Vertaald proza

BOEKEN NR. 4, APRIL 2020

Louis-Ferdinand Céline: Reis naar het einde van de nacht

door Jan Baes

Leugen en bedrog, en het woord als werktuig

Een mooie heruitgave, deze Reis naar het einde van de nacht van Louis-Ferdinand Céline (1894-1961), een boek waarvan iedereen de Franse titel en de naam van de schrijver kent, omdat het bij het verschijnen in 1932 al een keerpunt bleek te zijn in de wereldliteratuur. Een roman die meteen maatgevend was, in die zin dat hij, zoals nooit tevoren en met ongekende intensiteit, de temperatuur meet van de koortsige waanzin waarin de wereld na en mede door de Eerste Wereldoorlog is terechtgekomen.

Natuurlijk werd de Grote Oorlog in al zijn gruwel reeds beschreven door auteurs als Erich Maria Remarque en Roland Dorgelès, maar nooit met zulke haat en razernij tegen alles wat de mens neerhaalt: de verschrikkingen van de strijd, de stupiditeit en de onzinnigheid van de slachtingen, het oververhitte en schijnheilige patriottisme, het stuitende profitariaat van bedrijfsleiders en ondernemers, de onverschilligheid van de zelfvoldane legertop, die op veilige afstand toekijkt.

De oorlog is echter alleen maar een aanleiding en de roman richt zijn pijlen vooral op het leven nadien. Het stelt het schandaal aan de kaak van de ongelijkheid en duidt het verband tussen uitbuiting en armoede, het hekelt valse moraal en stompzinnige taboes, verslavende religies en beloften spuiende ideologieën, die aan de voorkant het heil prediken maar aan de achterkant de goedgelovigen en onwetenden een mes in de rug planten. Het boek klaagt alles aan wat de mens onterecht doet lijden, maar ontziet ook het slachtoffer niet. Als die een voordeeltje wordt voorgehouden zal hij immers wat al te graag een handje lenen.

Voor Céline hebben we allen boter op het hoofd. Gebrek aan inzicht, gebrek aan solidariteit, gebrek aan moraal, gebrek aan mededogen: we lijden er allen aan. We hebben allemaal onze egoïstische, valse en wrede kantjes. We zijn allen op zijn tijd ijdel en leugenachtig, schijnheilig en onverschillig, wreed en meedogenloos. In Reis naar het einde van de nacht zijn beulen en slachtoffers inwisselbaar. Wat niet niet alleen geldt voor de personages, maar, zoals we nu weten, ook voor Céline zelf.

Tot zover de boodschap, of liever, de teneur van dit boek dat, bij monde van hoofdpersoon Bardamu een zoektocht beschrijft (een reis, een queeste, een werdegang) naar de zin van het leven en waarin tenslotte alleen maar de zinloosheid en het absurde van het bestaan overblijven.

Zoals het met de meeste klassieke werken gaat, wordt ook dit meesterwerk steeds minder gelezen. Ieder heeft ervan gehoord, erover gelezen en de boodschap is duidelijk genoeg om ons te beperken tot een samenvatting of een stripversie. Onterecht want ook deze klassieker is totaal actueel. Alleen al door de woede die eruit spreekt en die ons beter dan wat ook doet begrijpen wat iemand als Greta Thunberg bezielt en waarom ze ons met recht en reden de mantel uitveegt.

Een doorgedreven lectuur zal de immense rijkdom van Céline's debuutroman pas echt duidelijk maken. De veelheid aan thema's, het aantal bijzondere en beklijvende personages. Zoals de voortdurend opduikende Léon Robinson, een drenkeling zoals Ferdinand Bardamu, maar ook diens spiegelbeeld, zijn alter ego, maar die in tegenstelling tot de hoofdpersoon het prototype is van de amorele mens. Want waar Bardamu, al is het tegen beter weten in, moreel bekommerd blijft, draait Robinson zijn hand niet om om schurkenstreken uit te halen. Zo zal hij in Parijs de beter gesitueerde ouders van gesneuvelde of vermiste soldaten opzoeken en voorgeven dat hij hun zoons de heldendood heeft zien sterven. Hij wordt in de armen gesloten en vertrekt, na een heerlijke maaltijd, met wat goudfranken die hij meteen aan vrouwen zal spenderen. Robinson, een man zonder enige moraal, zonder enige illusie of andere ethische bekommernissen. Slachtoffer en schurk tegelijk. Iemand die de reis naar het einde van de nacht echt zal voltooien. Zijn sterfscène is een van de meest beklijvende uit de literatuur.

Een systematisch ondergesneeuwd aspect van de roman is de humor die het ganse palet bestrijkt, die van ironie naar spot huppelt, satirisch van inzet is en sarcastisch van toon, om beurten tragikomisch, hilarisch, absurd en burlesk. In feite is er geen enkele bladzijde waar je niet om moet of kunt lachen, ook als dat lachen je soms direct vergaat. Neem nu de amoureuze relatie van een tijdelijk in Parijs gehospitaliseerde Bardamu met de naïeve Amerikaanse vrijwilligster Lola die met zijn hulp appelbeignets zal laten bakken en aan de gekwetsen en de verminkten laat bezorgen of geniet van zijn verblijf in Amerika waar hij op Ellis eiland als vlooienteller aan het werk gaat of in de ondergrondse van New York het 'vrolijke communisme' van de herentoiletten ervaart. Absurde toneelstukjes in een gedeshumaniseerde Nieuwe Wereld, verteld in een stijl die we niet veel later in het theater van Arrabal, Beckett en Ionesco zullen terugvinden.

Uiterst pijnlijke humor ook die de dieptragische kanten blootlegt van armoede en gebrek in Rancy, een proletarische voorstad van Parijs, waar Bardamu als arts met de moed der wanhoop een niet te lenigen nood te lijf gaat. Hoofdstukken die mede gebaseerd zijn op de eigen ervaringen van de arts Louis Ferdinand Destouches (Céline), en die een directe inspiratie waren voor het vroege werk van Louis-Paul Boon. Een vunzige wereld (in het Frans ook wel ‘Cour des miracles’ genoemd) die tot dan toe nooit zo intens en van zo nabij werd beschreven. Waar niets onbesproken blijft, van onverdraaglijke kindermishandeling tot aan het creperen na een mislukte abortus toe.

De voorstad is ook het toneel waar een van de zeldzaam genereuze figuren van de roman optreedt: Bébert, een manmoedig jongetje dat zonder wrok zal sterven aan tyfus. Het bewijst dat de grondhouding in de roman er toch een is van mededogen en begrip, maar dat de blik op de werkelijkheid het niet toelaat om geloof te hechten aan verbetering. Eenzelfde gevoel herkent Bardamu als hij in een Afrikaanse kolonie kennis maakt met sergeant Alcide, de enige belangeloze mens in deze brutale en racistische wereld. Een eenvoudige man (‘Un coeur simple’) die onvoorwaardelijk de zorg heeft opgenomen voor het dochtertje van zijn overleden broer en schoonzus in Frankrijk. Of speelt ook mee tijdens de wat povere liefdesrelatie van Bardamu met het hoertje Molly wanneer hij zich uitput aan de lopende band in de Fordfabrieken van Detroit. Ze zal hem zijn afhaken en verdwijnen nooit verwijten. Het zijn zeldzaam authentieke figuren die door hun begrip en oprechte liefde even licht doen schijnen in een voor de rest pikdonkere wereld. Een wereld waar iedereen door iedereen wordt uitgebuit en bedrogen een spel waaraan wijzelf graag meedoen. Continu bedrogen en gemanipuleerd, leren we immers al gauw hoe zelf te bedriegen en te manipuleren.

Het boek is in feite één grote aanklacht tegen die georganiseerde leugen, die, na de ontnuchtering die volgde op de Grote Oorlog, volgens Céline, voor ieder overduidelijk moest zijn. Jammer genoeg was alles binnen de kortste keren business as usual, had de mensheid niets geleerd en liepen we, als gevolg daarvan, blindelings op een tweede, nog verschrikkelijker conflict af.

De verontrustende ontwikkeling die Céline in die late jaren dertig zou doormaken is op die ontgoocheling terug te brengen. Een nieuwe oorlog met onnoemelijk lijden tot gevolg zou onvermijdelijk zijn als men zich niet op tijd bezinde, Dat vooruitzicht, samen met de gevolgen van zijn oorlogsverwondingen en het reële trauma dat hij in de gevechten om Poelkapelle had opgelopen, maakte dat hij - enigszins paranoïde - ten prooi zou vallen aan zelfbegoocheling en meende op zoek te moeten gaan naar de oorzaken van het verschrikkelijke gevaar dat de mensheid bedreigde. Een zondebok bleek al gauw gevonden in de persoon van de Jood.

En dat terwijl de schrijver Céline in zijn Reis naar het einde van de nacht dit onuitroeibare verschijnsel op magistrale wijze had gewraakt. Op weg naar Afrika dreigt Bardamu immers over boord te worden gekiept omdat zijn medepassagiers hem van alle complotten verdenken. Hij ontsnapt maar ternauwernood aan hun woede en wraakzucht. Of hoe de mens Céline in de val kon trappen waarvoor hij als luciede schrijver zo duidelijk had gewaarschuwd. Leugen en bedrog dus als een van de belangrijkste oorzaken van de menselijke ellende. Met het woord als werktuig. ‘De taal als eerste wapen in de strijd tegen de waarheid’, zoals Bardamu zou zeggen. Woorden die nog het best de leugen kunnen vervoeren en zoals Céline ze zelf, weinige jaren later, in zijn beruchte antisemitische pamfletten zou gaan gebruiken.

In de Reis naar het einde van de nacht is daar, zoals gezegd, geen sprake van. Het boek is immers de meest verbeten aanklacht ooit tegen de maatschappelijke hypocrisie en uitbuiting geschreven. Tegen profiteurs en valse profeten, tegen ziende blinden en horende doven. Het rukt maskers af, ook en vooral degene die we onszelf hebben opgezet. We kunnen problemen hebben met het erg pessimistische mensbeeld dat uit dit boek spreekt, maar de werkelijkheid die hij ons voorlegt, is maar al te waar. Kijken we maar naar de ellende in Syrië, om maar iets te noemen. Niet de spiegel die hij ons voorhoudt is vervormd. Hij toont ons hoe vervormd en mismaakt de wereld zelf is. Hij confronteert ons met de vraag of de mens wel geschikt is om met anderen te leven. En als we dat al doen, omdat we nu eenmaal sociale dieren zijn, is het dan niet eerder uit vrees voor elkaar dan uit het verlangen om samen iets tot stand te brengen?

Het schot dat Céline op de samenleving afvuurt is bedoeld om ons wakker te schudden. Het is misschien maar een schampschot, maar we horen er nog altijd de oprechte verontwaardiging in om het lijden dat de mens wordt aangedaan en zichzelf aandoet. We lezen begrip en bewondering voor de belangeloze inzet van sommigen. En het verdriet om de kansen die we vergooien.

Is, alles welbeschouwd, de levensweg die in de Reis naar het einde van de nacht beschreven wordt, in casu die van Bardamu, dan geen heiligenleven? Het leven van een man met een roeping, Figuurlijk in zijn rol als armendokter, letterlijk als een roepende in de woestijn, een onwillige profeet. Een heiligenleven dus, maar dan van een leven waarin de hoofdpersoon, met vallen en opstaan, en ondanks alle tegenwerking die hij bij anderen en bij zichzelf ervaart, de noodzaak blijft voelen om, met een beperkte vrijheid en ontoereikende middelen, toch verantwoordelijkheid op te nemen. Ook al heeft hij er absoluut geen zin is.

Louis-Ferdinand Céline: Reis naar het einde van de nacht, Athenaeum, Polak & van Gennep, Amsterdam 2020, 532 p. ISBN 9789025309145. Vertaling van Voyage au bout de la nuit door E.Y. Kummer. Distributie L&M Books

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri