Nederlands proza

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Ineke Riem: Onderwaterverhalen

door Herman Jacobs

Iemand wilde van die oude wereld af   

Het bleek al uit haar met de Gouden Uil bekroonde debuutroman Zeven pogingen om een geliefde te wekken (2013): water is Ineke Riems element. Het motto van dat boek waren twee regels van Lucebert (‘ik ben niet langer van land / ik ben weer water’), het eerste hoofdstuk kreeg als titel ‘Geschreven in het water’ en ook verder speelt water er een grote rol in.
 
En in Onderwaterverhalen – het woord zegt het al, zou wijlen Gerard Reve hebben opgemerkt. Al is het niet zo dat ieder verhaal erdoor wordt bevloeid, zó letterlijk hoeven we de titel ook weer niet op te vatten. Dat komt zo, aldus de achterplattekst (die zoals bekend heel vaak van de auteur zelf afkomstig is): ‘Alle personages in deze […] indringende, met elkaar verweven verhalen verlangen naar verbinding. Ze zijn onderweg naar hun eerste liefde of naar huis, maar raken ondergedompeld in de geheimzinnige onderwaterwereld van dromen, herinneringen en oud zeer.’
 
Iedereen in deze verhalen ‘heeft een oude ziel’, worden we ook nog op weg geholpen. (Dit is een typisch dostojewskisme – ‘“Ik zal erom denken,” liep hij de trap af’, ‘“Christenezielen,” snoot zij haar neus –, waarvoor excuus. Het is warm.)
 
Twaalf verhalen, van acht tot drieëntwintig pagina’s lang. De personages zijn jonge mensen, oude mensen, vrouwen, mannen, Nederlanders, buitenlanders. Trefwoorden zijn lichaam, natuur (bomen vooral, met name sequoia’s), de Oudheid ook wel (een aantal verhalen is gesitueerd in Rome, Athene of Egypte of verwijst ernaar; het voorlaatste verhaal, ‘Memoires van een meisje’, speelt zelfs in het antieke Pompeï, onder een onrustig rommelende vulkaan). Een ander gemeenschappelijk kenmerk is dat deze verhalen het kabbelende en vrijwel reliëfloze van water hebben, het zijn vaak meer schetsen of impressies dan eigenlijk verhalen, meer glissandi dan eigenlijk melodieën: er gebeurt wel iets in, maar ook weer niet zo gek veel; er overkomt de personages veeleer iets dan dat ze zelf iets doen. En dat iets dat hun overkomt is veelal een epifanieachtig iets: een inzicht deelt zich aan hen mee, een groot verlangen komt tot catharsis, twee werkelijkheden schuiven over elkaar heen en er valt iets op zijn plaats – dat soort werk.
 
De verhalen hebben, al zijn ze tegelijk heel concreet, vaak een soort ‘verdroomdheid’, al is dat het woord niet – een ‘net-éven-van-de-wereld-af-getildheid’ (waar dan, zij het slechts een enkele keer, iets magisch-realistisch bij aansluit; daar moet je van houden). Ineke Riem schrijft het niet onaardig op; ze formuleert rustig, niet zonder elegantie maar wel zonder uitsloverigheid, en laat af en toe een paar zinnen er mooi uitspringen, zoals licht soms opglimmert van een beekje. Bijvoorbeeld, wanneer de Duitser met Nederlandse wortels, of omgekeerd, Werner terugdenkt aan zijn eerste woonplaats in Nederland, een flatgebouw ergens in Amsterdam (uit het verhaal ‘Wiederkehr’):  
 
‘Nu is hij terug. Voor het eerst na meer dan vijftien jaar. Hij wilde wel eerder, maar het kwam er nooit van. […] Misschien ging hij het ook een beetje uit de weg, om zijn kostbare herinneringen aan dat ene jaar waarin hij op de eerste verdieping van de hemel woonde prijs te geven aan de werkelijkheid van later.’
 
Of de Egyptische Layla, kinderloos en met eeuwig koude handen in kikkerland (uit het verhaal ‘Terug naar Thebe’):
 
‘Het schrijnen van de lege plekken in haar leven. De gloed in haar borstkas die bedoeld was om een heel klein iemand tegen te wiegen en die langzaam doofde zonder gebruikt te zijn. Het overviel haar, het verdriet van een lichaam dat een ander lichaam wilde maken, deel wilde nemen aan de eeuwige gangen van de natuur.’
 
De mooiste opening heeft het achtste verhaal gekregen, ‘Voorbereidende aardrijkskunde’ (goeie titel ook):
 
‘Ik ben geboren op de bodem van een zee die niet meer bestaat. In mijn atlas ligt die zee nog wel: de Zuiderzee. Die atlas is gedrukt in de jaren twintig en heeft een bruin linnen omslag met goudkleurige letters voorop. Atlas der gehele aarde, staat er. Ik vond hem een keer bij het vuilnis, iemand wilde van die oude wereld af.’
 
Jammer genoeg verglijdt het verhaal daarna in enigszins willekeurige bespiegelingen, bedenkingen, wetenswaardigheden (hoe interessant op zich ook) – zoals eigenlijk voor deze verhalenbundel als geheel ook wel een beetje geldt. De verleiding is groot om nu iets bijdehands te doen met de uitdrukking ‘in het water vallen’, maar dat zou dan weer een beetje onheus zijn.
 
Beter is het, wat langer te citeren uit wat misschien wel het gaafste van deze onderwaterverhalen is: ‘Bericht uit de onderwereld’ – in het navolgende krijgt u de aanhef en het slot daarvan:
 
‘Ik lig in je armen, maar ik ben dood. Ik kan de walm van de kaarsen ruiken, ik zie hun gloed door mijn gesloten ogen heen. Dit is niet onze slaapkamer, dit is een mausoleum. Hoor maar hoe stil het is, leegte galmt tussen de gladde stenen muren. Het is zo koud dat de lelies en rozen die in grote vazen staan hun geur bij zich houden, alsof het midden in de nacht is. Een nacht zonder einde. Ze zullen in dit donker nooit verwelken, de kou balsemt ze. Dit is geen bed, het is een baar.
 
Het is nog veel te vroeg om op te staan. Jij slaapt nog diep. Ik zou me nu uit je omhelzing los moeten maken en naar het bureau moeten sluipen dat je Schotse opa ooit maakte. Daar zou ik een laatje opentrekken aan een plat metalen knopje dat niet helemaal rond meer is. Onder rolletjes plakband, bewaarde enveloppen en een half gebruikt velletje postzegels met mythische wezens erop (nog over: de draak, de zeemeermin) ligt een mapje briefpapier dat misschien ook nog van je grootouders was. Ik zou een velletje papier moeten pakken en het halfronde houten lampje dat op de muur hangt aanknippen zodat zacht licht door de oranjerode stof valt die achter uitgezaagde bladmotieven is gespannen. Ik kende je opa alleen door wat uit zijn handen kwam.
 
Maar ik wil dat niet. Ik wil je geen afscheidsbrief schrijven. Ik ril bij de gedachte eraan. Ik wil niet meer denken aan de nachten die achter me liggen, ik wil ze diep wegstoppen onder alles wat we ooit bewaard hebben, onder alle enveloppen vol herinneringen, onder alle wensen die bleven liggen. Ik heb nog nooit zo graag willen vergeten. Ik wil hier blijven liggen en alles vergeten.
 
[…]
 
Mijn pikzwarte nachten hebben ons van elkaar vervreemd, maar nu sloop de duisternis ook in jouw ogen. Als deze liefde niet meer bestaat, wat blijft er dan van jou over? Een menselijke robot die zijn voorgeprogrammeerde taken in de City vervult? Maar ik zal aan je denken. Als ik zo meteen opsta en eindelijk mijn brief aan je zal schrijven, zal ik ervoor zorgen dat er genoeg gif aan mijn woorden zal plakken voor jou. Ik zal je een papieren dolk nalaten. Volg je me, Iain? Zien we elkaar terug in de onderwereld?
 
Stilte daalt deze vroege ochtend op me neer, als lichte zomerregen op de grillige bergtoppen en heuvels van de hooglanden, die soms rotsig zijn, dan weer met zachte mossen bekleed. Ik denk aan diep ingesleten landweggetjes tussen groene wallen, de witte stromen van een brede, hoekige waterval. Wonderlijk dat er nog woorden in mij opwellen, dat er nog besef van schoonheid is.
 
Langzaam en voorzichtig duw ik je arm omhoog en schuif het dekbed opzij. Dan beweeg je. Je wordt wakker. Je kijkt in mijn lege blik met achterdocht. Opeens herinner je je gisteravond. Ik zie een rotsblok op je hart vallen. Diepe lijnen snijden door je voorhoofd, je hand wrijft over de stoppels op je kaak.
 
“Wat is er met ons gebeurd?” vraag je. “Zijn we de speeltjes van het noodlot geworden?”
 
Ik merk dat ik mijn schouders zwakjes ophaal. Je trekt me tegen je aan. Het is rauw en gevoelig vanbinnen.
 
“Laten we wegsluipen uit deze tragedie, Moira,” fluister je in mijn haar. “Laten we in godsnaam proberen te ontsnappen voordat de pennen van de toneelschrijvers ons doorboren. Pak je wandellaarzen en je dikste trui, love. We gaan naar huis. We komen niet meer terug.”’
 
De tekstredactie, overigens – ik weet, lezer, dat mijn verhaal eentonig is –, had zorgvuldiger gekund. En dit zinnetje op p. 98 is, het spijt me, onvergeeflijk: ‘Fijn dat je het nog even benoemd.’
 
Ineke Riem: Onderwaterverhalen, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2020, 196 p. ISBN 9789029541541. Distributie L&M Books

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri