Non-fictie

BOEKEN NR. 6, JUNI 2020

Mia Doornaert: Tegendraads

door Christophe Van Eecke

De barones met de hamer.
Over de tegendraadse columns van Mia Doornaert

 
Mag ik beginnen met een kleine anekdote? De omweg loont de moeite, en u was er misschien bij. Op dinsdag 10 maart jongstleden moest Mia Doornaert (de barones met de zwarte gordel in intellectuele karate) voor de politiek correcte gewetensrechtbank van De Afspraak verschijnen, voorgezeten door Bart Schols, om zich te verantwoorden voor een opiniestuk waarin ze het zowaar had aangedurfd kritiek te uiten op de hypergevoelige ‘waakachtigheid’ (wokeness) van een kleine minderheid der hedendaagse jeugd. Mia werd hiervoor door Herman Van Goethem, rector van de UAntwerpen, en Benjamin Dalle, tewerkgesteld in de politiek, zwaar getackeld en weggezet alsof zij een ordinaire rechtse populist was. Ik had niet in haar schoenen willen staan of op haar stoel willen zitten, want Bart keek streng, en haar opponenten nog meer zo.
 
Mia deed haar best om argumenten in stelling te brengen, doch dit was niet altijd even makkelijk aangezien Schols het constant onderbreken van zijn gasten tot de nieuwste kunst van het tweegesprek heeft verheven. Maar het waren de heren Van Goethem en Dalle die de slechtste beurt maakten. Het smalende misprijzen waarmee zij barones Doornaert, toch van geen kleintje vervaard, bejegenden, leverde voor de kijkbuiskinderen een beschamend spektakel op. Ik kan mij niet inbeelden dat Van Goethem achteraf trots was op zijn eigen passage op de verrekijk, want toen Doornaert wees op de alarmerende toestand aan Amerikaanse universiteiten, waar infantilisering en politiek correcte censuur zich met enorme kracht hebben doorgezet, een fenomeen waarover ook in de internationale kwaliteitspers al jarenlang wordt gerapporteerd, meende hij dat er helemaal niets aan de hand was en bestond hij het zowaar te beweren dat Mia mogelijk de verkeerde dingen las.
 
Er lag een wrede ironie in het feit dat deze historicus, die vanuit zijn eigen onderzoeksgebied toch beter zou moeten weten, en die zich in dit debat opwierp als een verdediger van de progressieve linksigheid, zich in een opwelling liet verleiden tot gedrag dat niet anders dan hufterig kan worden genoemd: hij bejegende Doornaert met snerend misprijzen en suggereerde in niet mis te verstane termen dat ze gewoon niet wist waar ze het over had. Zijn optreden was schaamteloos neerbuigend en, jawel, een klassiek voorbeeld van hoe een patriarchale ploert een vrouw met een mening pareert. Dalle knikte trouwens instemmend, al is mij niet bijgebleven of hij ook iets van enig gewicht heeft gemeld. Maar het was duidelijk: de politiek correcte rangen sloten zich tegen de buitenstaander met de pertinente kritische vraag.
 
De noten op heur blanke zang
Deze anekdotische excursie door televisieland is relevant omdat precies deze mechaniek, waarbij ideologie en cultuurpolitieke belangen boven feiten gaan, een centraal thema is in het nieuwste boek van Mia Doornaert, dat niet toevallig Tegendraads heet en waarin ze een thematisch georganiseerde selectie van haar columns voor De Standaard van de voorbije jaren heeft bijeengebracht. Het is een collectie die zich met plezier laat lezen, niet alleen omdat Doornaert graag tegen de heersende pensée unique in gaat, maar vooral omdat ze dat altijd doet met pertinente argumenten, die heel regelmatig ook de lezer uit zijn tent lokken. Daarmee illustreert deze bundel waarom we de stem van Doornaert in het publieke debat moeten koesteren: haar columns zijn geen (v)luchtige notities maar stemmen tot nadenken en hebben dus een waarde die de actualiteit overstijgt.
 
De thema’s die Doornaert aansnijdt, zijn geclusterd rond verschillende assen die te maken hebben met het Europese project (volgens haar een vrome wensdroom die wordt gelogenstraft door een realiteit van versplintering), de Verenigde Naties als een soort ‘internationale gemeenschap’ met wereldwijde morele autoriteit (de droom duurt voort), het belang van deugdelijk onderwijs en opvoeding, het belang van respect voor de eigen cultuur, de dreiging van een militante islam, en de modieuze zottigheden van de identiteitspolitiek. Met gezond verstand en heel vaak ook met niet weinig verontwaardiging snijdt Doornaert door dit alles heen, niet geneigd om zich lang in te laten met drogredeneringen, eufemistische onzin, of collectieve illusies die ons tegen onwelkome waarheden moeten beschermen. Zoals ze met een citaat van Camus zegt: ‘mal nommer les choses, c’est ajouter au malheur du monde’. Doornaerts stem is de stem van de Verlichting, met een gezonde scepsis tegenover alle nieuwerwetse modes die ons door de strot worden geduwd. Of dat een conservatieve houding is, is vaak een kwestie van de vraag of nuchter realisme conservatief is of niet.
 
Een van Doornaerts strijdvaardigste stukken is bijvoorbeeld haar vlammend betoog tegen politiek correcte taalzuivering, en dan met name de invoering van het woord ‘wit’ ter vervanging van het vertrouwde ‘blank’. Doornaert weigert evenwel over zichzelf als ‘wit’ te spreken en verzet zich tegen wat ze heel precies een ‘politieke contaminatie van de taal’ noemt. Ze wijst er meermaals fijntjes op dat de hetze tegen blanke West-Europeanen, die tegenwoordig als het summum van kritisch denken geldt in bepaalde identiteitspolitieke kringen, in wezen een racistische oefening is die bovendien gestoeld is op een volkomen gebrek aan historisch inzicht (niet-westerse niet-blanke culturen zijn bepaald niet vies geweest van imperialisme, koloniaal geweld en slavernij). Daarnaast is die hele taaloefening natuurlijk ook een hypocriete onderneming omdat de koloniale zweem van superioriteit en zuiverheid die ongetwijfeld over het woord ‘blank’ hangt zijn pendant vindt in het tot nader order nog politiek correcte woord ‘zwart’, dat immers eveneens met allerhande negatieve connotaties beladen is: of moeten we met z’n allen staan juichen als de volgende verkiezingen ons weer een ‘zwarte’ zondag opleveren?
 
Zoals Doornaert helder illustreert, is ‘blank’ het correcte woord in het Nederlands om over mensen met een lichte huidskleur te spreken. Het is ook gewoon altijd het gangbare woord geweest. Ik herinner mij bijvoorbeeld levendig hoe Isabelle A. in mijn tienerjaren een grote hit had met een antiracistisch liedje over blank en zwart (want de regen valt niet voor jou apart). Bevat dat liedje nu plots een latente racistische boodschap? Is de boodschap nu plots onoprecht en ‘verdacht’ of ‘problematisch’ omdat in de tekst dat akelige blanke woord wordt gebruikt? Moeten we dit lied vanaf nu van de radiogolven bannen omdat het kwetsenderwijs aanstoot geeft? Zelf ben ik trouwens ook al aangesproken op mijn onbevangen gebruik van het woord blank, en nog wel tijdens een college waarin ik de mechanismen van racisme en sociale uitsluiting aan het uitleggen was. Net zoals zoveel andere mensen gebruik ik het woord ‘blank’ namelijk zonder enige racistische bedoeling omdat het gewoon het woord is dat altijd het normale woord is geweest om naar blanke mensen te verwijzen. Een paar ‘geëngageerde’ studenten waren daar niet mee gediend en vonden het nodig om openlijk uiting te geven aan hun misnoegdheid.
 
Toen ik achteraf met een feministische collega over deze interpellatie praatte, viel zij de studenten bij en wist me doodleuk te melden dat ik mij door mijn gebruik van het woord blank op het morele niveau van Thierry Baudet plaatste (voor wiens blik nooit over de Moerdijk raakt: Baudet is de baas van politieke partij Forum voor Democratie en de Nederlandse tegenhanger van Dries Van Langenhove: rechts, brutaal, maar ook spitsvondig, bijzonder intelligent, en aangenaam om naar te kijken). Bovendien wees mijn collega mij erop dat het afserveren van het woord blank legitiem is omdat ‘het woord weet waar het geweest is’: het is besmet door zijn geschiedenis (kolonialisme, westers superioriteitsgevoel, etc.). Op zich is de associatie van blank met zuiverheid natuurlijk onmiskenbaar, en men zou die uitleg ook kunnen aanvaarden indien ze niet zo hypocriet was. Want er zijn namelijk ook andere tekens en symbolen die ‘weten waar ze geweest zijn’ en waar de politiek correcte gedachtenpolitie geen processen-verbaal over uitschrijft omdat ze toevallig in hun eigen kraam passen.
 
Sluiers van hypocrisie
In haar boek gaat Doornaert uitgebreid in op een dergelijk symbool met een ongemakkelijk historisch en cultureel parcours, te weten de omstreden hoofddoek waar al zoveel cultuuroorlogjes over zijn gevoerd. De hoofddoek is immers zeer lang (en vandaag nog steeds) in landen en culturen ‘geweest’ (in de overdrachtelijke zin van mijn collega) waar vrouwen worden onderdrukt, homo’s van het hoogste gebouw worden gesmeten, en burgerrechten of vrije meningsuiting onbestaand zijn, om van de scheiding tussen kerk en staat nog te zwijgen. Sterker: experts wijzen er regelmatig op dat er eigenlijk geen consistente traditionele basis is voor de hoofddoek, dat de tradities divers zijn, en dat met name in de twintigste eeuw het gebruik ervan sterk terugliep. Etienne Vermeersch, dat boegbeeld van het rechtse denken, mocht graag aanstippen dat er omstreeks 1980 in heel Caïro bijna geen hoofddoek meer te zien was (zie hierover zijn uitgebreide rapport in zijn Nagelaten geschriften). Dit kledingstuk, dat Doornaert (samen met andere vormen van obligate lichaamsbedekking voor vrouwen) consequent afwijst als ‘een gevangenis van stof’, blijkt dus een zeer recent heruitgevonden invulling van de ‘traditie’ die vooral gestuurd wordt door conservatieve tendensen binnen de islam.
 
Dat laatste is een pittig detail omdat een van de argumenten die bijvoorbeeld door tegenstanders van de traditie van Zwarte Piet werden aangevoerd net was dat hij helemaal geen oeroude traditie was en dus best op de schop mocht. Waarom mag men dan de hoofddoek niet in vraag stellen? Feministen en identiteitsdenkers wijzen er bovendien graag op dat een hoofddoek ook een uiting van feminisme kan zijn, en zelfs een teken van verzet tegen de losbandige westerse moraal die vrouwelijk vlees zo graag ‘objectiveert’. En net zoals van de boerkini, waar een paar jaar geleden ook nogal wat om te doen was, wordt van de hoofddoek ook wel eens beweerd dat ze eigenlijk emanciperend is omdat veel moslimvrouwen uit conservatieve kringen dankzij dat kledingstuk eindelijk ook eens buiten kunnen komen (of de zee of het zwembad in kunnen).
 
Dat zal in een aantal gevallen allemaal best wel zo zijn, maar het eigenlijke probleem in dit debat is de krakkemikkige morele en culturele logica die achter het linkse verhaal schuilgaat. Ten eerste gaat deze logica mee in de onderdrukking van de vrouw, want in plaats van het probleem te situeren in het feit dat sommige vrouwen, die nochtans in vrije westerse democratieën wonen, blijkbaar van hun religie/echtgenoot enkel onder strikte voorwaarden de straat op mogen, wordt het probleem bij die mensen gelegd die het problematisch vinden dat vrouwen voorwaarden wordt opgelegd om de straat op te mogen. Stel je voor dat iemand joden of chinezen of homo’s zou verbieden om hun wijk uit te komen of het strand of het stedelijk plonsbad te betreden tenzij ze zich aan een bepaalde kledijcode hielden die voor andere burgers niet geldt! Maar ten tweede is de logica gewoon hypocriet, want als wij vandaag het woord blank blijkbaar niet meer op een niet-racistische manier kunnen gebruiken omwille van ‘waar het geweest is’, dan kan een moslima de hoofddoek of boerkini toch ook niet op een niet-onderdrukkende en niet-seksistische wijze dragen? De hoofddoek, als religieus, cultureel en politiek teken, ‘weet toch ook waar ze geweest is’?
 
Doornaert komt regelmatig op de problematiek van de hoofddoek terug, en terecht, want het probleem met deze kwestie is dat de identiteitsdenkers en feministen, ondanks hun constante retoriek van pluralisme en diversiteit, de wereld van taal en betekenis tot radicale eenduidigheid willen reduceren, waarbij hun eigen politieke agenda het enige criterium is om correcte betekenissen vast te leggen. Het woord blank staat dan zonder meer gelijk aan racisme omdat dit nu eenmaal in hun kraam past. Dat verschillende mensen dat woord met verschillende connotaties kunnen gebruiken, is een feit dat niet kan of mag worden onderkend. Eén woord, één betekenis: de dikke Van Dale wordt plots erg dun, en de lemmata erg kort, zo zonder tweede, derde of volgende betekenissen. Dat men vervolgens schreeuwt dat de hoofddoek niet alleen veel betekenissen kan hebben (een regenboog aan betekenissen!), en dat de negatieve betekenissen zowaar nog helemaal onderaan de lijst bungelen, als het terrein van een slechts te verwaarlozen kleine radicale marge, is een dubbele semiotische moraal waar je verder best geen vraagtekens bij plaatst. Toch niet als je reputatie en je digitale rust je lief zijn.
 
De vermarkting van de vrouw
In een van de meest treffende opstellen in haar bundel snijdt Doornaert het onderwerp draagmoederschap aan en verdedigt de stelling (die ze ontleent aan een boek van de Franse feministe Sylviane Agacinski) dat de normalisering van draagmoederschap neerkomt op een objectivering van het vrouwelijk lichaam analoog aan de prostitutie. Ook dat is, in weerwil van Doornaerts critici, geen hysterische conservatieve reflex: het is immers een welbekend feit dat nogal wat vrouwen die (met name in niet-westerse landen) in minder dan florissante omstandigheden leven hun baarmoeder op deze manier te huur aanbieden om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. Doornaert ziet hierin een ‘uitwas van het kapitalisme’ waarbij vooral vrouwen in penibele situaties zich als ‘baarmoeders op poten’ kunnen laten gebruiken. Er zijn daarentegen ook feministen die de vermarkting van inmiddels zowat het hele vrouwelijk lichaam (van facelifts en liposuctie tot de verkoop van eicellen en de verhuur van welbepaalde lichaamsdelen zoals de baarmoeder) als een verrukkelijke uiting van bevrijdende zelfbeschikking zien.
 
Dit stemt tot nadenken. Het is bijvoorbeeld vreemd dat Doornaert in deze context abortus niet te berde brengt, want het mag duidelijk zijn dat het abortusdebat zich niet zelden op dezelfde morele breedtegraad bevindt: de feministische juichstemming rond abortus komt immers vaak voort uit een gelijkaardige calculus, waarbij het ongeboren leven vooral niet mag worden ‘gehumaniseerd’ omdat dit de ‘zelfbeschikking’ van de vrouw in de weg zou staan. Het zijn immers vaak hoogopgeleide blanke vrouwen in goedbetaalde beroepen (academici, ondernemers, vrije beroepen, en uiteraard feministen) die hun zwangerschappen laten afbreken omdat een baby niet in het ‘window’ van hun carrièreplan past. Wat daarbij strategisch wordt vergeten, is dat zo’n uitgekiende instrumentalisering van de voortplanting meegaat in de patriarchaal-kapitalistische logica die stelt dat geld en carrière de hoogste waarden in het leven zijn waar al het andere voor moet wijken. Een logica waarbinnen arbeid, en dus mensen, de goedkoopste grondstof zijn, en dus ook de laagste (ruil)waarde vertegenwoordigen. Maar als die logica de vrouw en haar levensdoelen ten goede komt, blijkt de scherpe marxistische analyse echter plots ver weg.
 
In dit opzicht is nog een ander pittig opstel in de bundel interessant, waarin Doornaert een aantal kritische vraagtekens plaatst bij veganisme en andere tendensen binnen het politiek correcte denken die dieren allerhande rechten willen toekennen. Nu ben ik zelf een zeer groene jongen (doch geen veganist, al beperk ik mijn vleesconsumptie) en dus groot fanaat van de betere behandeling van dieren. Maar daar gaat het nu even niet over. Veel interessanter is opnieuw de politiek correcte hypocrisie waarmee dit debat omgeven is. Immers, dezelfde activisten en moraalridders die roepend veganist zijn, dieren rechten willen geven, en het ei niet zullen eten om de kip te sparen, zijn vaak even passionele voorstanders van abortus. Er wordt in politiek correcte kringen dus behoorlijk radicaal gediscrimineerd over wie of wat je wel of niet mag doden omdat het je goed uitkomt.
 
Daar is een reden voor: abortus is namelijk de ultieme achilleshiel van de hele feministische en identiteitspolitieke ideologie, het punt waarop hun hele ideologische constructie in elkaar stuikt. Immers, hoe geloofwaardig klinken veganisme, dierenrechten, mensenrechten, inclusiviteit, klimaatmanifestaties, de roep om een ‘zorgzame’ samenleving of de ontzetting over het onfortuinlijke woord ‘blank’ uit de mond van mensen die ons zonder verpinken aanzetten om toch vooral een ongeboren kind ‘niet te humaniseren’? Wat uit dit alles naar voren komt, is een politiek correct denken dat het moreel kompas volledig kwijt is en een kaartenhuis van ad hoc argumenten en standpunten opbouwt dat met het lichtste zuchtje aan kritische wind in stukken uiteen kan worden geblazen. Voorlopig slagen deze nieuwe morele helden er nog in om vele mensen (en niet het minst zichzelf) het idee te geven dat het hier om een gegronde filosofische positie gaat, een diepe en doordachte moraal, en zowaar zelfs een coherent netwerk van deugdelijke wetenschappelijke inzichten. Nuchtere denkers zijn mogelijk een andere menig toegedaan.
 
Het punt van dit alles is niet dat men tegen abortus, dierenrechten, veganisten, hoofddoeken of weet ik veel wat moet zijn (verbieden is immers verboden, toch?). Het punt is evenmin dat je mordicus voorstander moet zijn (en je mag het best ook even niet goed weten). Het punt is veeleer dat de identiteitspolitiek al deze discussies op de morele spits heeft gedreven door systematisch de meerduidigheid van de werkelijkheid af te wijzen, of althans wanneer haar dat goed uitkomt. Wat de politiek correcte brigade bij uitstek niet kan, ondanks alle modieuze getater over diversiteit en pluralisme van wereldbeelden, is omgaan met verschil en paradox, met het feit dat het leven en de werkelijkheid een rommeltje zijn en dat de beste optie soms gewoon de minst slechte is. Die paradoxale wereld is een wereld waarin je tegelijk veganist kunt zijn (vanuit ethisch opzicht een zeer goede optie) en toch voorstander van abortus (vanuit ethisch opzicht vaak de minst slechte optie veeleer dan een goede). Maar dan moet je misschien eens iets minder van je hoge morele toren blazen over het taalgebruik van anderen, de eetgewoonten van je buur, de bezorgdheid van vele burgers om het toenemend aantal hoofddoeken op straat, of de columns van Mia Doornaert. En eerlijk getuigen van het feit dat ook je eigen positie paradoxaal en dus problematisch is, en dat enige sereniteit in het debat bijgevolg aan de orde is.  
 
Cruising met Mia
Dit is wat Mia met je doet: je leest iets over draagmoeders en voor je het weet, denk je verder tot in de meest onuitsprekelijk politiek incorrecte marginalia bij het thema abortus. Doorheen Doornaerts columns kun je de auteur op dezelfde manier in constante dialoog met zichzelf horen, altijd op zoek naar de juiste nuance, met een enerzijds/anderzijds dat vaak op misleidend luchtige toon tot complexe inzichten voert. Soms ontglipt Mia ook zichzelf in deze columns, op amusante wijze. Zo kan men, indien men daarin genoegen schept, beginnen turven hoeveel van haar columns ontstonden tijdens of op de terugweg van een rondvaart langs Zuid-Amerikaanse staten, een cruise via het Panamakanaal, of wederom een vliegende reis naar een internationaal colloquium waar ze wereldmogendheden respondeerde. Men kan er zich vrolijk over maken en er de privileges van de Parijse barones in zien, maar helaas voor haar criticasters doet de levensstijl van Mia Doornaert niets af aan de pertinentie of relevantie van haar inzichten.
 
Deze laatsten zijn altijd gestoeld op kennis van zaken, een erudiete vertrouwdheid met de wereldpolitiek (en met name de Franse cultuur en geschiedenis), een scherp intellect, een nuchter gevoel voor realpolitik, en vooral een verfrissend onvermogen om zich door modieuze praat in de luren te laten leggen. Mia Doornaert kijkt met een zeer nuchtere blik naar de wereld en weet steeds weer op korte afstand pertinente analyses te maken. Niet zelden vertoont ze daarbij, barones of niet, dieper inzicht in de problemen van ‘de gewone man’ dan onze intelligentsia van eco-, neo-, post-, of quasi-marxistische strekking. Bij de oudere stukken in de bundel valt trouwens op dat ze meer dan eens voortijdig een politieke of culturele bui zag hangen die we enige tijd later over ons heen kregen. En vooral: ondanks het feit dat menigeen haar als een overjaarse rechtse taart wil afserveren, komt Mia Doornaert in deze opiniestukken vooral naar voren als een echte soixante-huiteuse van de oude stempel: u weet wel, dat tijdperk (met de pil maar nog zonder aids, zoals ze zelf aangeeft) toen rebelleren nog iets anders betekende dan huilend om een safe space in de rokken van Big Daddy hangen.
 
Hannah Arendt (nog zo’n kranige dame die voor heurzelf mocht te denken) tekende ooit op (zij liet niet optekenen: zij schreef zelf) dat moed de voornaamste politieke deugd is: de moed om, zonder te weten wat de gevolgen van je handeling zullen zijn, toch op te staan en publiekelijk te spreken in functie van het algemeen belang, in de volle wetenschap dat het je door velen niet in dank zal worden afgenomen, maar omdat het nu eenmaal moet en omdat iemand de bagger over zich heen moet krijgen die altijd losbreekt als de waarheid niet welgekomen is. We weten allemaal, en Doornaert tekent het meermaals op in dit boek, dat deugden zoals politieke moed niet meer van deze tijd zijn. Het is veel makkelijker om de wanen van de dag na te praten, vooral als het opwerpen van een rationele kritische stem er bijna altijd in resulteert dat men op sociale en andere pluralistische media wordt afgefakkeld door de politiek correcte apparatsjiks van het nieuwe normaal. Het vergt moed om openlijk tegen die stroom in te gaan. Het is dat soort moed dat men van politici, intellectuelen, journalisten en wetenschappers mag verwachten.
 
Vandaar dat ik me zo verslikte in Herman Van Goethems botte hufterigheid toen hij zag, tot zijn grote morele ontzetting, dat een dame van stand hem op een feit wees.
 
Mia Doornaert: Tegendraads, Polis, Kalmthout 2020, 272 p. ISBN 9789463105194. Distributie Pelckmans Uitgevers 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri