Nederlands proza

BOEKEN NR. 5, MEI 2020

Luuk Gruwez: Het land van de handen

door Jo Vanderwegen

Het land van de handen, dat is voor Vlaams dichter en essayist Luuk Gruwez (1953) zijn land van herkomst, het westen van Vlaanderen, met Kortrijk en vooral Deerlijk als centrale punten. Zijn jongste verzameling van brieven, gedachten en herinneringen getuigen van een steeds sterker wordend gevoel van heimwee naar de streek waar arbeid en geld verdienen hoog in het vaandel gevoerd worden. Het is de tegenhanger van de streek waar hij in de jaren zeventig terecht gekomen is – het oosten van Vlaanderen, of Het land van de wangen, zoals hij zijn nieuwe woonplaats (Hasselt) wel noemde. Het is tevens de pendant van die vorige uitgave in de reeks privé-domein, reeds uitgekomen in 1998. Net zoals toen, bevat dit boek ook een korte lijst annotaties over personages in het boek en een illustratief katern met zwart-witfoto’s van de auteur en zijn genoten.
 
Ouder geworden, haalt Gruwez herinneringen op aan zijn jeugd, want, zoals Gruwez de Franse zanger Jean Ferrat citeert: ‘Nul ne guérit de son enfance’. Het huis waarin hij resideert in Hasselt noemt Gruwez in het boek dan ook Huize Sehnsucht. De schrijver beseft dat ook die herinneringen vervagen, ‘soms langzaam, soms snel’. Met Het land van de handen heeft hij een poging tot bewaring gedaan en een voorlopig orgelpunt gezet achter een veelbekroond oeuvre, gaande van zijn debuut Stofzuigergedichten (1973), over zijn samenwerking met compagnon Eriek Verpale (Onder vier Ogen en Siamees Dagboek, 1992), tot zijn laatste poëziebundel Bakermat (2018).
 
Het land van de handen doet tevens denken aan Ik wil de hemel en ik wil de straat, waarin Gruwez, naast essays en besprekingen, ook brieven opneemt. Het grote verschil is echter dat in Ik wil de hemel en ik wil de straat de focus ligt op poëzie en zijn rol als recensent (voor diverse kranten en weekbladen), daar waar Het land van de handen veel breder gaat. Naast dichtkunst zijn hier ook vriendschap, dood en religie belangrijke thema’s.
 
Want ondanks het feit dat – na een door en door katholieke opvoeding – de auteur van zijn geloof stapte, wordt hij nog steeds gefascineerd door wat datzelfde geloof met een mens kan doen. Zo gaat hij graag met zijn vrouw op bezoek bij zijn jeugdvriend Godfried, die abt geworden is in de priorij van Westvleteren. Ook opmerkelijk is dat het corpus van het boek ingeklemd zit tussen een ‘introïtus’ en een ‘benedictio’ – begin- en eind van een katholieke mis. Dat corpus bestaat uit nauwgezet weergegeven dromen, brieven aan schrijvers als Benno Barnard en Hester Knibbe, reisverslagen (op lezingenreis naar Mexico, diverse malen voor ontspanning naar Griekenland) en overdenkingen over vandaag en gisteren. Zo is er de overpeinzing over hoe hij in de klas les kreeg over L’albatros, het beroemde gedicht van Charles Baudelaire, maar tegelijk zijn er bedenkingen bij de manier waarop zijn vriendschap met Eriek Verpale eindigde, of over hoe hij zijn kameraadschap met Paul van Nevel ervaart.  
 
De gezamenlijke vakanties met Miriam Van hee en Hester Knibbe (en hun partners) in Frankrijk, de nauwe contacten die hij er heeft met de oorspronkelijke bewoners: het komt allemaal voorbij, alsof we voor de tijd die het duurt als een vlinder meeleven in het hoofd van Luuk Gruwez. In de beschrijving van dit alles toont hij zich gevoelig, soms angstig (hij blijkt ruim een jaar lang gebukt te zijn gegaan onder een depressie), maar bovenal eerlijk in zijn emoties. Zo treedt hij op zeker ogenblik in contact met de voor moord veroordeelde Andras Pandy, nadat die aan Luuk Gruwez een brief schrijft waarin hij hem terecht wijst over een gedicht dat aan hem (Pandy zelf dus, voor alle duidelijkheid) gewijd was. Daarbij geeft de Hongaarse dominee blijk van kennis van de rest van het oeuvre van Gruwez, en vraagt hij hem een roman aan hem te wijden, à la Arthur & George van Julian Barnes. Een briefwisseling tussen beide mannen ontstaat; Luuk Gruwez bezoekt hem in de gevangenis Leuven-Centraal, niet zonder in zijn memoriaal zijn gevoelens van afschuw over de misdaden van Pandy te benadrukken.
 
De dood is dus nadrukkelijk aanwezig in Het land van de handen – er is Anna, dochter van Benno, en ook zijn vriend Rob; zijn vroegere buurvrouw Lisette, de hond Malu en de Vlaamse reus Oblomov de Eerste waarop hij meermaals op passen moest – de lijst is lang en ontlokt hem de vraag hoelang zíj (Luuk Gruwez en zijn vrouw Totje) nog blijven mogen, ‘desnoods gekrompen en gekromd’. Hoe donker de gedachten ook zijn, ze zijn bij Luuk Gruwez steeds stilistisch goed vormgegeven, ook al lijken ze uit de losse pols geschud. Ze ademen eenzelfde hang naar romantiek als veel van zijn gedichten, en ook de lichte humor in de vorm van zelfironie herkennen we uit eerder werk. Brieven, gedachten en herinneringen vormen één geheel, de woorden stuwen de lezer voort naar de laatste pagina, waarna die verweesd achterblijft, zich afvragend of er nu echt geen dichtbundel van de hand van Luuk Gruwez meer zal komen.
 
Luuk Gruwez: Het land van de handen, De Arbeiderspers, Amsterdam 2020, 472 p. ISBN 9789029528542. Distributie L&M Books 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 6, JUNI 2020

Alleen de bergen zijn mijn vrienden

Behrouz Boochani

Autobiografie van een lijk en andere verhalen

Sigizmoend Krzjizjanovski

De straffeloze

Huub Beurskens

De zwarte klok

Paulus Hochgatterer

Tegendraads

Mia Doornaert

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2020

De gemene moord op Muggemietje

Ted van Lieshout

De vuurvogel

Bette Westera, Djenné Fila (ill.)

Het fortuin van Fausto. Een fabel verbeeld

Oliver Jeffers

Oorlog in inkt

Annemarie van den Brink, Suzanne Wouda, Steef Liefting (ill.)

Patrick

Annelies Verbeke

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri