Vertaald proza

BOEKEN NR. 4, APRIL 2021

Thomas Bernhard: De kelder. Een onttrekking

door Carl De Strycker

Thomas Bernhard heeft in een reeks van vijf autobiografische romans zijn ontwikkeling tot schrijver beschreven. De eerste daarvan, De oorzaak, kreeg in 1977 al een vertaling en ook het laatste deel, Een kind, werd eerder vertaald (in 1984). De andere onderdelen van de cyclus waren niet beschikbaar in het Nederlands, maar daar lijkt verandering in te komen. Nadat ze een aantal kortere prozateksten van Bernhard (novelles of flinke verhalen als Ja, Wandeling en De dagschotelaars) vertaalde voor Uitgeverij Vleugels, heeft Ria van Hengel nu De kelder omgezet, het onmiddellijke vervolg op De oorzaak.  

De ik-verteller is ondertussen zestien en op een mooie dag, op weg naar school, beslist hij om rechtsomkeer te maken en zijn opleiding af te breken. School vindt hij geestdodend, saai en nutteloos; wat hij wil is zich nuttig maken. Hij meldt zich bij de arbeidsdienst en maakt daar zeer duidelijk – het wordt zo vaak herhaald dat het grappig wordt, maar het onderstreept zijn vastberadenheid –  wat hij wil: ‘in de tegengestelde richting’. De mevrouw achter de desk begrijpt er niets van wanneer hij ervoor kiest om leerjongen te worden in een superette die gevestigd is ergens in de kelder in de slechtste wijk van de stad, Scherzhauserfeld. Daar wonen, net na de Wereldoorlog, de drop outs en verworpenen; daar zal hij als nieuweling in het team de nederigste karweitjes doen, zoals het slepen van zeer zware zakken.  
 
Ook zijn familie is niet opgezet met die keuze en kijkt neer op hem, alleen zijn grootvader toont begrip. Maar hij zet door en leert er van de eigenaar van de winkel, Karl Podlaha, naar eigen zeggen ‘de realiteit’, met name de omgang met mensen. Voor de zonderlinge figuren uit de laagste sociale klassen die er over de vloer komen, vat hij sympathie op. Meer zelfs: hij identificeert zich met hen, omdat hij zich net als zij verstoten voelt. Podlaha, die eigenlijk muzikant had willen worden, zet hem er ook toe aan om muziekonderricht te volgen en hij neemt zanglessen en musicologieonderwijs, daarin aangemoedigd door zijn grootvader, een gemankeerd schrijver, die zijn kleinzoon graag een artistieke weg ziet inslaan. Nu hij niet langer verplicht wordt en zijn leven naar eigen goeddunken kan invullen, lukt leren wel:  
 
‘Nu leerde ik, en ik deed het uit vrije wil, het handelsberoep, en ik studeerde, en dat was evenzeer uit vrije wil, muziek, en ik leerde het ene even grondig en vastbesloten als ik het andere grondig en vastbesloten studeerde. Vrijwillig, daar ging het om.’  
 
Daarmee heeft hij een levensdoel gevonden, iets waar hij zich helemaal uit zichzelf voor wil inzetten. Zijn leerjaren in de ondergrondse ruimte van de levensmiddelenwinkel blijken niet minder een noodzakelijke helletocht die tot loutering heeft geleid. Want nadien komt het allemaal goed met hem, al zijn er nog wel wat hobbels op zijn weg naar het succes, maar daarover verhalen de volgende delen van de romancyclus die hopelijk ook snel vertaald worden.
 
Bernhard toont zich hier een dwarsligger (hij wil koste wat het kost ‘in de tegengestelde richting’), een rustverstoorder (‘Alles wat ik doe, is storen en ergeren’) en een autonome, onverstoorbare persoonlijkheid – die eerste twee eigenschappen werden hem later door de kritiek verweten, de derde zorgde ervoor dat hij er zich niets van aantrok. Hier presenteert hij ze als karaktertrekken én kwaliteiten. Dat gebeurt in zijn typische stijl: geen gepolijst proza, maar lange, complexe zinnen vol hernemingen waarin vaak wordt teruggenomen wat eerder geponeerd werd – alsof iemand tegen je staat te vertellen, met alle redundante herhalingen en retorische trucs van dien. Het is een stijl die ook sterk aansluit bij de wijze waarop Berhard, ook een van de belangrijkste theaterauteurs van de vorige eeuw, zijn toneelpersonages laat spreken. En laat De kelder nu net afsluiten met de bedenking dat het leven maar theater is:  
 
‘op dat toneel zoals het is zijn de mensen de acteurs, van wie niet veel meer te verwachten valt.’
 
Daarmee is wat op het eerste gezicht een wat oninteressant verslag van een puberteitscrisis lijkt eigenlijk een uitgekiend verhaal over de Werdegang van een schrijver van wie de karaktereigenschap om de mensen te confronteren met de onprettige waarheid ook zijn literaire project is geworden.
 
Thomas Berhard: De kelder. Een onttrekking. Vleugels, Bleiswijk 2021, 100 p. ISBN 9789493186286. Vertaling door Ria van Hengel

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 4, APRIL 2021

BOEM Paukeslag / Besmette stad

Matthijs de Ridder

De schuilplek

Egon Hostovsky

Een waarschijnlijk toeval

Max Greyson

Shuggie Bain

Douglas Stuart

Vaarwel. Achtergelaten gedichten

Lucebert, Graa Boomsma (sam.)

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 4, APRIL 2021

De nieuwe jongen

David Almond, Marta Altés (ill)

Een mama is als een huis

Aurore Petit

Het hart van het meisje

Siska Goeminne, Tim Van den Abeele (ill.)

Hier zijn draken

Yorick Goldewijk, Yvonne Lacet (ill.)

Zoeken naar Esther B. en het voorval met Benito

Do van Ranst

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri