Poëzie

BOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2020

Erwin Mortier: Precieuze mechanieken. Nieuwe gedichten

door Jooris van Hulle

Zijn wij niet altijd de zieners van het verleden?   

In 2009 publiceerde Erwin Mortier Voor de stad en de wereld. De gedichten tot dusver. Nu, elf jaar later, komt Precieuze mechanieken met nieuwe gedichten. De omkaderende cycli in de bundel zijn expliciet gewijd aan de moeder. In de openingscyclus, ‘wie, ik’ richt de dichter zich tot zijn moeder, om haar in de slotafdeling zelf aan het woord te laten. Het openingsgedicht van de bundel maakt meteen duidelijk waarom Mortier zo lang heeft gezwegen als dichter: 
 
‘Ma,
Al te lang heeft je ziekte me de poëzie ontfutseld en mij mezelf.
De nesten vol drakeneieren in je kop braken hun zwarte dooiers in de mijne.’
 
In het slotdeel heeft de moeder het vanuit het hiernamaals waar ze nu vertoeft, zelf over haar mentale neergang: 
 
‘Twaalf jaar lang in spinnenwebben moeten wonen,
niet weten hoe mijn bloesjes te knopen, die laatste potlood- 
streep halfweg mijn laatste brief aan Lea,
 
iedereen vergeten doet een mens geen goed.’
 
Het stokt in het geheugen van de moeder, er zit zand in het raderwerk van de precieuze mechanieken die haar, en bij uitbreiding de wereld draaiende moeten houden.
 
Schrijvend ontwerpt Mortier een vorm van verzet tegen het tekort:
 
‘Nu weet ik, eindelijk ben ik jong genoeg om te beseffen:
schoonheid zal de wereld redden – eergisteren al, nu reeds
en ook over zevenmaal
zevenhonderd jaar,
 
in talen die wij niet kunnen bevroeden.’
 
Vandaar ook dat hij zonder omwegen kan beweren: 
 
‘Ik lees of schrijf niet om ter bestemming te komen,
maar om onderweg te blijven,
al schrijvende onrecht het leven zuur te maken.’
 
Het onrecht waar hij het hier over heeft, behelst de vernietiging van onze leefwereld (‘Al die puinen op onze aarde.’), maar even nadrukkelijk de niet weg te cijferen aanwezigheid van de dood. Zo schrijft hij, met een subtiel ingebouwde allusie op Jaag je ploeg over de botten van de doden, de roman van Nobelprijswinnares Olga Tokarczuk: 
 
‘We drijven onze ploeg door de botten van de gevallenen.
Er bestaan geen relaties die niet op uitbuiting berusten.
Iedereen heeft gedood om te kunnen overleven.’
 
En toch, zo luidt het slotvers van de openingsafdeling: ‘Je zoon heeft nog vragen’.
 
Opmerkelijk is dat Erwin Mortier zichzelf en de manier waarop hij zijn moeder nabij is gebleven, in een eerste aanzet achterwaarts bewegend in kaart brengt, ‘zijn wij niet altijd de zieners van het verleden?’ De paradox als stijlfiguur, om zo tegenstellingen op te heffen. En in het direct hierbij aansluitende gedicht lezen we:
 
‘We schudden treurnis van ons af, een rilling die feest heet.
[…]
We trekken vuile kleren aan en leven ze proper’
 
Of nog:
 
‘Ook zijn er jubilea. Ooms en tantes lepelen lippen leeg,
drinken zich nuchter, zoenen wederhelften
roezig onbekender.’
 
De moeder blijft, zij het nu meer op de achtergrond, een bepalende rol spelen. Mortier legt de verwarring bloot die haar in toenemende mate heeft overvallen:
 
‘Al dat plezier aan geruite tafelkleden,
de zachte ontreddering die plotsklaps
komt bloot te liggen wanneer men
de dingen op hun kop zet.’
 
In wat beschouwd kan worden als een tussenafdeling, die drie liederen voor de zon bevat, effent Mortier via het Zonnelied van Fransiscus en de breed uitlopende reeks rond zonnefarao Echnaton (hier: Akenaten) het pad naar het gedicht ‘Kleine Erwin aanbidt de zon’ (‘Zelf aanbid ik zelden de zon’) , daarbij refererend aan het jaar 2019, het schrijfmoment dat de genese moet oproepen van de bundel Precieuze mechanieken. Geen zonnegloed, maar ‘het lover van de popels’, ‘In de nacht moet mijn geest voor mijn thuisloze taal de zitbank zijn.’ Dood en vernieling, de apocalyps van de totale ondergang staan centraal in de reeks die Mortier schreef bij de ‘Kruisafneming’ van Rogier van der Weyden -- met bijtende kritiek op de achteraf-commercie rond het lijdensverhaal:
 
‘In de shop zijn theemokken
met Uw naam te krijgen, alsook
 
legpuzzels Uwer ledematen.
[…]
Straks lunch in de cafetaria:
broodjes gezond zonder vermenigvuldiging.’
 
en bij Beethovens muziek voor Goethe’s tragedie ‘Egmont’: 
 
‘Moed, mijn lief, is meer voor brons
bedoeld dan voor ons mensen.’
 
Ik ben je kleine Demosthenes
Vooraleer in een aangrijpende slotafdeling de moeder zelf aan het woord te laten geeft Mortier in de afdeling ‘Van spreken ben ik het schrale sacrament’ (hier valt weer de Bijbelse connotatie op) een inkijk in zijn poëticale opvattingen. Aan duidelijkheid ontbreekt het allerminst: 
 
‘Al te lang heb ik me laten intimideren door de oncologen van de
powetiek, chirurgen die menen
dat een vers door het theoretisch te kortwieken als vanzelf de juiste
banen zal beschrijven.’
 
Geen pose-om-de-pose, maar kort en klaar: 
 
‘Bovenal moeten mijn zangen feeëriek fonkelen,
inhoud en vorm laten samenvallen,
of hard als diamant runen kerven in een handpalm.’
 
En als een echo van deze verzen: 
 
‘De poëzie is haar zintuig voor pracht verloren, voor de verschrikking
van de wereldse schoonheid.’
 
en verder:
 
‘Schaamteloos, ja, schaamteloos
belijd ik mijn credo in het offer van de taal,
ons klamme brood.’
 
Als ‘een kleine Demosthenes’ wil de dichter ‘de lettergrepen bevolken / met de meest oorspronkelijke stilte.’ Dit alles effent de weg naar het slotdeel: de moeder spreekt badinerend, het hoge vermengend met het lage, over haar plaats hierboven: er is God de Vader die graag rijstkoekjes eet zonder boter, er zijn de roddelende martelaren, er is Beethoven die ‘met zijne dove kop vast zit in de vulva van de grammofoon’, er zijn Poolse werklieden die dringend de wc moeten komen ontstoppen… Onder de flinterdunne deklaag van een relativerende kijk legt Mortier bloot wat hem raakt: dat zijn moeder kan en mag zeggen dat zij Lieven (de man van Mortier) graag ziet, of over haar dementie:
 
‘Noach is ook dement.
Hij zoekt heel de dag twee zebra’s.
 
Ze vinden dat komiek.
Ik niet.
 
Ik had liever dat zijn stekelvarkens
in andermans kop
 
waren komen winterslapen.’
 
Precieuze mechanieken heeft alles in zich om uit te groeien tot een van de literaire hoogtepunten van het onzalige coronajaar 2020. Speels en gedurfd in de aanpak, gedragen door een uitermate breed uitdijende belangstelling voor onze cultuurgeschiedenis, persoonlijk en toch rakend aan het universele. Poëzie kortom die ‘knettert als een vuur dat oplaait / in tongen van as.’
 
Erwin Mortier: Precieuze mechanieken, Amsterdam, De Bezige Bij, 2020, 107 p. ISBN 9789403103518. Distributie Standaard Uitgeverij 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2020

Gesmoorde woorden

Olivier Rolin

Het verdriet van Spanje

Christiane Stallaert

Op weg naar De Hartz

Wessel te Gussinklo

Precieuze mechanieken. Nieuwe gedichten

Erwin Mortier

Tien jaar later

Harry Mulisch

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2020

De Baron von Münchhausen

Wouter Deprez, Randall Casaer (ill.)

Gloei; interviews en gedichten.

Edward van de Vendel, Floor de Goede (ill.)

Het sleutelbeengebaar

Hilde Van Cauteren

Sterker dan elk afscheid

Enrico Galiano

Woorden temmen: Van kop tot teen

Charlotte Van den Broeck en Jeroen Dera

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri