Vertaald proza

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2019

Jon Fosse: Melancholie I

door Elisabeth Francet

Jon Fosse (1959), Noors dichter, romancier en dramaturg, wijdde in de jaren negentig aan de romantische landschapsschilder Lars Hertervig (1830-1902) een tweeluik, waarvan het eerste deel, Melancholie I, onlangs verscheen in Nederlandse vertaling. Op de achterflap staart Fosse, schonkig en imposant als Orson Welles, indringend naar iets in de verte. Zijn blik is duister en verwachtingsvol. Hij lijkt op een bepaalde manier op de man wiens portret de omslag siert: Lars Hertervig. Melancholie versluiert diens felle oogopslag. Zijn geest vertoeft onmiskenbaar in zichzelf.
 
Melancholie I speelt zich grotendeels af in het hoofd van de Noorse monomane kunstenaar Hertervig. De eerste twee delen van de roman beschrijven, met drie jaar tussentijd, telkens een dag uit zijn leven. Nauwgezet schept Fosse een schizofrene persoonlijkheid. In het derde en laatste deel bevinden we ons, anderhalve eeuw later, in het hoofd van de fictieve schrijver Vidme. Na een plotse openbaring identificeert die zich met Hertervig en projecteert zijn eigen dwanggedachten en obsessies op het voorwerp van zijn studie. In hoeverre strookt zijn beeld van de kunstenaar nog met de werkelijkheid? Een interessante vraag, die Fosse aan het einde van de roman suggereert.
 
Deel één. Düsseldorf, 1853. Lars Hertervig, kunststudent uit Stavanger, zoon van quakers, ligt op zijn bed een pijpje te roken en vraagt zich af hoe zijn schilderij op de kunstacademie beoordeeld zal worden. Hij is er niet gerust op, blijft liggen en luistert naar het pianospel van 'zijn lieve Helene', de vijftienjarige dochter van de hospita. 'Misschien kan hij helemaal niet schilderen.' 'Niemand kan zo schilderen als ik', werpt hij tegen. 'Ik ben de grote schilder Lars Hertervig!' 
 
Toch blijft hij liggen als een Oblomov. Het licht in Helenes ogen vervult hem en maakt hem rustig. Het enige wat hij wil is bij haar zijn, maar haar oom ligt op de loer. Met zijn zwarte baard en zijn zwarte ogen staat hij in de deuropening stilzwijgend naar de nietsnut te kijken. Lars vreest dat hij weggestuurd zal worden, maar blijft als verlamd liggen. Steeds dezelfde gedachten malen door zijn hoofd. Ongehinderd kunnen obsessies zich ontwikkelen, louter berustend op Lars' verbeelding; interactie met andere mensen is er vrijwel niet. De weinige, nietszeggende woorden die hij uitspreekt, worden steeds verkeerd begrepen. Hij blijft dus liggen, niet in staat wat dan ook te ondernemen om zijn dwanggedachten te doorbreken.
 
De innerlijke monoloog van Hertervig maakt duidelijk dat hij zich in een mentale cocon bevindt, ten prooi aan waanbeelden en fantasieën. Hij ziet dingen die er niet zijn: zwevende kleren, zijn vader, zijn zuster. Met een minimalistisch vocabularium – bijvoeglijke naamwoorden komen amper voor – en door nadruk te leggen op de dwangmatige ik-beleving van het hoofdpersonage en zijn paranoïde gedachtegang, roept Fosse een verstikkende zwaarmoedigheid op: 
 
'Ik weet het. Ik moet mijn kamer uit. Jij zegt dat ik mijn kamer uit moet. Ik kan hier niet langer blijven wonen. Je hebt gezegd dat je oom zegt dat ik moet verhuizen. Ik moet mijn kamer uit. Je hebt je oom gevraagd mij eruit te zetten. Ik weet het. Je wil dat ik verhuis'. 
 
Een sober stilleven in een besloten ruimte tekent zich af. Fosse gebruikt in zijn taal franjes noch kleur, enkel licht en schaduw, eenvoudige vormen, nauwelijks beweging of geluid. Het lijkt of de roman in watten is gehuld, omgeven door een wazig wit licht.
 
In een volgende passage dwaalt Hertervig door de straten van Düsseldorf. Nu hij op straat is gezet, is Malkasten de enige plek waar hij naartoe kan, 'naar verluidt een plek waar het wemelt van de schilders die niet kunnen schilderen'. Wat heeft hij, 'een groot schilder', daar te zoeken? In Malkasten treft hij medestudenten. Ze lachen hem uit en noemen hem spottend 'kwaker'. Hertervigs herinnering aan zijn eerste quakersamenkomst op het eiland waar hij vandaan komt, verklaart mede zijn extreem introspectieve en passieve persoonlijkheid: 
 
'Ik hoef alleen maar te zitten en proberen niet te denken en alle gedachten die in me opkomen moet ik, zodra ze zich aandienen, pogen te laten gaan zodat ze verdwijnen, alles wat me zorgen baart of vreugde schenkt, moet ik trachten los te laten zodat het uiteenvalt in kleine restjes van iets wat verwordt tot niets, of bijna niets, want dan kan het stil in me worden […] en dan, als ik in een staat van genade verkeer, kan ik vervuld raken met een koel licht […] dat zo schittert'.
 
De werkelijkheid die Hertervig nu in Düsseldorf waarneemt, is vervormd. Hij vindt het juiste medium niet. Het licht heeft hem in de steek gelaten. Het is of hij wegzakt in een moeras. Zijn enige houvast is Helene en in gedachten beweegt hij zich voortdurend in haar richting. Hij zit gevangen in een onstilbaar verlangen. Melancholie.
 <br /> Als een schilder die met zijn penseel het juiste beeld zoekt, corrigeert en verfijnt, tracht Fosse met zijn pen de juiste woorden, klank en sfeer te vatten, in omtrekkende bewegingen, herhalend, herformulerend, soms tergend traag. Fosse schept koortsachtig. En de lezer, gevangen in het brein van het hoofdpersonage, zoekt harmonie in al die onrust.
 
Deel twee. Het gesticht Gaustad, 1856, de dag voor kerst. Opnieuw ligt Hertervig op zijn bed, verlamd door dwanggedachten. Hij mag van de dokter niet schilderen zolang hij in behandeling is. Hij mag wel sneeuw ruimen. De dokter zegt dat hij gek geworden is door naar landschappen te staren. Hertervigs obsessie voor Helene is er na drie jaar nog steeds, met als enige verschil dat ze nu niet meer zijn 'lieve Helene' is maar een vuile hoer. De oppasser houdt hem in de gaten omdat hij voortdurend aan zichzelf zit. Zijn medepatiënten lachen hem uit en noemen hem een 'schilder van niks'. Hertervig plant een ontsnapping.
 
Deel drie speelt zich af in Asane, Noorwegen, 1991. Vidme, een 'tamelijk mislukte' schrijver loopt voorovergebogen door de regen. Hij heeft net besloten een roman te schrijven over de schilder Lars Hertervig. Dat plan rijpte na een bezoek aan het Nationaal Museum in Oslo waar hij, oog in oog met een landschap van Hertervig, plots door het goddelijke werd aangeraakt. Maar Vidme komt niet aan schrijven toe, omdat hij zich net als de kunstenaar laat afleiden door obsessies en dwanggedachten. Hij overweegt zich opnieuw aan te sluiten bij de Noorse Kerk.
 
Jon Fosse ziet schrijven als een daad van luisteren, de schrijver als een medium. Fosse luistert aandachtig naar wat Hertervig hem vertelt via zijn schilderijen. Hij luistert naar wat hij ziet en herschept wat hij hoort in ritmische taal. Met hypnotiserende, minimalistische, repetitieve bewoordingen loodst Fosse de lezer het hoofd van de protagonist in, doet de deur op slot en gooit de sleutel weg. Al na enkele zinnen zit je vastgeklonken aan de dwanggedachten van een schizofrene melancholicus. Je hebt in Melancholie I geen andere keuze dan Lars Hertervig te worden: een beklemmende ervaring.
 
Jon Fosse: Melancholie I, Oevers, Zaandam 2018, 320 p. ISBN 9789492068217. Vertaling van Melancholia I door Edith Koenders en Adriaan van der Hoeven. Distributie Elkedag Boeken 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 3, MAART 2019

De bijzondere syntaxis van onvertaalbare locuties

Jacques Derrida en Veva Leye

De ontembare

Guillermo Arriaga

Fantoommerrie

Marieke Lucas Rijneveld

Nachtouders

Saskia de Coster

Wijzigingen bijhouden

Sayed Kashua

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 3, MAART 2019

De kleur van de zon

David Almond

In de voetsporen van Karel Daarwind

Mārtiņš Zutis

Merel

Sarah Moon

Oma Vogeltje

Benji Davies

Wat ik de bomen wil vertellen

Enzo Pérès-Labourdette

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri