Vertaald proza

BOEKEN NR. 4, APRIL 2020

Gabriel Josipovicy: Tegenlicht. Een drieluik naar Pierre Bonnard

door Kris Velter

Over de ontoereikendheid van taal

Na dertig jaar prachtige en mooi verzorgde boeken te hebben uitgegeven, verscheen in 2013 de laatste titel van de legendarische uitgeverij Coppens & Frenks. De mensen achter de spiksplinternieuwe uitgeverij Kievenaar willen, als ‘stiefkinderen’, expliciet boeken uitgeven in de traditie van Coppens & Frenks. Dat betekent dat er romans en enkele poëziebundels zullen verschijnen die van grote literaire kwaliteit zijn en tegen de stroom in gaan. Op de website van Kievenaar staat dat boeken ‘van vreemde vogels van onvaste bodem’ zullen worden uitgegeven, dat zinnen ook twee of zelfs drie keer kunnen worden gelezen, dat boeken als ‘moeilijk veroverbare geliefden’ zouden moeten worden beschouwd. De lat wordt hoog gelegd. Dat schept verwachtingen.
 
Meteen wordt een nieuwe auteur geïntroduceerd in het Nederlandse taalgebied: de modernist Gabriel Josipovici (°1940). Hij is geboren in Nice maar is opgegroeid in Egypte, waar hij studeerde aan het Victoria College van Caïro. Hij zette zijn middelbare studies verder in Groot-Brittannië en studeerde later Engels in Oxford. Hij was van 1963 tot 1998 verbonden aan de University of Sussex in Brighton. Josipovici is auteur van vele romans, drie bundels korte verhalen, toneelstukken en essays over literatuur, muziek en beeldende kunst. Hij schrijft regelmatig voor Times Literary Supplement. Zijn oeuvre is lange tijd genegeerd maar kan momenteel op een groeiende interesse rekenen dankzij vertalingen in enkele Europese talen. Josipovici zelf vergelijkt zijn werk met grote modernistische auteurs en beeldend kunstenaars als Kafka, Beckett, Duchamp, Picassso.
 
Tegenlicht is een boek dat is gebaseerd op het leven van de eigenzinnige Franse schilder Pierre Bonnard en is misschien Josipovici’s meest toegankelijke roman. Het is geen geromantiseerde biografie zoals Irvine D. Yalom schrijft over Nietzsche of Schopenhauer. Het is fictie, verzonnen, fantasie. Een roman dus. Op de website van uitgeverij Kievenaar zegt Josipovici in een interview dat hij een roman wou schrijven ‘gebaseerd op de relatie van Bonnard met zijn echtgenote’, en dus niet een ‘roman over Bonnard'. ‘[Ik] wilde vrij zijn om van die relatie en van de schilder Bonnard te kunnen gebruiken wat ik wilde en de rest te kunnen negeren.’
 
Het eerste luik wordt geschreven vanuit het standpunt van de dochter van het koppel. Het is een donkere en harde aanklacht. Meedogenlozer dan Brief an den Vater van Kafka. De dochter spreekt in een monoloog afwisselend tegen haar moeder en vader. Ze verwijt hen dat ze nooit gewenst is geweest, genegeerd werd, weggestuurd naar een kostschool. Er is zware mentale schade toegebracht. De aanwezigheid van de ouders dreigt haar te stikken. De moeder lijdt aan smetvrees en sluit zich meer en meer op in de badkamer, waar ze eindeloze baden neemt, tot onbegrip van de dochter. Volgens haar vader is haar moeder ongelukkig. Het kind weet niet wat ongelukkig zijn betekent.
 
Het verhaal wordt mooi opgebouwd, met herhalingen, met steeds sterkere formuleringen. De lezer krijgt het beeld van een aarzelende vrouw die telkens haar woorden aanpast om iets beter te kunnen vertellen: ‘Toen je me verstootte heb je voor ieder van ons de mogelijkheid teniet gedaan gezinslid te zijn. Verstoten is niet het goede woord. Het is te actief. Het doet denken aan vuur en getrokken zwaarden. Sinds je me verlaten hebt is misschien beter.’ Dat woord ‘misschien’ komt ook voortdurend in de roman voor. Het is een teken van twijfel, van het besef van het onvolmaakte, van een zekere relativiteit, van de deemoedige erkenning dat het ‘begrijpen’ een altijd durend proces is. ‘Misschien was het geen schuld wat je voelde, maar angst.’
 
Josipovici schrijft niet enkel een roman over de verhouding tussen mensen, maar vooral een roman over het falen van communicatie. De dochter zou graag zien dat een gesprek weer mogelijk wordt, of voor het eerst mogelijk wordt. Een scène waarbij de dochter haar moeder in bad ziet zitten terwijl haar vader haar, de moeder, tekent, is een terugkerend fragment en houdt verband met de onmogelijkheid van het spreken: ‘Was het vanaf dat moment dat het onmogelijk werd om met je te praten? Of, in feite, met hem? Is er toen in die met stoom gevulde ruimte iets gebeurd wat elke normale verstandhouding tussen ons onmogelijk maakte?’ Er is sprake van ‘wanhoop die communicatie met anderen onmogelijk maakte.’ Praten is voor de dochter niet meer aan de orde, enkel het stamelen van korte zinnetjes, ‘en als het iets meer voorstelt, zijn het banaliteiten, clichés, de dingen die iedereen zegt en niet wat ik jou wil zeggen, niet de uitdrukking van wat ik werkelijk voel en je zou willen laten weten.’
 
Ook de vader wordt een gebrek aan communicatie verweten. De schilder wordt neergezet als een eenzelvig man, voortdurend bezig met zijn kunst of zwijgzaam uit het raam starend, voor niemand aanwezig, ‘gereserveerd, ironisch, alsof hij zich bewust was van de beperking van communicatie, van expressie, en daar eerder van hield.’ ‘”Ik heb niks te zeggen,” zei hij een keer tegen mij. “Er is niets dat ik de wereld wil opleggen. […] Toch moet ik werken. Ik kan er niet mee ophouden.”’ Soms is Wittgenstein niet ver weg. De vader zegt: ‘”Voor wat gezegd moet worden bestaan geen woorden.”’
 
Josipovici lijkt nog een stap verder te gaan. Niet enkel is er binnen de roman sprake van een talig conflict, misschien is de werkelijkheid op zich een talig construct en dus in hoge mate onbegrijpelijk: ‘Misschien is dat de ware aard van taal, het besef van haar eigen ontoereikendheid. Zodat het voortdurend gevoel van kinderen dat ze zich niet kunnen uitdrukken helemaal de schuld van hun ouders niet is maar simpelweg een van de bepalingen van de wereld.’ Waarmee het filosofisch modernisme ten dele wordt overstegen.
 
Het tweede deel van de roman, het tweede deel van het drieluik, wordt geschreven vanuit het standpunt van de moeder. Hier komt de lezer tot het inzicht dat zij de centrale as is waarrond het verhaal draait. Net als de dochter, worstelt de moeder met het vraagstuk van de schuld. Er is sprake van verkeerde communicatie, verwijten, onduidelijkheden. Aanwezigheid en afwezigheid lopen in elkaar over. Het is niet meer duidelijkheid wat de werkelijkheid is en of ze überhaupt kan bestaan. Het laatste luik lezen we vanuit het standpunt van de schilder, het bestaat uit een enkele brief, gebaseerd op de briefwisseling tussen Pierre Bonnard en Henri Matisse.
 
De schilder Pierre Bonnard leefde net als de schilder uit de roman een teruggetrokken bestaan samen met zijn vrouw Marthe. Zij leed aan tuberculose langyritis waardoor ze veel moest baden. Ook leed ze aan smetvrees waardoor ze nog meer ging baden. Het latere werk van Bonnard bestaat uit naakten van zijn vrouw in de badkamer, met onder andere een schilderij dat de titel Naakt in tegenlicht (Nu à contre-jour) kreeg. Op de voorplat van de Engelse paperback, uitgegeven bij Carcanet Press Ltd, staat het schilderij in kwestie.
 
Tegenlicht. Een drieluik naar Pierre Bonnard is van een zeldzame schoonheid, geschreven in voorzichtig en spaarzaam proza dat niettemin vol intensiteit en energie zit. Na het lezen ervan, begrijp de lezer dat het motto van de roman, een citaat van Pierre Bonnard, niet enkel betrekking heeft op de schilderkunst, maar ook op de roman Tegenlicht zelf: ‘Er is een formule die perfect past bij het schilderen: talloze kleine leugentjes veroorzaken samen één grote waarheid.’ Indien uitgeverij Kievenaar op dit niveau verder gaat, dan herhaalt zich de geschiedenis van Coppens & Frenks: de lezer kijkt uit naar het verschijnen van elke nieuwe titel. Want Tegenlicht is steengoed.  
 
Gabriel Josipovici: Tegenlicht. Een drieluik naar Pierre Bonnard, Kievenaar, Heveadorp 2020, 173 p. Vertaling van Contre-jour. A triptych after Pierre Bonnard door Eva van Oudshoorn. ISBN 9789083046709


deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri