Non-fictie

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Léon Hanssen: Handboek voor de vagebond. In de voetsporen van vrije denkers

door Christophe Van Eecke

Dwaallichterij. Notities van een vagebond  

Vagebondisme is een heet onderwerp. Je bent vandaag niet echt mee als je niet op een of andere manier vagebondistisch gedrag aan de dag legt, van het achter je laten van de urbane hel om in een tiny house te gaan wonen over de eindeloos migrerende activiteiten van de geprivilegieerde wereldburger (de student op Erasmus, de backpackende toerist in Thailand) tot de alomvattende slow beweging. Als al deze activiteiten al raakvlakken lijken te hebben met het vagebondisme, dan stelt zich toch de vraag of ze ook echt wel het ding zelf zijn. Die vraag is een van de uitgangspunten van het nieuwe boek van Léon Hanssen, waarin hij ons meeneemt in zijn omzwervende cultuur-theoretische en persoonlijke reflecties over de vraag in hoeverre ons hedendaags vagebondisme authentiek is of gewoon een nieuw consumptiepatroon – een trendy levensstijl of toeristische praktijk waarbij nooit echt van de gebaande paden wordt afgeweken.
 
In lijn met het onderwerp, heeft Hanssens boek geen strikte structuur. Na een aantal inleidende thematische verkenningen volgen een reeks korte hoofdstukken over grondleggers en kardinale figuren binnen het vagebonderende denken. Daarbij komen Michel de Montaigne, Henry David Thoreau en Friedrich Nietzsche in het vizier, maar ook minder voor de hand liggende figuren als August Strindberg en Edvard Munch of Ludwig Wittgenstein, de Oostenrijkse filosoof die zich in de fjorden van Noorwegen in een elementaire houten hut terugtrok. Zo ontwikkelt zich doorheen vele korte hoofdstukken een steeds om zijn ongrijpbare kern wentelende reflectie rond het vagebondisme, waarbij het onderwerp langzaam vorm krijgt zonder zich ooit echt definitief te laten vatten – wat immers ook tegen de geest van het vagebondisme zelf in zou gaan.
 
Wereldvlucht
Het vagebondisme is de ontkenning van de efficiëntie- en winstcultuur van de liberaal-kapitalistische maatschappij. In plaats van de rechte lijn van A naar B, waarbij de kortste weg voor de grootste winstmaximalisatie zorgt (waarbij de winst niet alleen financieel kan zijn, maar ook een hoeveelheid ‘genot’ of ‘beleving’), kiest de vagebond voor de omweg, de nevenweg, de dwaalweg, het vertrekken zonder te weten waarheen. Traditioneel was de vagebond een figuur aan de rand van de marginaliteit en de criminaliteit, en in de mate dat hij zonder doel en zonder dwingend waartoe door de wereld dwaalt, blijft hij ook vandaag een verdachte figuur – een beetje zoals de hangjongere die zonder aanwijsbaar nutsdoel in de publieke ruimte verkeert. De vagebond breekt los uit de cultuur van controle (surveillance) en wijst de dominante waardenpatronen af. Waar alles snel moet, gaat hij traag. ‘Vagebondisme is per definitie curvilineair van aard,’ schrijft Hanssen. ‘Het voltrekt zich altijd in kromme banen. Blijf denken in onregelmatige curven, blijf bewegen, zonder je te laten vastpinnen, vagebonderen is een ketterse bezigheid’.
 
Dat betekent dat vagebondisme niet alleen op fysiek dwalen slaat, maar ook op een mentale activiteit: het is het tegendraadse denken dat de norm onderuithaalt en intellectueel buiten de lijntjes kleurt. Hierin volgt het de sporen van Montaigne en Nietzsche. Hanssen wijst er trouwens fijntjes op dat heel veel van de zelfverklaarde nomadische postmoderne theorie, zoals onder meer door Gilles Deleuze bedreven, veel minder vagebondistisch is dan ze graag van zichzelf beweert. In de kringen van internationaal jetsettende academici is het vagebonderend discours vaak een prestigieus statussymbool geworden, een slechts schijnbaar radicale tegendraadsheid die zich in exclusieve kliekjes van de beleefde werkelijkheid heeft losgezongen. Talloos zijn de zelfverklaarde radicale intellectuelen die vurig eco- en anders-kritisch het kapitalisme hekelen, maar dat toch bij voorkeur op prestigieuze internationale conferenties doen waar ze met de gigantische ecologische voetafdruk van talloze vliegreizen naartoe sjezen. Terwijl de echte vagebond bij uitstek veeleer wandelt of rent of fietst. Er is vandaag veel te doen in academische kringen rond ‘nomadisch denken’ (met Deleuze en Derrida als intellectuele en morele helden), maar de aanhangers van dat soort denken lijken toch vooral gemotiveerd door een uitgekiende carrièrestrategie die hen feilloos van A naar B (een full professorship met royaal maandloon en internationale carrière-met-boekcontract) brengt.
 
In dat opzicht is het soms een beetje ergerlijk dat Hanssen, ondanks zijn pertinente kritische observaties, een groot aantal voorbeelden van (ook niet-academische) hedendaagse vagebonden aanhaalt die hun ideeën of ervaringen te boek hebben gesteld of in tijdschriften verkondigen, en die Hanssen dan ook allemaal heeft gelezen. Er ligt namelijk een paradox in het feit dat mensen die als een echte vagebond de wereld willen ontvluchten dan op een of andere manier hun relaas toch bij topuitgeverijen geplaatst weten, het in talloze talen vertaald en verkocht zien, en er in glossy magazines over praten. Hoezo wereldvlucht? Al te vaak ontstaat hierdoor de indruk dat vagebondisme, zelfs bij hen die het serieus lijken te menen, inderdaad een trendy hobby voor de geprivilegieerde klasse is geworden. Het voelt een beetje zoals de farizeeën in dat oude boek, de bijbel, die hun eigen deugdzaamheid adverteren. Kijk mij eens de kapitalistische prestatiedruk afzweren in mijn nieuwste New York Times bestseller! Straks sta ik met mijn wereldvlucht en mijn statusverwerping in de Time 100 Most Inspiring People van dit kwartaal!
 
Het spoor van Pasolini
Er is geen groter contrast voor de nepradicaliteit van zovelen van onze als lichtend voorbeeld schitterende kritische denkers dan de figuur van filmmaker, schrijver en mythisch sodomiet Pier Paolo Pasolini, die voor Hanssen ‘de grote vagebond van de twintigste eeuw’ is. Dat heeft vooral te maken met het feit dat Pasolini meer dan wie ook de totalitaire logica van het cultureel kapitalisme lijkt te hebben doorzien, en daarmee ook de kern van het wereldbeeld blootlegt waar de echte vagebond zich van afwendt. Hanssens hoofdstuk over Pasolini is de kern van het boek (ook in de letterlijke zin dat het zo min of meer in het midden staat) en zijn in kort bestek geschilderde portret van de Italiaanse duivelskunstenaar is treffend. Het fascisme van de Tweede Wereldoorlog heeft volgens Pasolini plaats gemaakt voor ‘een nieuw en nog veel despotischer fascisme, dat van de consumptiemaatschappij. […] Hij meende dat de macht zich had vertakt door de gehele samenleving en daarin was geslaagd door zich tolerant voor te doen.’ Maar deze tolerantie is in wezen slechts schijn omdat ze uitdrukking is van een ‘consumptiemacht, die een absolute formele elasticiteit in de samenleving nodig heeft’ die van ons de perfecte consument maakt. Met andere woorden: we zijn absoluut vrij omdat en in de mate dat de vrije keuzes die wij maken zich laten vertalen naar consumptiegedrag. De elasticiteit reikt zover als het marktpotentieel van onze verlangens.
 
Met deze analyse stond Pasolini natuurlijk niet alleen. Gepokt en gemazeld in het marxisme als hij was, zijn er interessante analogieën met het denken van Gramsci (wiens concept van ‘hegemonie’ of ‘vals bewustzijn’ net wijst op een totalitaire dwang die niet van bovenaf wordt opgelegd maar zich integendeel doorheen de geesten heeft vertakt door zich in de praktijken van het dagelijks leven te nestelen) of Marcuse, die in dit opzicht van ‘repressieve tolerantie’ sprak. Voor Pasolini was het ultieme symptoom van deze neptolerantie ‘het volledig vrijgeven van abortus als een van bovenaf opgelegde vorm van vrijheid, die moet verhullen dat alles wat seksueel “anders” is door de normaliteit wordt miskend en opzijgeschoven’. Dat is een provocerende gedachte, maar ze snijdt wel hout en legt een pijnlijke paradox bloot in het progressieve project van de seksuele bevrijding.
 
Ik moest bij het lezen van deze passage ook meteen terugdenken aan het hoofdstuk in Mia Doornaerts boek Tegendraads, dat ik pas uit had toen ik aan Hanssens boek begon, en waarin zij het draagmoederschap bekritiseert als een vermarkting van het vrouwenlichaam. In mijn bespreking maakte ik daarbij de suggestie dat een vergelijkbare objectivering gebeurt in het abortusdebat, waar deze logica gekoppeld wordt aan een proces van dehumanisering (van de foetus), om op die manier abortus louter te presenteren als (of te reduceren tot) een kwestie van ‘zelfbeschikking’ – en dus vrijheid als kapitalistische consumptie ten koste van de menselijkheid.
 
Men maakt zich met dergelijke kritische bedenkingen vandaag niet populair, en wie dit nog maar durft te denken, wordt al snel als extreem-rechts weggezet (hoe zou het Pasolini in de hedendaagse ideeënmarkt vergaan?). Maar is net die veroordelende reflex niet het beste bewijs van de hypothese van repressieve tolerantie? In dit opzicht is het zinvol om een opmerking van de Grieks-Duitse filosoof-socioloog Panajotis Kondylis indachtig te zijn. Hij liet zich ooit ontvallen dat mensen het systeem helemaal niet willen veranderen: ze willen gewoon macht verwerven binnen het systeem. Het is soms verhelderend om vanuit die optiek naar bepaalde emanciperende bewegingen te kijken. Dat is wat iemand als Germaine Greer bijvoorbeeld doet wanneer ze stelt dat gelijkheidsfeminisme onzin is en we een bevrijdingsfeminisme nodig hebben. Immers, gelijkheidsfeminisme heeft als doel dat vrouwen alles moeten mogen en kunnen wat mannen mogen en kunnen. Dat is het beruchte doorbreken van het glazen plafond. Maar de echte vraag is of we al die dingen die we dan kunnen en mogen ook wel moeten willen kunnen en mogen. Met andere woorden: als vrouwen het glazen plafond doorbreken en eveneens cynische kapitalisten aan het hoofd van uitbuitende multinationals kunnen worden – welke reële winst hebben we dan geboekt? Moet niet veeleer het hele systeem op de schop?
 
Dwalen in de onderbuik
Wat heeft deze kleine demarche met vagebondisme te maken? Heel veel, als u mij maar wilt volgen op mijn dwaalgang. Een rode draad doorheen Hanssens boek wordt gevormd door het hardlopen als een emblematische vagebonderende activiteit. Dit heeft alles te maken met het feit dat Hanssen zelf een hardloper is, en de auteur schrijft uitgebreid over de zich wijd en zijd vertakkende culturele implicaties zijn eigen rentochten doorheen zowel steden (Amsterdam, Wenen) als de vrije natuur. Hij gaat ook in dialoog met verschillende boeken over het hardlopen, en dan vooral de klassieke novelle The Loneliness of the Long Distance Runner (1959) van Alan Sillitoe, waarin een jongen uit de arbeidersklasse de kans krijgt om zijn levensperspectieven te verbeteren door een loopwedstrijd te winnen waar zijn schooldirecteur geld op heeft ingezet. De jongen bevestigt echter zijn vrijheid en autonomie door zich opzettelijk te laten verliezen: deze weigering om mee te gaan in het machts- en winstdenken is een bij uitstek vagebondistisch gegeven omdat het de vrijheid net in de ongebondenheid en in het verwerpen van elk systeem vindt.
 
Het is interessant om het hardlopen van Hanssen te contrasteren met een andere vorm van vagebondisme die in zijn boek vreemd genoeg niet aan bod komt. Zo heeft de auteur het nooit over cruisen: mannen die in parken of bossen rondhangen op zoek naar (doorgaans anonieme) seks met andere mannen. Hij wijst er weliswaar op dat Wittgenstein in het Wiener Prater rondhing op zoek naar seks met jongens, maar daar blijft het bij (en hij doet er ook niets mee). Ook het ronddwalen in rosse buurten, waarbij de ramen worden afgeschuimd in een dwaaltocht op zoek naar kortstondige bevrediging met lichtzedige dames, kan als een vorm van vagebondisme worden beschouwd die door Hanssen grotendeels over het hoofd wordt gezien (waar is Willem Elsschots Dwaallicht in dit boek?). In beide gevallen speelt de dwaaltocht zich nochtans af in een vagebondistische omgeving die van de dagdagelijkse wereld is afgesneden: een bos bij een snelwegparking, een hoek van een (stads)park, de magische cirkel rond een notoir urinoir, een schippers- of ander kwartier waar de seksuele schaduwwereld zich ophoudt in de luwte van urbaan verval en urinegeur. Typische niet-plaatsen in het niemandsland van de rafelrand der beschaving: de natuurlijke habitat van de vagebond.
 
Vooral het cruisen is interessant omdat het ook een illegale praktijk is: in tegenstelling tot andere vaak als ‘problematisch’ beschouwde seksuele praktijken zoals prostitutie, commerciële pornografie, of abortus wordt publieke seks, en dan vooral publieke seks tussen mannen, nog altijd actief vervolgd door politie en gerecht. Dat is opmerkelijk, want waar bijvoorbeeld prostitutie vaak met dwang en geweld en sociale miserie gepaard gaat en abortus om levensbeëindiging draait, is het homoseksuele cruisen een volledig vrijwillige activiteit waar mensen zich speciaal voor naar een specifieke plek moeten begeven en waar uiteindelijk niemand iemand kwaad doet. En mogelijk is dat net het probleem: bij deze anonieme publieke seks wordt immers geen geld verdiend, er wordt niemand uitgebuit, er is geen machtshiërarchie, niemand wordt tot iets gedwongen, iedereen is gelijk. Het is de ultieme nachtmerrie van de liberaal-kapitalistische cultuur met haar dwingende efficiëntie- en winstdenken. Het is de ultieme vagebondistische en dus ongebonden vorm van seks omdat het louter om eerlijke lust draait, zonder burgerlijke illusies van liefde of contractuele huwelijksverplichtingen, zonder quid pro quo, zonder vergoeding: het gebeurt enkel omdat twee mensen goesting hebben.
 
Het vagebonderen van de cruisende man is een patroon van ellipsen en kronkelingen rond een wisselend brandpunt, omschreven door de contouren van het terrain vague waar de ontmoetingsplaats zich situeert. Zoals Hanssen meermaals benadrukt, is het terrain vague, een brak niemandsland tussen beschaving en natuur (vaak een verlaten en verwilderde plaats die eertijds wel een functie had), een bij uitstek vagebondistische habitat. Het seksuele jachtterrein functioneert dan ook als een parallel universum met een eigen vagebondistische geografie die zich ontwikkelt in een labyrint van paadjes en door holle struiken gevormde ‘kamers’ waarin lichamen en handen elkaar ontmoeten. Sommige cruisingplaatsen hebben ook een bijna mythische status, zoals de verlaten pieren van New York of (dichter bij huis) het Gentse Citadelperk en het Minnewaterpark in Brugge. Dat laatste was sinds jaar en dag een bekende en zelfs internationaal beroemde ontmoetingsplaats voor mannen. Langs de vesting aldaar, in het licht van de lantaarns, kwamen des nachts de zoekende zielen naar buiten. Alan Hollinghurst heeft die sfeer prachtig gecapteerd in zijn roman The Folding Star (1994). Toen Brugge in 2002 tot culturele hoofdstad van Europa werd gekroond, werd de hele omgeving evenwel opgekuist en opgeschoond, en veel van de cruisingcultuur verdween (ik weet niet of het zich ooit heeft hersteld). Dat de sociale acceptatie van homoseksualiteit hand in hand is gegaan met grootschalige ‘opkuis’ van cruisingplaatsen is op zich een verhelderende illustratie van repressieve tolerantie.
 
Hanssen laat veel cultureel kapitaal liggen door deze thematiek niet uit te werken. Pasolini werd brutaal afgeslacht toen hij op het strand van Ostia naar knapenvertier zocht. Het cruisen werd hem fataal. Maar door het cruisen een centrale plaats in zijn leven te geven, schreef hij zich in een belangrijke moderne traditie van vagebondisme in. Het plaatsje Taormina op Sicilië werd, net als verschillende andere plaatsen in de Italiaanse laars, in de late negentiende eeuw een toevluchtsoord voor West-Europese (hoofdzakelijk Engelse en Duitse) homoseksuelen die in eigen land werden vervolgd. Oscar Wilde begon na zijn vrijlating uit de gevangenis van Reading aan een dwaaltocht door Frankrijk en Italië, op zoek naar oorden die ontvankelijker waren voor zijn seksuele voorkeur (een eenzaam vagebondisme waar Hanssen aan voorbijgaat terwijl hij met zijn bespreking van Baudelaires flâneur toch zo dicht in de buurt komt van Wilde), en niet weinig schrijvers en kunstenaars trokken in de loop van de negentiende eeuw naar de mediterrane of verder gelegen Oriënt op zoek naar exotisch seksueel vertier van zowel hetero- als homoseksuele aard. De dwaalsporen die zij achterlieten in kunst en literatuur hadden boeiende hoofdstukken kunnen opleveren.
 
Speelboek
Het voornaamste bezwaar dat je tegen Hanssens boek kunt maken is dat de titel de lading niet dekt. Dit is niet echt een handboek voor de vagebond. In zekere zin is de titel zelfs een contradictie in de termen, aangezien de vagebond zich net aan regels en uitgestippelde paden pleegt te onttrekken en bij uitstek lak heeft aan een handboek. Maar ook structureel is het boek te veel een reeks losse essays om een handboek te vormen: ‘aantekeningen van een vagebond’ was een betere titel geweest. Bovendien springt Hanssen soms heel ruim om met het concept vagebondisme als literair structurerend gegeven. Een aantal hoofdstukken heeft slechts een zeer precaire band met het vagebondisme, waarbij men de indruk krijgt dat Hanssen hier ook een aantal korte opstellen bijeen heeft gebracht omdat hij graag nog iets kwijt wilde over een bepaalde figuur of activiteit (wanneer men bij Neil Young en Kanye West belandt, is de rek stilaan uit de rekker).
 
Dat is op zich natuurlijk ook een vorm van mentaal vagebondisme, waarbij het boek, als veruitwendiging van de denkwegen van de auteur, op associatieve manier de doelmatigheid van het klassieke betoog saboteert. Helaas mist het boek op die manier soms ook focus, waardoor de spanningsboog vooral in de laatste honderd bladzijden wat verwatert. Het rafelt – zoals het een vagebond betaamt, zou je kunnen zeggen, maar voor een boek moet je dat niet willen. Bovendien had een deel van de ruimte die door dergelijke mijmeringen wordt ingenomen ook kunnen worden besteed aan prominente vagebondistische fenomenen en figuren (zoals het bovenstaande cruisen of de internationale dwaalwegen van figuren als Lord Byron, Percy Shelley, Oscar Wilde, D.H. Lawrence et al.) die nu niet aan bod komen.
 
Wat beklijft, is het pleidooi voor de menselijke maat. Heel vaak verwijst Hanssen naar Johan Huizinga’s concept van de homo ludens, de spelende mens. Dat is een oude gedachte. Men vindt ze bijvoorbeeld ook bij Schiller, die in zijn brieven over de esthetische opvoeding (en dus in een andere context en met toch wel significant andere connotaties) zei dat de mens pas echt vrij en mens is waar hij speelt. En dat is precies wat de vagebond doet: hij herstelt een spelende, zoekende relatie tot de wereld waarbij, los van alle nutsoverwegingen, de reis zelf het doel wordt. Er zit een sterk element van tegenwoordigheid (presentness) in het vagebonderen: opgaan in het moment, los van overwegingen over een (eind)doel en hoe dat efficiënt (doelmatig) te bereiken. Daarbij wordt de wereld nooit echt helemaal losgelaten – men weigert gewoon om er volledig in op te gaan. Er wordt immers nog steeds op paden gewandeld: sporen van het menselijk bedrijf. En ook het terrain vague is vaak een restant van menselijke activiteit veeleer dan een onontgonnen plaats. Urbex of urban exploring, het illegaal verkennen en fotograferen van leegstaande gebouwen (vaak verlaten industrieel erfgoed), is een mooi voorbeeld van een vagebondistische praktijk op een terrain vague (maar eveneens door Hanssen niet behandeld).
 
Berglandschap met wandelaar
Vagebondisme is een worp uit de wereld, maar geworpen vanuit de wereld, en met het oog op een ankerpunt, indien misschien niet een veilige haven. Hanssen zegt het zelf zo: ‘De kromme route van de vagebond blijft zich altijd in zekere mate verhouden tot het punt van vertrek en het in het achterhoofd gevisualiseerde, maar niet strikt noodzakelijke punt van aankomst’ en heeft, zoals hij het beeldend vertolkt, vaak de structuur van een Ginkgo-blad: een kronkelende rand (de dwaalroute) tussen twee min of meer rechte lijnen die naar het startpunt (de basis van het blad die voor ‘thuis’ staat) voeren. In die zin is zijn beschrijving van een beklimming van de Mont Ventoux heel herkenbaar voor wie al eens gaat wandelen in de Alpen. Men laat in de bergen immers de bewoonde wereld achter zich om gedurende kilometers en uren de wilde natuur in te trekken, tijdelijk zonder anker naar de veilige thuishaven.
 
Die natuur is wel degelijk wild, want de wandelaar moet op het pad letten, niet op de omgeving: een enkele misstap is genoeg om te vallen of je te bezeren en er is helaas geen asfaltweg om je per ambulance te komen halen. Men valt op zichzelf terug. Zeker buiten het toeristisch seizoen is de kans groot dat je weinig of geen mensen ziet op je wandeling. Die isolatie, omgeven door een eindeloze weidsheid (het is moeilijk om hoogte en afstand in te schatten als je op een smal bergpad tussen gigantische bergketens staat), kan beangstigend en beklemmend zijn. Het doel van zo’n wandeling is doorgaans zeer bescheiden: een berghut (die in het hoogseizoen wordt uitgebaat: toerisme boven alles) of een stempeldoosje in een kastje (een Stempelstelle) waar je je wandelkaart of een als een soort wandelaarspaspoort opgevat boekje kunt afstempelen als bewijs dat je echt te voet op die plek bent geweest (je bent immers pas echt ergens geweest als je er te voet bent geweest).
 
Wat het meest beklijft van zo’n bergtocht, is de euforie die je overvalt als je je bewust wordt van de totale nietigheid van je bestaan en alle wereldse betrachtingen. Als je tussen de rotsen of op een Alpenweide staat, een paar uur wandelen van je hotel in het laatste dorp verwijderd (en ook dat, laten we eerlijk zijn, is helemaal niets in de ogen van de geoefende Alpinist die dagenlang over de bergkammen van berghut naar berghut trekt zonder de luxe van een hotel), vindt alles zijn ware proportie terug. Dat, vermoed ik, is de ware bron van de angst van de bergwandelaar. De angst die nu en dan over je heen rolt, is in werkelijkheid je ego dat door je lichaam van zich af wordt geschud.
 
Dat, vermoed ik, is een wezenlijk vagebondistische ervaring. Dus als je ooit in de bergen staat en vreest elk moment door hysterische paniek te zullen worden overmand of overvrouwd, bedenk dan: nooit eerder in mijn leven was ik zo gezond, zo vrij, en zo wezenlijk mezelf, als hier en nu op deze rots.
 
Léon Hanssen: Handboek voor de vagebond. In de voetsporen van vrije denkers, Querido, Amsterdam 2020, 574 p. ISBN 9789021421308. Distributie L&M Books 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri