Non-fictie

BOEKEN NR. 5, MEI 2020

Nicoline van der Sijs: 15 eeuwen Nederlandse taal

door Carl De Strycker

Bij het lezen van 15 eeuwen Nederlandse taal van Nicole van der Sijs werd ik twintig jaar in de tijd teruggeflitst, meer bepaald naar de cursus historische taalkunde. Vooraan stond een prof die formules orakelde waardoor woordjes uit de gereconstrueerde oertaal Indo-Europees via het Sanskriet – een cursus die we niet hadden – tot Germaanse en uiteindelijk Nederlandse woorden werden. Klankwetten en -veranderingen, verspringingen van letters om de uitspraak te vergemakkelijken, verdoffing van heldere klinkers, het naamvallensysteem: we kenden alle regeltjes, maar het examen bestond slechts uit… toepassingen! We kregen een onherkenbare wortel, iets als *bʰéroh₂, en moesten daarvan een hedendaags woord afleiden.  
 
Ik ben zelden met een slechter gevoel van een examen huiswaarts gekeerd en ik heb toen al mijn interesse verloren voor een in wezen fascinerende materie. Nee, dan les te krijgen van Nicoline van der Sijs! Haar boek is die cursus historische taalkunde, zij het niet als hocus pocus gepresenteerd, maar systematisch, met zeer veel sprekende voorbeelden en een aantal heldere principes, en gekaderd binnen de socio-economische context. Ik heb de cursus die aan mij voorbij gegaan was en die ik uit mijn geheugen had gewist, dankzij dit boek mogen inhalen.
 
Van der Sijs begint ook bij het Indo-Europees, de taal waarvan geen sporen zijn gevonden omdat er toen nog geen schrift bestond, maar waarvan wetenschappers uitgaan dat ze de gezamenlijke oorsprong van onder andere de Europese talen is. Op basis daarvan kan je overeenkomsten zien tussen woorden en systemen in bijvoorbeeld het Frans en het Duits of het Grieks en het Roemeens. Daaruit ontstond het Germaans, waaruit zich later de Germaanse talen (Duits, Nederlands, Engels, Fries, Zweeds, Noors…) ontwikkelden. Van der Sijs maakt duidelijk dat taalontwikkeling altijd te maken heeft met migratie: van de stammen in de prehistorie die over Europa uitzwermden over de invloed via taalcontact door handel of inwijking in de Gouden Eeuw tot op vandaag, waarbij sporen van de taal van de nieuwkomers in het hedendaagse Nederlands sluipen. Op die manier is taalverandering geen louter taalkundig probleem, maar een maatschappelijk fenomeen.
 
Vervolgens concentreert ze zich op de ontwikkeling van het Nederlands dat zich via het Oudnederlands (vooral gekenmerkt door zijn heldere klinkers, vgl. ‘hebban olla vogala’) via het Middelnederlands, waarin een aantal principes die tot op heden gelden (’t kofschip!) zichtbaar worden tot de ontwikkeling van een standaardtaal in de 16de en 17de eeuw (niet toevallig de periode van grote economische bloei van de Nederlanden). Voor die periodes beschrijft Van der Sijs systematisch alle elementen uit de taalkunde: fonetiek, lexicologie, spelling, grammatica. Omdat het hier gaat om de vorming van een taal hebben de hoofdstukje in deze delen nog wel eens het karakter van opsommingen van verschijnselen met voorbeelden.  
 
Vanaf het moment dat de standaardtaal min of meer vast komt te liggen, zijn de aanpassingen in de verschillende domeinen minder ingrijpend en komt de nadruk te liggen op de verklaring van de wijzigingen. Omdat er ook steeds meer geschreven bronnen worden overgeleverd, en er sinds die tijd ook mensen zijn die zich met taalregulering bezighouden, is het ook makkelijker om daar de vinger achter te krijgen. Vanaf de 18de eeuw komen een aantal kwesties aan bod die minder taalkundig, maar eerder sociologisch te verklaren zijn, zoals het wegvallen van de naamvallen, het taalparticularisme, het purisme (de strijd tegen leenwoorden), de spellingswijzigingen, het Poldernederlands en het Verkavelingsvlaams en de invloed van het Engels en de digitalisering: het zijn kwesties die raken aan een aantal bezorgdheden over onze taal. Verdwijnt de standaardtaal? Drijft het Belgisch-Nederlands steeds verder weg van het Nederlands van de Randstad? Hebben we door de digitalisering te maken met taalverloedering?
 
Ondanks het feit dat Van der Sijs jargon vermijdt (ze kiest er bijvoorbeeld voor om geen fonetisch schrift te hanteren, maar gebruikt een toegankelijker systeem om de uitspraak van bepaalde klanken mee aan te duiden) wil het eerste deel van het boek door het opsommende karakter nog wel eens taai worden. Vanaf het moment dat het Nederlands min of meer gevormd is en de focus meer ligt op de ruimere – sociologische, filosofische, pragmatische, economische… – verklaring van de taalkundige fenomenen, verdwijnt dat euvel. Dit is een prachtige en diepgaande inleiding in het verschijnsel taalverandering in het algemeen en de geschiedenis van het Nederlands in het bijzonder: Van der Sijs beschrijft de wortels van onze taal, de verwantschappen, de principes, de discussies. Een aantal principes die in de inleiding reeds geformuleerd worden, komen duidelijk naar voren in de verschillende hoofdstukken: de klankveranderingen, de neiging van de taal om eenvoudiger te worden met het oog op haar functionaliteit, de ontwikkeling van het Nederlands van een systematische taal (waarbij naamvallen de grammaticale relaties aanduiden) naar een analytische taal (waarbij de functie van de naamvallen overgenomen wordt door lidwoorden, voorzetsels, voornaamoorden, hulpwerkwoorden) waardoor ook de woordvolgorde strakker wordt (vergelijk het Latijn dat dankzij de naamvallen de woorden zeer vrij in de zin plaatst met het Nederlands waar de volgorde van de woorden cruciaal is).
 
15 eeuwen Nederlandse taal is een boek dat in minder dan 250 bladzijden 1500 jaar Nederlands weet te vatten met oog voor de grote lijnen en de details. Met behulp van kaartjes, tabellen en schema’s en dankzij de inbedding van de taalevolutie in de geschiedenis maakt Van der Sijs duidelijk dat dit levende materie is en niet de abstracte taalkundige wiskunde die het voor mij twee decennia geleden was.  
 
Nicoline van der Sijs: 15 eeuwen Nederlandse taal, Sterck & De Vrees, Gorredijk 2019, 256 p. ISBN 9789056155346. Distributie VBK België

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 6, JUNI 2020

Alleen de bergen zijn mijn vrienden

Behrouz Boochani

Autobiografie van een lijk en andere verhalen

Sigizmoend Krzjizjanovski

De straffeloze

Huub Beurskens

De zwarte klok

Paulus Hochgatterer

Tegendraads

Mia Doornaert

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2020

De gemene moord op Muggemietje

Ted van Lieshout

De vuurvogel

Bette Westera, Djenné Fila (ill.)

Het fortuin van Fausto. Een fabel verbeeld

Oliver Jeffers

Oorlog in inkt

Annemarie van den Brink, Suzanne Wouda, Steef Liefting (ill.)

Patrick

Annelies Verbeke

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri