Nederlands proza

BOEKEN NR. 2, FEBRUARI 2021

Annelies Verbeke: Treinen en kamers

door Jooris van Hulle

In haar boeiende en inzichtelijke bijdrage ‘Een wereld in het klein’ (Standaard der Letteren, 26.04.2019) brak Maria Vlaar, auteur en recensente, een lans voor het genre van het kortverhaal: ‘korte verhalen zijn vaak licht absurdistisch: het gaat erom in kort bestek de verbeelding van de lezer maximaal te prikkelen.’ Ze verwees er onder meer ook naar Eduardo Halfon, die in zijn boek De Poolse bokser schrijft dat een kort verhaal altijd twee histories vertelt: ‘Onder een zichtbaar verhaal gaat een geheim schuil.’ Halfons visie brengt Vlaar tot deze uitspraak: ‘Een kort verhaal gaat om de suggestie van een heel leven, zonder dat volledig te beschrijven.’   

Annelies Verbeke ijvert nu al jaren voor een (her-)waardering van het genre in ons taalgebied. Ze stelde bloemlezingen samen (onder meer Naar de stad met Sanneke van Hassel) en schrijft, naast romans, zelf ook verhalen. In Treinen en kamers brengt ze, net als in de eerder verschenen bundel Halleluja (De Geus 2017), vijftien verhalen bijeen. Opmerkelijk is de invalshoek waarvoor zij dit keer heeft geopteerd: in hun onderlinge samenhang omvatten de verhalen vier millennia literatuur uit de hele wereld, van hoogtepunten uit de Soemerische literatuur die teruggaat tot 2260 voor onze tijdrekening, tot de Odyssea van Homeros, De goddelijke komedie van Dante Alighieri of Herman Melvilles Moby Dick. Met deze verwijzingen nodigt Verbeke je uit je verbeelding open te stellen voor de link die, vanuit de actualiteit van beschreven situaties, gelegd kan worden met het geciteerde werk.  
 
Bijzonder verdienstelijk aan het geheel is dat Verbeke duidelijk de touwtjes in handen houdt. Het openingsverhaal ‘Deserteren’ (een remake van de novelle die Annelies Verbeke in 2019 schreef in het kader van ‘TeGek!?’) en het slotverhaal focussen op ‘de auteur’, het personage dat tot op zekere hoogte als alter ego van de schrijfster kan worden beschouwd. Gaat het er in ‘Deserteren’ in de eerste plaats om komaf te maken met de twijfels omtrent haar schrijverschap, in het slotverhaal, met als introductie Moby Dick, wordt duidelijk dat ‘de auteur’ de uitdaging weer opneemt: ze citeert de worden van Starbuck, ‘Laat het geloof de werkelijkheid verjagen; laat de verbeeldingskracht de herinnering verjagen; ik kijk in uw diepten en geloof’. Geloof in de kracht van het schrijven, geloof in de woorden die haar worden aangereikt.  
 
En weer – net als in de andere verhalen uit Treinen en kamers – laat Verbeke, zij het in de marge van wat zij voor ogen heeft, de actualiteit meespelen: ze verwijst onder meer naar het kunstwerk ‘Walvisstaarten’ dat verhinderde dat een ontspoorde metrotrein te pletter stortte. En dat in een aantal verhalen – zeker na het keerpunt in de bundel dat wordt aangereikt in het ultrakorte ‘Orewoet’ (met Hadewijch als leidsvrouwe) en de bemerking dat nu de treinen stoppen – allusies op de Covid 19-pandemie opduiken (met onder meer een pastiche van de mondmaskervaudeville die we hier bij ons hebben meegemaakt, naast de anderhalvemeterregel en de regels voor het aantal aanwezigen op een uitvaart) laat aanvoelen hoe open en direct Verbeke zich in het maatschappelijke gebeuren inschrijft.
 
In een wervelend geheel, waarbij binnen de context van het kortverhaal geëxperimenteerd wordt met literaire vormen als toneeltekst, epische lyriek (in het aan Homeros gelinkte verhaal over de vluchtelingenproblematiek) e.a., bespeelt Annelies Verbeke de thema’s die haar blijvend raken: de antithese tussen droom en daad, intermenselijke relaties, onderdrukking en miskenning van fundamentele rechten. Hier verwijs ik naar een van de mooiste verhalen in de bundel, ‘Wétiko’, over kolonialisme en vertrekkend vanuit de geschriften van Bartolomé de las Casas en diens boek De verwoesting van de West-Indische landen: voor haar paper over de uitbuiting en het onrecht krijgt een middelbare scholiere amper een zes, met als commentaar van de leraar geschiedenis: ‘Eigenlijk moet je het als literatuur zien, in plaats van een verslag van feiten. Hij heeft op zijn minst overdreven.’
 
Annelies Verbeke opent met Treinen en kamers de ogen van de lezer, tenminste dan toch als die bereid is samen met haar de grens te doorbreken van de louter op de reproductie van de werkelijkheid geënte vertelling. Verbeke keert zaken graag om, zoals in het verhaal ‘Lijst’ (geïnspireerd door Het hoofdkussenboek van Sei Shonagon), waarin een treinbegeleidster opbeurende momenten uit haar leven omroept. Of zoals in ‘Ezel’, waar Apuleius het voortouw neemt voor de gedaantewisseling die een vrouw toelaat haar man ‘anders’ te zien. En de lezer? Die kan uiteindelijk mee optrekken in deze fascinerende verbeeldingswereld tussen beweging (de ‘treinen’) en stilstand (de ‘kamers’).
 
Annelies Verbeke: Treinen en kamers, De Geus, Breda 2021, 283 p. ISBN 9789044544138. Distributie L&M Books 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 6, JUNI 2021

2050. Gedichten

Peter Verhelst

Het bekroonde proza van Jesmyn Ward

Black Lives Matter

Het huis van de dichter

Herman Leenders

Het leven van de geest

Hannah Arendt

Stemvorken

A.F.Th. van der Heijden

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2021

Brons / Onder de golven

Linda Dielemans, Sanne te Loo (ill), Djenné Fila (ill.)

De nacht van Ronke

Jef Aerts, Marit Törnqvist (ill.)

De roos uit het beton

Angie Thomas

Groot Biegel sprookjesboek

Paul Biegel, Charlotte Dematons (ill.)

Zonder titel

Erna Sassen, Martijn van der Linden (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri