Non-fictie

BOEKEN NR. 2, FEBRUARI 2021

Michael Sandel: De tirannie van verdienste. Over de toekomst van de democratie

door Fabian Van Samang

Het jongste anderhalve decennium zijn de werken en ideeën van de Amerikaanse politieke filosoof Michael J. Sandel ook bij ons niet meer weg te denken uit het algemeen maatschappelijke en intellectuele debat. Daar waar zijn eerste boeken doorgaans voor een Amerikaans publiek bestemd leken, zijn de recentste essays en studies ook in het Nederlands beschikbaar. Bovendien kunnen zijn lezingen, waarin hij wijsgerige stellingen inzichtelijk maakt door tal van voorbeelden uit zowat alle maatschappelijke domeinen, steevast op een grote interesse rekenen. Dit hoeft niet te verbazen. Sandel slaagt er immers niet enkel in te verhelderen, maar beredeneert, argumenteert, legt de vinger op actuele maatschappelijke wonden, weerlegt vastgeroeste stereotypen en biedt weloverwogen en doorgaans bruikbare alternatieven.   

Dit doet hij ook in zijn recentste studie, De tirannie van verdienste. Over de toekomst van de democratie. De basisredenering gaat als volgt. Het moderne onderwijs- en arbeidsbeleid in de Verenigde Staten zijn volgens Sandel gestoeld op meritocratische beginselen. Dit betekent dat beleidsmakers aannemen dat wie hoog op de maatschappelijke ladder staat – en daar navenant voor wordt beloond – die positie door zijn eigen inspanningen heeft verdiend. Maar die veronderstelling botst aantoonbaar met de feiten, zegt Sandel, zeker in het Amerikaanse hoger onderwijs, waar de studentenpopulatie voor minder dan drie procent bestaat uit het minst verdienende kwart van de bevolking. Kinderen van goed verdienende ouders hebben 77 keer meer kans om aan de meest prestigieuze universiteiten te worden toegelaten dan kinderen van slecht verdienende ouders – niet omdat de eerste groep intelligenter zou zijn of harder zou werken dan de tweede, maar omdat hun welgestelde ouders hen dure bijlessen kunnen laten volgen, in het buitenland op stage kunnen sturen en, in een land waar sportprestaties het pad naar de universiteit helpen effenen, hun kinderen kunnen begeleiden op de golfbaan, het jumpingcircuit of de tenniscourt.
 
De prijs die we voor deze algemeen gedeelde misvatting betalen is hoog, stelt Sandel. Ze leidt immers tot hoogmoed bij de ‘winnaars’, die niet langer hoeven te erkennen dat ze hun succes en vermogen ten dele danken aan factoren waar ze geen verdienste aan hebben (het inkomen van hun ouders, de talenten en vaardigheden waar ze per toeval mee bedeeld zijn, en de arbitraire appreciatie die de huidige samenleving voor die vaardigheden heeft). Bovendien staat de meritocratie een rechtvaardige samenleving in de weg, omdat zij die menen dat ze het succes uitsluitend aan zichzelf te danken hebben nauwelijks geneigd zullen zijn de zuurverdiende vruchten van hun inspanningen met anderen te delen. Ze zullen daarentegen neerkijken op de groeiende groep achterblijvers, die in hun ogen onvoldoende hard hebben gewerkt en hun maatschappelijke positie enkel aan zichzelf te wijten hebben.
 
Die laatste groep, waarin onbeloonde prestatiedrang aanleiding geeft tot depressies, burn-out en suïcidaal gedrag, keert zich ten langen leste woedend van de elitaire pedanterie af, door zich in identitair nationalisme terug te trekken en zich tot populistische politieke leiders te wenden die beweren zich oprecht om hun lot te bekommeren.
 
In tegenstelling tot denkers als Friedrich Hayek en John Rawls bepleit Sandel geen bijsturing of verfijning van de meritocratie, maar de afschaffing ervan en een radicale ommezwaai in de wijze waarop tegen scholing en arbeid wordt aangekeken. Waarom zou het benodigde contingent voor een universitaire opleiding niet uit de geschikte middelbare scholieren kunnen worden geselecteerd door middel van loting, vraagt hij zich af. Dit zou de prestatiedruk doorbreken en de factor toeval in de uitbouw van een professionele carrière versterken (en bijgevolg de hoogmoed en de neerbuigendheid bij de elite afbouwen), terwijl het de onderwijskwaliteit geenszins zou aantasten. Enkel het prestige van de universiteiten zou een knauw krijgen, meent Sandel, maar dat droeg toch al weinig bij aan het intellectuele niveau van de opleidingen.
 
Tezelfdertijd zouden overheden moeten afstappen van de idee dat de waarde van handarbeid enkel tot uitdrukking komt in de groei of de afname van het bbp. Arbeid schenkt ook voldoening en een gevoel van eigenwaarde – en overheden doen er goed aan die gevoelens van respect uit te dragen en te versterken. Daarbij is een open debat over wie de ‘makers’ en wie de ‘graaiers’ in he huidige economisch bestel zijn essentieel – niet in de steriele, technocratische expertentaal die beleidsmakers vandaag hanteren, maar in een open discours, dat ruimte biedt voor alternatieve zienswijzen en verrassend nieuwe beleidsopties.
 
Een toetsing van Sandels thesen aan de hand van onderwijssystemen die niet zo meritocratisch zijn als het Amerikaanse laten ons toe met enige voorzichtigheid te voorspellen waar zijn voorstellen mogelijks toe leiden. In Vlaanderen is de toegang tot het middelbaar en hoger onderwijs doorgaans niet gekoppeld aan sportprestaties, buitenlandse stages of royale schenkingen (dat wat Sandel ‘de zijingang tot het hoger onderwijs’ noemt). Op enkele faculteiten na zijn de studentenaantallen niet aan limieten gebonden, waardoor selecties zo goed als onbestaande zijn. Dit neemt niet weg dat twee door Sandel opgemerkte fenomenen toch prominent aanwezig blijven.
 
Ook het Vlaamse onderwijslandschap wordt getekend door het technocratisch jargon van als experten omschreven spelers – een jargon dat schijnbaar maar tot één conclusie kan leiden en daardoor nauwelijks tegenspraak of afwijking toelaat. Bovendien zijn volgens cijfers van het Agentschap Zorg en Gezondheid ook in Vlaanderen, met zijn grotere toegankelijkheid tot het hoger onderwijs en de geringere competitie op middelbare schoolniveau, de suïcidecijfers schrikbarend hoog – bij vrouwen tot 40 en bij mannen tot 55 is het de belangrijkste doodsoorzaak. Dit suggereert dat de meritocratische prestatiedruk alvast niet de alleenzaligmakende verklaringsfactor voor de beide fenomenen is.
 
Anderzijds tekenen zich in de niet-meritocratische onderwijssystemen enkele trends af die Sandel wellicht niet als na te streven idealen zal beschouwen. De eerste hangt samen met de voldoening die men ervaart wanneer men erkenning krijgt voor de volgehouden studie-inspanningen en voor de geneugten die men zich in die intense periodes (de bloktijd) heeft ontzegd. Als het middelbaar onderwijs gereduceerd wordt tot de wachtkamer van het hoger onderwijs, waar enkel nog minimale inspanningen worden verlangd voor het behalen van minimale leerdoelen, zodat finaal aan allen het toegangsticket tot hogere opleidingen (bij loting) kan worden uitgereikt, waarom zouden jongeren zich dan nog inzetten om boven dat minimum (en zichzelf) uit te stijgen? Misschien verklaart dit ten dele de extreem lage studieprestatiemotivatie waar Vlaamse (en Belgische) leerlingen volgens recent PISA-onderzoek mee te kampen hebben.
 
De tweede trend is daar onlosmakelijk mee verbonden. Ongemotiveerde leerlingen wegen immers zwaar op het algemene onderwijsniveau, hoe kwaliteitsvol het aanbod ook mag zijn. Ze lezen minder en dus slechter, memoriseren oppervlakkiger, oefenen minder regelmatig en gaan minder creatief en zelfstandig met de leerinhouden aan de slag. Het dalende onderwijsniveau in Vlaanderen wordt al twee decennia door tal van studies (waaronder de PISA-, PIRLS- en TIMSS-onderzoeken, die zowel naar wetenschappen en wiskunde als naar taalvaardigheid peilen) bevestigd. Ivox-onderzoek (december 2018) geeft aan dat 80 % van de leerkrachten de mening is toegedaan dat het onderwijs van vandaag de normen van weleer niet meer haalt. Niet meritocratisch. Maar wellicht ook niet wenselijk.
 
Sandel stelt dus terecht enkele pijnpunten in het Amerikaanse onderwijsbeleid aan de kaak. Maar door zijn pleidooi voor een radicaal ander onderwijs dreigt het kind met het badwater in de afvoer te verdwijnen. Noch het prestatiegerichte, noch het niet-meritocratische onderwijsbestel zijn onproblematisch. Wie niet zoekt naar een aanvaardbaar evenwicht, maar het ene ideaal radicaal door het andere wenst te vervangen doet er goed aan te beseffen, Hans Achterhuis indachtig, dat utopische samenlevingen er doorgaans toe neigen snel in hun tegendeel om te slaan.
 
Michael Sandel: De tirannie van verdienste. Over de toekomst van de democratie, Ten Have, Utrecht 2020, 365 p. ISBN 9789025907501. Vertaling van The tyranny of merit : what's become of the common good? Distributie VBK België 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 3, MAART 2021

Al het blauw

Peter Terrin

De andere kant van de zee

António Lobo Antunes

De eenzaamheid in het leven van Lydia Erneman

Rune Christiansen

Lettipark

Judith Hermann

Revolusi. Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld

David van Reybrouck

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 3, MAART 2021

Hallo nu

Jenny Valentine

Kleintje

Barbara de Wolf

Meneer Droste van het Kinderboekenmuseum

Sjoerd Kuyper, Sylvia Weve (ill.)

Op een koude winternacht

Jean E. Pendziwol, Isabelle Arsenault (ill.)

Toen ik de sterkste was

Jason Reynolds

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri