Letterkunde

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2020

Andreas van Rompaey: Paul de Wispelaere. Bruggenbouwer

door Yvan de Maesschalck

Hoe geraak je verslingerd aan een auteur en waarom wil je alles van of over hem/haar lezen zodra de vonk is overgeslagen? Ik denk dat op die vraag geen standaardantwoord kan worden gegeven, maar herinner me wel dat ik na lectuur van De Wispelaeres Een eiland worden (1963) aan het verzamelen ben geslagen van romans die als ‘ander’, ‘nieuw’ of ‘vernieuwend’ proza werden aangeduid. Het boek alfa (1963) van Ivo Michiels uiteraard, maar ook De ridder is gestorven (Van der Hoogtprijs 1963) van Cees Nooteboom en Breekwater (1961), het eerste boek van Sybren Polets zogeheten Lokien-cyclus. En verder La route des Flandres (1960) van Claude Simon of Les Fruits d’or (1963) van Nathalie Sarraute.   

Lectuur van die boeken leerde me dat een roman niet noodzakelijk een externe chronologische lijn hoeft te volgen, maar ook de schijnbaar ongeordende weergave kan zijn van wat zich in het hoofd van een of meer personages afspeelt. Ik heb mijn queeste geduldig voortgezet, maar ben telkens weer teruggekeerd naar de geschriften van Paul de Wispelaere, in de hoop dat zijn volgende boek op zijn minst even aangrijpend en toch iets toegankelijker zou zijn. Niet alleen bleek dat vanaf Mijn levende schaduw (1965) het geval, zijn talloze essays vormden op een of andere manier een polyfone leeswijzer bij zijn verhalen, tot en met En de liefste dingen nog verder (1998), waarmee hij zijn romaneske oeuvre afsloot. De schriftuur van De Wispelaere was van meet af aan lyrisch van inslag en is dat tot het einde toe gebleven, al is een bepaalde evolutie onmiskenbaar. Dat hem de Prijs der Nederlandse Letteren zou worden toegekend, stond als een paal boven water. En zo is gelukkig ook geschied.
 
Bij het lezen van het onlangs verschenen overzicht Paul de Wispelaere. Bruggenbouwer kwamen veel leesherinneringen bij me naar boven. In zijn boek schetst Andreas van Rompaey de ontwikkeling van de auteur op basis van diens persoonlijke archief, dat sinds 2012 in het Letterenhuis wordt bewaard. De onderzoeker maakt dankbaar gebruik van de uitvoerige briefwisseling met andere auteurs, uitgevers en redacteurs om een beeld te geven ‘van De Wispelaeres carrière en, bij uitbreiding, van het literaire veld in de naoorlogse periode’. Voor ‘deze biografische studie’ deed hij evenwel ook een beroep op talloze recensies, studies, essays, monografieën en dagboekaantekeningen die aan zijn werk zijn gewijd. Dat blijkt niet alleen uit het uitvoerige kritische apparaat, dat bijna 600 noten (37 bladzijden) en nagenoeg 30 bladzijden bibliografie beslaat, op een totaal van 245 bladzijden (een omvangrijk namenregister inbegrepen). In deze drieledige, chronologisch geordende studie besteedt Van Rompaey achtereenvolgens aandacht aan de auteur als ‘debutant’, ‘gevestigde waarde’ en ‘autoriteit’.
 
In de eerste twee delen wordt, na een vluchtige blik op zijn herkomst, vroege probeersels en opleiding, ingezoomd op de (vaak) beslissende rol die De Wispelaere speelde bij de vorming of instandhouding van enkele (avant-gardistische) tijdschriftredacties en (kleinere) uitgeverijen. Revelerend is het relaas van zijn medewerking aan het experimentele tijdschrift De Tafelronde (1955-1963), waarin hij zes opmerkelijke bijdragen publiceerde. Die liggen deels aan de basis van zijn novelle Scherzando ma non troppo (Ontwikkeling, 1959), waarin volgens sommigen al ‘enkele hoofdthema’s van zijn oeuvre besloten liggen’. De Wispelaere verliet uiteindelijk de redactie omdat er enige ruis kwam te zitten op zijn verhouding met hoofdredacteur Paul de Vree, na publicatie van Een eiland worden. De roman werd het voorwerp van een plagiaataffaire, waarbij hem onder meer door Paul Hardy en Frans de Bruyn werd nagedragen zich te zeer op het werk van Gerard Reve en Harry Mulisch te hebben geïnspireerd, hoewel critici als Hans Gomperts en Jan Walravens de overeenkomsten vooral toeschreven aan een ‘gedeeld levensklimaat’. Traditioneel gerichte schrijvers als Piet van Aken, Hubert Lampo en Maurice Roelants verleenden het vermeende plagiaat polemische proporties, terwijl literaire medestanders als Julien Weverbergh en Jan Walravens het telkens weer voor hem opnamen. Hoewel in het beruchte negende nummer van het tijdschrift Bok (1964) eindelijk een punt werd gezet achter het debat, wordt het (onbewezen) plagiaat naar mijn smaak erg vaak opgerakeld in Van Rompaeys studie.
 
De Wispelaere werkte in de (late) jaren vijftig, zestig en zeventig aan heel wat – ook niet-literaire – projecten van progressieve aard mee. Het op de architectuur van Brugge toegesneden initiatief ‘Raaklijn’ en de congresdagen van ‘Forum 59’ zijn daar uitstekende voorbeelden van. Daarenboven was hij, samen met Jan van der Hoeven, een van de stichtende leden van het nieuwe periodiek Diagram (1962-1964), dat de Vlaamse tegenhanger wou zijn van het Nederlandse tijdschrift Merlyn en een tekstgerichte literaire kritiek voorstond naar buitenlands model (cf. ‘la nouvelle critique’). Het blad promootte het talent van Hector-Jan Loreis, Ivo Michiels en Claude Krijgelmans en kantte zich expliciet ‘tegen het literaire establishment en de redactie van het Nieuw Vlaams Tijdschrift’. Tegelijk verleende hij zijn medewerking aan jongerenbladen als Yang en Tabula, en trad hij in de schoolse setting van het Koninklijk Atheneum van Sint-Michiels op als advocaat van een nieuwe lichting schrijvers (als Jan Emiel Daele en Daniël van Ryssel). Johan Sonnevilles verslag geeft de sfeer van dit ludieke evenement treffend weer en is hier in extenso opgenomen.
 
De Wispelaere kwam via zijn intense betrokkenheid bij Uitgeverij De Galge, later omgevormd tot Uitgeverij Sonneville, in contact met Herwig Leus en schreef een befaamd gebleven nawoord bij Loreis’ experimentele roman Is de boelijn over de nok? (1965). Toen er felle discussies in het leescomité ontstonden, trok De Wispelaere zich in 1965 uit de uitgeverij terug. Ondanks de tweedracht/onmin die tussen beiden naderhand ontstond, bleef De Wispelaere voor Loreis ook later onverkort ‘de grootste naoorlogse schrijver die alle anderen ver achter zich laat’.
 
Hoe De Wispelaere via Johan Sonneville, aan wie deze studie misschien wat onevenredig veel aandacht schenkt, en via de voormalige Gard Sivik-redacteur René Gijsen, de toonaangevende criticus Pierre H. Dubois ontmoette, vormt een van de aantrekkelijkste hoofdstukken van het boek. Beide auteurs zagen elkaar in de context van het avant-gardetijdschrift Komma (1964-1970), waar ook Willy Roggeman en Julien Weverbergh bij betrokken waren. Daardoor kwam hij in contact met de Nederlandse uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, waar De Wispelaeres tweede roman zou verschijnen. Dankzij Dubois begon De Wispelaere, die op vraag van Jan Walravens al recensies plaatste in De Vlaamse Gids, ook te schrijven voor de Haagse liberale krant Het Vaderland, een taak die hij meer dan twintig jaar zou waarnemen. Uit zijn daarin geplaatste besprekingen blijkt – vanzelfsprekend – ‘een duidelijke voorkeur […] voor vernieuwend proza van jongeren’, waarbij de recensent opvallend ‘etiketten’ vermijdt ‘om auteurs te categoriseren’. Hij herkende zich in het proza van Sybren Polet, over wiens ‘liternatuur’ hij eerder al uitvoerig publiceerde in het Nieuw Vlaams Tijdschrift (1968), en in dat van Jacq Firmin Vogelaar. Toch had hij tegelijk oog voor parallelle ontwikkelingen, zoals voor het documentaire proza van Enno Develing en was hij niet te beroerd om laatstgenoemde aan te prijzen bij hem bekende uitgeverijen, zoals Nijgh & Van Ditmar en Manteau (waar Enno Develing uiteindelijk onderdak vond). Terecht concludeert Van Rompaey dat ‘De Wispelaere in de jaren zestig en zeventig dus herhaaldelijk op[trad] als spreekbuis van miskende auteurs’.  
 
Intussen bleef De Wispelaere als creatief schrijver allerminst onopgemerkt en werd doorgaans lovend geschreven over Mijn levende schaduw, onder meer door Marcel Janssens, Willy Roggeman en zelfs door Piet van Aken in zijn (overigens nog altijd lezenswaardige) Agenda van een heidens lezer (1965). De roman zou in het veel latere literair-historische overzicht Altijd weer vogels die nesten beginnen (2006) van Hugo Brems gelden als het typevoorbeeld van ‘een door de ‘nouveau roman’ beïnvloed experiment’. In ieder geval mocht hij in 1966 voor die roman de Prijs van het Referendum der Vlaamse Letterkundigen ontvangen. Toch verhinderde die bekroning niet dat De Wispelaere zich in de daaropvolgende jaren vooral concentreerde op zijn eigen kritische werk, dat hij bundelde in het genredoorbrekende boek Paul-tegenpaul, Het Perzische tapijt, Met kritisch oog en in Facettenoog, een bloemlezing met een uitvoerig woord vooraf van samensteller Weverbergh, waarin laatstgenoemde zich weinig lovend uitliet over De Wispelaeres kritische maatstaven (wat door De Wispelaere maar matig kon worden geapprecieerd). In 1971 kreeg hij uitgerekend voor die bundel de Driejaarlijkse Prijs van de Maatschappij voor Letterkunde, nadat hij eerder de Essayprijs 1967 had weggekaapt. Algemeen kan worden gesteld dat zijn werk was geëvolueerd van ‘gesloten’ naar (meer) ‘open’, zoals Stefan Hertmans in zijn licentiaatsverhandeling (1974) aantoonde en waarnaar ook even verwezen wordt.
 
Het derde deel van de studie biedt een aperçu van De Wispelaere als docent – en later – als hoogleraar Nederlandse literatuur aan de UIA en auteur van essayboeken als De broek van Sartre (1987), bekroond met de Interprovinciale Prijs voor Letterkunde en de Staatsprijs voor Kritiek en Essay in 1988. Veel aandacht gaat uit naar zijn doctorale proefschrift over Dirk Coster, begonnen in opdracht van professor Frank Baur in 1952 aan de UGent en uiteindelijk verdedigd in 1974 aan de UIA met professor Clement Neutjens ‘als lector’. Hoewel Albert Westerlinck, toenmalig hoogleraar aan de KUL, hem ertoe aanspoorde te solliciteren naar een vacante plaats aan de Universiteit van Amsterdam en aanvankelijk Ada Deprez werd aangesteld aan de jonge pluralistische instelling UIA, werd de Antwerpse alma mater midden de jaren zeventig zijn vaste stek, mede dankzij de aanmoediging van zijn collega Joris Duytschaever. Hij zou er een eigengereide aanpak en niet-academische lesstijl cultiveren en samen met Georges Wildemeersch en Kris Humbeeck vanaf 1986 aan de basis liggen van het Louis Paul Boon-documentatiecentrum.
 
Zijn voortrekkersrol bij de studie van Boons oeuvre wordt heel terecht beklemtoond, met verwijzingen naar de intussen klassieke studie over Boon als ‘tedere anarchist’ (1976) en naar belangrijke Boonpublicaties in Komma en De Kantieke Schoolmeester (1991-1996), waarvan enkele werden opgenomen in het hem bij zijn afscheid aangeboden huldeboek Tekst en context (1992). Omdat zijn bijdrage op dat gebied zo aanhoudend en doorslaggevend was, verbaast het dat een omstandiger overzicht hier ontbreekt, ook omdat een ‘selectieve secundaire bibliografie’ eerder door Jos Muyre  in het speciale De Wispelaere-nummer van Boelvaar Poef (jg. 11, 2011/1) werd opgenomen.
 
Net als in de vorige delen duiken in het laatste deel een paar smeuïge anekdotes op, zoals die over zijn verblijf met Jef Geeraerts in Ventimiglia en de langzaam verslechterende verstandhouding tussen beide schrijvers. Maar los daarvan lijkt me het verslag van het ontstaan van het Nieuw Wereldtijdschrift (NWT) een van de belangwekkendste literaire gebeurtenissen waar De Wispelaere een rol van betekenis in speelde. De tweestrijd over wie het ter ziele gegane Nieuw Vlaams Tijdschrift zou opvolgen, werd naderhand toegelicht door Georges Adé, redacteur van het nagelnieuwe Diogenes, in zijn essay De dood van het NVT (1984) en verder uitgespeld in een live televisie-uitzending van het spraakmakende programma IJsbreker op 14 maart 1984.  
 
‘De Coninck en Piryns kwamen samen met De Wispelaere in zijn woonkamer en gingen de confrontatie aan met hun concurrenten in Antwerpen. Beide partijen kregen de kans om hun standpunten te bepalen en zich zo tegen elkaar af te zetten’.
 
Financiële problemen en de onverwachte dood van de erg bevlogen hoofdredacteur Herman de Coninck in mei 1997, aan wie een prachtig dubbelnummer van het NWT werd gewijd, betekenden het einde van een internationaal georiënteerd tijdschrift, ook al beleefde het in 1998-2000 een kortstondige heropleving. Toen De Morgen er financieel alleen voor kwam te staan, was het lot van het blad bezegeld. ‘Voor de Wispelaere betekende dit het einde van een lange en intensieve betrokkenheid bij literaire tijdschriften’.
 
Het boek eindigt met een driedubbel crescendo. Zo wordt er, behalve aan nieuw kritisch werk, ruim aandacht besteed aan de zogeheten prozatrilogie Tussen tuin en wereld (1979), Mijn huis is nergens meer (1982) en Brieven uit Nergenshuizen (1986). De drie romans kregen hoge lof en tonen onder meer aan dat de auteur zijn ecologisch engagement in zijn creatief proza een nog ruimere plaats toebedeelde. Van Rompaey citeert uitvoerig uit de kritische receptie en licht de samenhang tussen de romans toe. Merkwaardig is dat hij in zijn studie op geen enkel moment naar Marcel Proust verwijst, wiens La recherche in zekere zin de rode draad en een meer dan opvallende verhaalcomponent vormt van deze lyrische briefroman. Naast How Proust Can Change Your Life (1997) van Alain de Botton, enkele essays van Stefan Hertmans en De tandeloze tijd van A. F. Th. van der Heijden is De Wispelaeres roman het meest nadrukkelijke Nederlandstalige eerbetoon aan de Franse grootmeester, zodat het me onbegrijpelijk lijkt dat zijn naam hier niet voorkomt, tenzij je genoegen neemt met een knipoog naar Proust in de titel van Koen Vermeirens recensie, zoals uit een enkele voetnoot blijkt.
 
Thematisch verwant met die romans is het bejubelde en voor de AKO Literatuurprijs 1993 genomineerde dagboek Het verkoolde alfabet (1992), waaraan Anne Marie Musschoot en Bert Vanheste indringende essays wijdden. Die verschenen onder meer in het door Erik Spinoy ingeleide en samengestelde Mythe en geschiedenis. De wereld van Paul de Wispelaere (VUBPRESS, 2003), waaraan ook Elke Brems en Bart Vervaeck hun gewaardeerde medewerking verleenden, maar waarvan jammer genoeg geen enkel spoor is terug te vinden in dit boek.
 
Het laatste kapittel is een eresaluut aan een eminent schrijver die zijn carrière min of meer afsloot met de hem in 1998 toegekende Prijs der Nederlandse Letteren. Hoe de plechtigheid in Den Haag verliep, hoe hartelijk het contact was met Koningin Beatrix, wie een laudatio hield en waarom de gelauwerde auteur het in zijn dankwoord had over Márquez’ Honderd jaar eenzaamheid, wordt via het uitvoerige verslag van Johanna Kruit weergegeven. Het is een persoonlijk gekleurd, kruidig relaas dat de auteur alle recht doet.
 
Toch doet de integrale opname ervan meteen een van de minder sterke kanten van deze studie oplichten, met name de wanverhouding tussen dergelijke lange citaten en de soms cryptische verwijzingen naar op zich relevante beweringen waarvan de lezer de identificatie via de noten zelf moet opsporen. Daarenboven zijn de talrijke zwart-witillustraties meestal van zo’n bedenkelijke kwaliteit dat je als fan van De Wispelaere graag teruggrijpt naar een betere afdruk, zoals die bijvoorbeeld zijn terug te vinden in het al aangehaalde Poelvaar Poef-nummer. Bevreemdend is ook dat de ‘Inleiding’ van de auteur voorafgaat aan het wervende ‘Woord vooraf’ van De Wispelaeres voormalige medewerker Lukas de Vos. Zou een omgekeerde orde niet net iets logischer zijn?
 
Maar die bedenkingen ter zijde, is het boek de welkome aanzet van een nog te schrijven biografie, waarvoor vanzelfsprekend meer bronnenonderzoek en vooronderzoek vereist zijn. Van Rompaeys boek zou ik niet zozeer een ‘biografische studie’ noemen, als wel een voortreffelijke bio-bibliografische voorstudie. Als dusdanig is het boek een verdienstelijke bijdrage aan het De Wispelaere-onderzoek, dat hopelijk in de komende jaren grondig zal worden aangevuld en uitgediept. De Wispelaere mag best te boek staan als een bruggenbouwer maar ook als iemand die af en toe welbewust bruggen opblies en daarbij zijn eigen koers scherp in het oog hield. Dat de auteur na zijn overlijden op 2 december 2016 door erg verschillende auteurs als Piet Piryns, Stefan Hertmans, Guido van Heulendonk, Herman Leenders, Miriam Van hee en Jooris van Hulle meer dan eens werd herdacht, bewijst de blijvende relevantie van zijn imposante oeuvre.
 
Andreas van Rompaey: Paul de Wispelaere. Bruggenbouwer, Zorro-Feniks, Damme 2020, 245 p. ISBN 978946168 064 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2020

De Ghanese diaspora in het werk van Yaa Gyasi

Ontworteling en identiteit

De opgang

Stefan Hertmans

Het hele leven

Bart Moeyaert, Peter Van den Ende (ill.)

Het huis met de kersenbloesem

Sun-mi Hwang

Het leven speelt met mij

David Grossman

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, OKTOBER 2020

De lijst van dingen die niet zullen veranderen

Rebecca Stead

Dier vrienden. Een boek vol beestige duo's

Coco & June

Het geheim van de tuin

Jan Paul Schutten, Joris Bijdendijk, Floor Rieder (ill.)

Over het werk van Joukje Akveld

Speels, scherpzinnig en met heldere inzichten

Stilte heeft een eigen stem

Ruta Sepetys

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri