck met Waagstukken een prozadebuut, dat op twee maanden tijd door zes drukken raasde en zich tot De Wereld Draait Door Tip gekroond wist. Nu gunnen we iedereen zijn/haar succes, maar een dergelijke blootstelling aan gemediatiseerd succes is wel vaker de doodskus gebleken voor zowel het boek, dat nu een hype moet waarmaken, als voor de auteur, die zich in dit geval van beginnend dichter tot bestsellerauteur getransformeerd ziet. Het is een beetje als tegen een vers ontpopte vlinder zeggen dat ze nu elegant mag uitvliegen over de E40 richting Brussel. Op het middelste baanvak.
 
Poëtica van het falen
Misschien eerst en vooral even duidelijk stellen dat Van den Broeck met Waagstukken een origineel en eigenzinnig boek heeft geschreven in een vlotte en soms bedrieglijk toegankelijke journalistieke stijl, en goddank vrij van de dwangmatige zoektocht naar relevantie die zoveel hedendaagse literatuur zo tijdsgebonden en oninteressant maakt. In beginsel is het boek een reeks essays, in de human-intereststijl die we bijvoorbeeld kennen van Stijn Tormans’ werk voor Knack (en wanneer wordt dat inmiddels immense oeuvre eens fatsoenlijk gebundeld?), over architecten die zelfmoord pleegden nadat een van hun projecten op een mislukking uitdraaide. De vraag die Van den Broeck zoekt te beantwoorden, maar die in werkelijkheid talloze andere vragen dekt, is simpelweg wanneer een specifieke creatieve mislukking groot genoeg is om een volledig leven als mislukt te beschouwen.
 
In de praktijk wordt dat project al snel op zijsporen gevoerd. Het is helemaal niet zeker of alle betroffen architecten zelfmoord hebben gepleegd of, indien wel, dat het architecturale falen de directe of zelfs maar een relevante aanleiding was voor die ultieme daad. Bovendien gaan nogal wat van de hoofdstukken, die stuk voor stuk aan een specifieke architect en zijn (er is geen haar in dit boek buiten Van den Broeck zelf) mislukt bouwsel gewijd zijn, vooral over Van den Broeck zelf, en dan met name over haar fascinatie voor het onderwerp, haar zoektocht naar informatie, en de existentiële vragen die dit alles bij haar oproept. Als het een artistiek en existentieel waagstuk is om een gebouw te bouwen dat vervolgens de verantwoordelijkheid draagt om de wereld vorm te geven en mensen te herbergen (wat bijvoorbeeld in het geval van Crandall’s Knickerbocker Theatre van Reginald Geare slecht afloopt wanneer de constructie instort en een massaslachting veroorzaakt), dan blijkt al snel dat voor Van den Broeck iedere daad van (publieke) creativiteit een vergelijkbaar waagstuk is, en dit des te meer in een wereld waarin het kleine, het fragiele en het poëtische drastisch aan culturele relevantie hebben ingeboet.
 
Dat betekent dat achter de zoektocht naar het waarom van de zelfdoding bij gebouwenbouwers vooral ook de vraag schuilgaat waarom Van den Broeck zelf überhaupt zou schrijven. Er pleit immers nogal wat tegen die activiteit, niet het minst de bedrukkende wetenschap dat alles al gezegd is, en beter dan je het ooit zelf zou kunnen zeggen. Dat inzicht is niet nieuw. Hugo Claus liet zich ooit ontvallen dat het van nogal wat hybris getuigt om na Homeros en Shakespeare nog een letter op papier te durven zetten, en Harold Bloom bouwde zijn hele theorie van de anxiety of influence (mogelijk de theorie over intertekstualiteit die het dichtst van alle dergelijke theorieën staat bij hoe schrijvers feitelijk schrijven) rond de gedachte dat elke sterke dichter moet afrekenen met die bewonderde auteur(s) waarvan hij/zij denkt: ik wou dat ik geschreven had wat hij/zij heeft geschreven.
 
Misschien denkt Van den Broeck ons te misleiden omtrent haar eigen beïnvloedingsangst door over het falen van architecten te schrijven, maar het is al snel duidelijk dat ze zelfs zichzelf niet fopt: de terreur van het lege blad dat beschreven moet worden, en het waarom en waartoe van dat schrijven, zijn de rode draad doorheen haar bespiegelingen. Het siert haar dat zij deze demonische vraag (demonisch in de etymologische zin van de daemon die bezitneemt van de schrijver tijdens de creatieve daad) met open vizier aanschrijft: het maakt de achterliggende poëtica van haar boek pijnlijk zichtbaar.
 
Meesterwerken is een werkwoord
Als er één iets is dat Van den Broeck van haar mislukte architecten hoopt te leren, dan is het dus wel waarom zij zelf zou schrijven. De enormiteit van die vraag wordt duidelijk wanneer Van den Broeck tijdens haar relaas over de Weense Staatsopera (toen verguisd, nu bewonderd) het werk van Cyril Connolly aanhaalt, en met name diens vingerwijzing dat een schrijver (en bij uitbreiding elke kunstenaar) eigenlijk maar één taak heeft: een meesterwerk te creëren. Al de rest is ossenkak. Hoewel het idee van het meesterwerk, samen met de notie van genie, in onze postmoderne tijden (waarin iedereen een ster is en iedereen speciaal) aan cultureel kapitaal heeft ingeboet, weet elke creatieve geest die zijn gewicht in iets anders dan sneeuwvlokjes waard is, dat die stelling waar is. De meeste schrijvers worden vergeten, en als ze niet worden vergeten, dan is het nogal vaak omdat één meesterwerk wordt herinnerd. In een wereld die zwelgt in productie, en waarin zoveel productie ondanks de enorme hoeveelheid drek toch van enige kwaliteit pleegt te zijn, is enkel het meesterwerk voldoende. Natuurlijk moet je meesterwerk naderhand ook nog als dusdanig worden erkend, maar dat is een ander verhaal. In elk geval is de taak duidelijk: je moet als schrijver niet zozeer veel schrijven, je moet gewoon dat meesterwerk maken. Kwaliteit, niet kwantiteit.
 
Van den Broeck is in elk geval op het goede pad. Straks wordt ze dertig en ze heeft twee dichtbundels en één prozaboek op haar teller staan. Dat is precies goed. Maar ze is zich toch heel acuut bewust van de mindfuck die de meesterwerkkwestie met haar speelt, en het is een kracht van het boek dat zij zich bewust verzet tegen de postmoderne trend tot relativering. Wat als die reportages over dode architecten, die bespiegelingen over zin en onzin van het maken, niet haar meesterwerk zullen blijken te zijn? Waarom dan daaraan schrijven? Waarom die fantomen najagen? Voor Van den Broeck zijn dit geen vrijblijvende postmoderne vraagstukken die met een ironisch lachje kunnen worden weggeschreven. Doorheen het hele boek loopt de meta-lijn van de auteur die worstelt met het dilemma of ze dit boek zelf geboren moet laten worden of het blad maar beter onbeschreven laat. Het is echter ook pervers duidelijk dat de vraag of Waagstukken haar meesterwerk zal blijken te zijn, enkel kan worden beantwoord als het eenmaal geschreven is.
 
Waarom schrijven wij? Waarom zetten wij de pen op papier als we sowieso al vinden dat er al te veel van ons in de wereld is, en met name te veel dat er eigenlijk, achteraf beschouwd, weinig toe doet? Het is dit beeld van de kunstenaar als een soort Don Quichot dat Van den Broeck bevraagt in haar notities over de architecten die ermee kapten. Het is vast geen toeval dat het boek eindigt met een wonderlijk essay over Starr Gideon Kempf, die zijn hele creatieve leven wijdde aan het maken van een reeks enorme, maar volmaakt nutteloze sculpturen voor zijn eigen voortuin, begeesterd en bezeten van de wetenschap dat hij een genie was. Overtuigd zijn van je eigen genie: dat is de voornaamste eigenschap die je als kunstenaar moet hebben als je er ooit wilt toe doen. Daarzonder zal je immers nooit de gedrevenheid hebben om boven jezelf uit te stijgen en iets te maken dat telt.
 
Het heilige moeten
Dit soort idealisme (want dat is het) is ook de enige eigenschap die je vandaag niet meer mag hebben als je serieus wilt worden genomen. Kunstenaarschap is vandaag een beroep, de kunstenaar een creatieve ondernemer, zijn werkterrein de creatieve industrie. De kunstenaar was uiteraard altijd al een maker, dat is immers de essentie van wat hij/zij doet, maar het woord ‘maker’ heeft vandaag niet meer de fijne Aristotelische bijklank die het nog had in de tijd dat het woord ‘maker’ nog een geschiedenis had omdat ook de geschiedenis zelf er nog toe deed. Kunst als beroep, bekroond met de professionalisering van je bezigheden (een NV met je literaire naam erop), is vandaag het devies. Binnen dit in wezen rechts-liberale discours moet de kunstenaar relevant zijn binnen een zeer nauwe definitie van relevantie die vaak economisch, maar in elk geval kwantificeerbaar, of sociaal te recupereren moet zijn (in de academische wereld heet dit dan weer ‘valorisatie’ van het onderzoek, want godbetert dat je iets zou doen gewoon omdat het interessant is). Het heilige moeten mag niet meer.
 
Ter linkerzijde heeft men dit rechtse discours van antwoord gediend door er in grote mate in mee te gaan en het in de artistieke praktijk zelf in te bouwen. Sinds de jaren 1970 heeft de vernauwing van het kunstdiscours zich doorgezet in met name de conceptuele-, performance- en identiteitskunst, die nauw vervlochten zijn met dure cultuurtheorie die de ‘relevantie’ van een en ander garandeert binnen de intellectuele kringen die ertoe doen. Een selecte kliek ‘kritische denkers’, allen steeds van gegarandeerd radicale signatuur, heeft een theoretische navel gecreëerd waar alles omheen wordt geacht te draaien. Dat vertaalt zich opnieuw in de professionalisering van het kunstbedrijf, maar deze keer aangestuurd door een besloten elite van culturele gatekeepers en marketeers die in ons aller naam selecteren wat het waard is getoond/gelezen te worden. Het is vaak een wereldje van ons-kent-ons, en wat buiten die kringen wordt gehouden, is bij definitie niet mee en mag je schamper bejegenen. Incestueus gekweekte ‘kritische’ ideeën, die als vergulde amuse-gueules over cultuurtongen gaan, gelden als exclusieve pasmunt in dit rijk der uitmuntendheid. Ideeën over inspiratie, talent of genie worden weggezet als romantische fabelen, of ze krijgen in elk geval een nieuwe naam die bij voorkeur genderneutraal, politiek correct, en perfect meetbaar langs heldere lijnen is. En probeer in godsnaam toch niet ook echt ergens voor te staan.
 
De kunstenaar, schrijver of dichter die voelt dat hij/zij iets moet maken omdat het moet, en dan nog een meesterwerk, weet zich gevangen tussen de onherbergzame kusten van die twee discours, die hem/haar geen van beiden bieden wat hij/zij nodig heeft. Die clash, en de ontreddering die ze met zich meebrengt, zet Van den Broeck heel scherp op papier wanneer ze in Washington DC het American Poetry Museum and Center for Poetic Thought bezoekt (een centrum waarvan de naam alleen al schreeuwt: niet meer van deze tijd!) en daar met een oudere dichter pijnlijke platitudes uitwisselt over het belang van poëzie. ‘Dichters kunnen het belang van de poëzie erg goed verwoorden,’ schrijft Van den Broeck met enig sarcasme (of is het gelaten berusting?), ‘ze zijn er bedreven in, omdat ze het zo vaak moeten verdedigen.’ Maar de verdediging klinkt hol en leeg, en wordt alleen geformuleerd omdat de dichters het ‘aan ons vak verplicht’ zijn. De verdediging is immers zelf het ultieme verraad omdat ze de poëzie genadeloos in het liberale kader plaatst waar ze bij definitie haaks op staat. De verdediging moet (van de markt, van de minister, van de cultuurpausen), maar het moeten ontheiligt.
 
De oude dichter vertelt dat hij jarenlang niets heeft geschreven omdat hij vond dat hij niets te melden had. ‘Je mag nooit schrijven als je niets te zeggen hebt,’ vertrouwt hij de jonge Vlaamse dichteres toe. Maar dat wordt natuurlijk moeilijk als de kunstenaar als ondernemer een portfolio moet kunnen voorleggen dat return on investment belooft voor de publieke gelden die hem/haar nog net het brood in de mond houden. Op zo’n moment is zo’n DWDD Tip-sticker natuurlijk een godsgeschenk, of in elk geval een meevaller voor de publieke relaties van het creatieve bedrijf. Helaas afficheert het vooral ook wat je boek niet is: een hip hapklaar ding voor op het strand.
 
Envoi: hoe sterk is de eenzame zwemmer?
Doorheen het boek verwijst Van den Broeck regelmatig naar haar precaire financiële situatie, waarbij het water haar vaker wel dan niet aan de spreekwoordelijke lippen staat. Aan het einde van het boek beeldt ze zich in dat ze verdrinkt in het opstijgende regenwater in de kelder van Kempfs huis, waar zijn laatste onvoltooide sculptuur nog ligt te wachten op haar publieke leven. De auteur maakt hier de cirkel van Waagstukken rond. In het eerste hoofdstuk vertelde ze immers het bizarre verhaal van het gedoemde zwembad van Turnhout, haar thuisstad, dat langzaam in het onderliggende moeras wegzonk. Dat verhaal krijgt, op het einde van Van den Broecks dialoog met verschillende dode architecten, nog duidelijker dan voorheen een allegorische lading. De dichter die verdrinkt in het waarom van het dichten, en die dacht dat architecten, zij die stevige bouwwerken bouwen, haar in hun falen misschien iets konden leren over de fundamenten van het waarom en het waartoe van haar eigen daden: ze heeft fantomen nagejaagd. Het antwoord blijft uit.
 
‘Nu is alles nieuw,’ schrijft Van den Broeck wanneer ze door een ondergesneeuwd Washington DC rijdt, ‘en het staat me helder voor de geest dat het veel zinvoller is om het allemaal niet te vertellen, om het uit te wissen.’
 
Charlotte Van den Broeck: Waagstukken, De Arbeiderspers, Amsterdam 2019, 288p. ISBN 9789029539661. Distributie L&M Books

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2020

De hemel boven Lima

Juan Gómez Bárcena

Fantastische nacht en andere verhalen

Stefan Zweig

Houthakken

Thomas Bernhard

Toch. Nagelaten werk

Armando

Waagstukken

Charlotte Van den Broek

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 1, JANUARI 2020

ABZzz... Een slaapverwekkend alfabet

Isabel Minhós Martins, Yara Kono (ill.)

Aladdin

Sjoerd Kuyper (bew.), Sylvia Weve e.a. (ill.)

Het vuur in mij

Erin Stewart

Meisjes en kunst. De 50 meest vernieuwende vrouwelijke kunstenaars wereldwijd

Rachel Ignotofsky

Niemand ziet het

Dolf Verroen, Charlotte Dematons (ill.)

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri