Vertaald proza

BOEKEN NR. 8, SEPTEMBER 2020

Leïla Slimani: Mathilde

door Herman Jacobs

‘Bemoei jij je met jezelf’ 

De Marokkaans-Franse Leïla Slimani wist zich met haar vorige boeken telkens van grote opmerkzaamheid bij pers en publiek te verzekeren. Met een tweede roman, Dans le jardin de l’ogre (2014, vert. In de tuin van het beest, Nieuw Amsterdam 2018 ) en een non-fictiewerk, Sexe et mensonges (2017, vert. Seks en leugens, Nieuw Amsterdam 2018), waarin ze tweemaal de seksuele ellende, met name van vrouwen, in de Marokkaanse samenleving schilderde, en een derde roman waarin het over kindermoord ging, het Goncourtprijswinnende Chanson douce (2016, vert. Een zachte hand, Nieuw Amsterdam 2017), kun je je daar ook wel iets bij voorstellen.

Haar nieuwe roman, in het Nederlands eenvoudigweg Mathilde getiteld (men denke hierbij overigens vooral niet aan de echtgenote van de huidige koning der Belgen; een heel ándere soort Mathilde is het die hier op de voorgrond treedt), is het eerste deel van wat een trilogie moet worden, Het land van de anderen. Daarin wil Slimani een heel fresco schilderen van Marokko (en Frankrijk), van de late jaren veertig tot het vorige decennium. Ambitie kan de schrijfster niet worden ontzegd.
 
‘Drie dagen later stapten ze [in Rabat, hj] in een vrachtauto waarvan de chauffeur had toegezegd hen naar Meknès te rijden. Mathilde voelde zich niet lekker door de stank van de vrachtwagenchauffeur en de erbarmelijke staat van de weg. Tweemaal stopten ze bij een greppel zodat ze kon overgeven. Bleek en moe staarde ze naar het landschap, waar ze geen betekenis of schoonheid in kon ontdekken, en ze werd steeds somberder. Maak dat dit landschap me niet vijandig gezind zal zijn, dacht ze. Zal deze wereld me ooit vertrouwd worden? Toen ze in Meknès aankwamen, was het al donker en kletterde er een harde, koude regen tegen de voorruit van de vrachtwagen. “Het is al te laat om je nu aan mijn moeder voor te stellen,” zei Amine [Mathildes kersverse echtgenoot, hj]. “We slapen in een hotel.”

De stad kwam haar donker en vijandig voor. Amine legde haar de indeling ervan uit, die overeenkwam met de principes die maarschalk Lyautey had geformuleerd, in het begin van het protectoraat. Een strikte scheiding tussen de medina, waar de voorvaderlijke zeden gehandhaafd zouden worden, en de Europese stad, waar de straten waren vernoemd naar Franse steden en die een proeftuin van moderniteit moest worden.’
 
In zekere zin weet je alles al na deze passage, helemaal in het begin van het boek nog, pagina 18. Die strikte scheiding was dus wel degelijk een koloniale realiteit, zoals nog zal blijken. En ‘Zal deze wereld me ooit vertrouwd worden?’: ga er maar van uit van niet, als dat in het begin zo expliciet aan de orde wordt gesteld (de wet van Tsjechov, u weet wel).
 
Vijftien pagina’s verderop staat er dan ook: ‘Toen ze in Marokko aankwam, was ze haast nog een kind. In een paar maanden tijd had ze de eenzaamheid en het leven binnenshuis moeten leren verdragen, een brute man en een vreemd land moeten leren verduren. Ze was van het huis van haar vader naar het huis van haar man gegaan, maar ze had niet het gevoel aan onafhankelijkheid of gezag te hebben gewonnen.’
 
Matilde, een Elzassische, wordt in de herfst van 1944, ze is dan achttien, smoorverliefd op de knappe Marokkaanse soldaat Amine. Een piepjonge, levenslustige en bepaald zinnelijke, voor die tijd nogal vrijgevochten Franse katholieke jonge vrouw met een acht jaar oudere, zeer hard werkende moslim van bescheiden komaf, in wiens leven frivoliteit geen dag, geen uur, aan de orde is geweest (de lap grond die hij, ver buiten Meknès, van zijn vader heeft geërfd zal zo goed als onvruchtbaar en onbebouwbaar blijken): dat lijkt geen recept voor een zorgeloze echtverbintenis, en dat wordt het dan ook niet. Dat zij een kop groter is dan hij is daarbij maar een detail, maar ook dat helpt niet echt. Tegelijk is Amine geen achterlijke macho – hij kan zich maar zeer ten dele ontworstelen aan het traditionele patriarchaat waar hij zelf een kind van is, maar de moderniteit is niet geheel aan hem voorbijgegaan, en hij houdt wel degelijk van Mathilde. Maar de afstand die moet worden overbrugd is groot. Tegen het slot van het boek aan heet het:
 
‘Ze waren tegelijkertijd slachtoffer en beul, metgezellen en tegenstanders, twee hybride wezens die niet in staat waren hun loyaliteit te benoemen. Ze waren twee geëxcommuniceerden die in geen enkele kerk meer konden bidden en hun God was een geheime privégod, van wie ze niets wisten, zelfs niet zijn naam’.
 
Subtiliteit is geloof ik niet Slimani’s grootste zorg, maar daar heb je ook weer soorten in, in dat niet subtiele, en de hare is niet de plompheid en niet het ‘Wel ja, leg het er nóg wat dikker bovenop, lezers zijn immers crétins die je álles moet voorkauwen’ – Slimani zegt gewoon graag waar het op staat, geen omwegen, geen doekjes voor het bloeden, geen Gallisch vertoon van glanzende (maar niet per se erg ter zake doende) verbositeit, gewoon boem:
 
‘Het daaropvolgende jaar kwamen de droogte en de treurige oogsten, want de korenaren waren zo leeg als de magen van de boeren zouden zijn, in de maanden erna. In de douars [gehuchten, hj] baden de arbeiders om regen, met gebeden die al eeuwenlang werden aangeleerd, zonder ooit effectief te zijn gebleken. Maar toch werd er gebeden in de brandende oktoberzon, en niemand kwam in opstand tegen Gods doofheid.’
 
Of ook:
 
‘Met neergeslagen ogen en haar doek tot boven haar neus opgetrokken, had ze het gevoel dat ze verdween, en ze wist niet wat ze daarvan moest denken. Hoewel deze anonimiteit haar beschermde, haar zelfs opwond, was die ook als een afgrond waarin ze ongewild wegzakte en het voelde alsof ze bij elke stap iets meer van haar naam, van haar identiteit verloor, dat ze door haar gezicht te verhullen ook een wezenlijk deel van zichzelf verhulde. Ze werd een schaduw, een vertrouwde persoon, maar zonder naam, zonder geslacht, zonder leeftijd. De enkele keren dat ze tegen Amine had durven beginnen over de positie van de Marokkaanse vrouwen, van Mouilala [Amines moeder, hj], die nooit haar huis uit ging, had haar man het gesprek afgekapt. “Wat heb jij te klagen? Jij bent Europees, niemand legt jou iets in de weg. Dus bemoei jij je met jezelf en laat mijn moeder waar ze is.”’
 
Onderdrukking en segregatie, zowel in groter verband als thuis: het is niet fraai en niet leuk, maar het is wel aan de orde van de dag in het Marokko van de jaren vijftig. De Fransen doen het met de autochtonen, bazen met hun personeel, de mannen sowieso met hun vrouwen, zusters, moeders, dochters – en sommige vrouwen met hun (uiteraard zwarte) slavin (niet het minst schokkende in dit boek is dat bijvoorbeeld Amines vader dus echt een slavin heeft gekocht, in de twintigste eeuw wel degelijk, en dat die vrouw in de jaren vijftig nog steeds familiebezit is). En daarbij heerst bij eigenlijk alle partijen de overtuiging dat het maar het beste is als alle gemeenschappen op zichzelf blijven: ‘Voor Mouilala liepen er door de wereld onneembare grenzen. Tussen mannen en vrouwen, tussen moslims, joden en christenen, en ze dacht dat het voor een goede verstandhouding beter was als die elkaar niet te vaak tegenkwamen. Zolang iedereen op zijn plaats bleef, heerste er vrede.’
 
Vrede die overigens relatief is: in de laatste hoofdstukken komt de oorlog (de Franse titel van de roman is La guerre, la guerre, la guerre), de opstand tegen de Franse ‘beschermers’ (in naam is Marokko geen kolonie, maar een zogeheten protectoraat), waar Amine en Mathilde en hun kinderen zich op hun afgelegen boerderij lange tijd ook letterlijk verre van hebben kunne houden, onontkoombaar dichtbij. Op de laatste bladzijde ziet Amines en Mathildes dochter Aïcha in de verte in de stad de huizen van de Franse kolonisten in vlammen opgaan.  
 
‘Aïcha kon haar ogen niet van het schouwspel losmaken. Nooit had de heuvel haar zo mooi geleken. Ze had het kunnen uitschreeuwen, zo gelukkig voelde ze zich. Ze had iets willen zeggen, willen lachen of dansen zoals de heksen over wie haar grootmoeder haar had verteld en die rondjes draaiden totdat ze flauwvielen. Maar Aïcha bewoog zich niet. Ze ging naast haar vader zitten en trok haar benen op. Laat ze branden, dacht ze. Laat ze ophoepelen. Laat ze creperen.’
 
Geen opwekkend slot voor deze bewogen, levendige, met vaart vertelde roman. Maar zo is het nu eenmaal gegaan.  
 
(Over de vertaling toch het volgende. Die is, nu ja, redelijk, maar in ieder geval niet zo dat je zegt: wat is dit goed vertaald! ‘Une complaisante nostalgie’, bijvoorbeeld, is niet ‘verwaandheid en nostalgie’. Ik denk trouwens dat hier iets als ‘een heimwee waar ze zichzelf in koesterde’ wordt bedoeld, dus met de notie in complaisant van ‘(te) toegeeflijk voor zichzelf’, maar ook als je een andere betekenis van het Franse adjectief kiest, dan kun je het nog altijd niet met ‘verwaand’ vertalen – het kan, inderdaad, ‘zelfvoldaan’ betekenen. Nee, dat is niet hetzelfde.
 
‘Sa haute taille, sa blancheur, son statut d'étrangère la maintenaient à l'écart du cœur des choses, de ce silence qui fait qu'on se sait chez soi’: ‘Haar lengte, haar witheid, haar status van vreemdelinge hielden haar weg van de kern der dingen, van een bepaalde stilte die maakt dat je weet dat je ergens thuishoort.’ Hmm – ‘beletten haar door te dringen tot het hart der dingen, tot die stilte waardoor je weet dat je ergens thuis bent’ misschien? (‘Blancheur’ betekent hier overigens ‘blankheid’, maar ja, daar krijg je racismemelaatsheid van, als je dat woord nog durft te gebruiken.)

C’est ma femme. Nous venons de nous retrouver’: ‘Ze is mijn vrouw. We hebben elkaar net weer teruggevonden.’ Welnee. We hebben elkaar net weer teruggezien, dat is wat Amine bedoelt, als Mathilde in 1946 dan eindelijk haar man achterna reist naar Marokko.
 
Afijn. Van die dingen. En, o ja: het is niet ‘sjaal’. Dat ding heet hoofddoek.)
 
Leïla Slimani: Matilde, Nieuw Amsterdam, Amsterdam 2020, 318 p. Vertaling van La guerre, la guerre, la guerre door Gertrud Maes. ISBN 9789046827000. Distributie door Mythras Books

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 8, SEPTEMBER 2020

De bruidsvlucht

Annemarie Estor

Het hellen van een leven

Luis Carrasco

Kindertijd

Tove Ditlevsen

Oorlogsdagboek. Met brieven van Jack Hamesh

Ingeborg Bachmann

Solituden, songs

Jacques Hamelink

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 8, SEPTEMBER 2020

Alfabet

Charlotte Dematons

Dit is Jeruzalem

Stanislav Setinský

En de wereld zei ja

Kaia Dahle Nyhus

Het verlangen van de prins

Marco Kunst

Oliver Twist

Tiny Fisscher (bew.), Annette Fienieg (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri