Nederlands proza

BOEKEN NR. 3, MAART 2020

Dimitri Verhulst: Onze verslaggever in de leegte. Ongedateerde dagboeken

door Carl De Strycker

Altijd al had het werk van Dimitri Verhulst iets autobiografisch. Hij stak niet onder stoelen of banken dat hij voor De helaasheid der dingen uit zijn jeugd putte, en in Kaddisj voor een kut gebruikte hij zijn eigen ervaringen als instellingskind. Ook andere boeken die minder rechtstreeks naar zijn leven verwijzen, zijn in wezen biografische verhalen: Mevrouw Verona daalt de heuvel af was de verbeelding de grote liefde die hij in de Ardennen gevonden had, De laatkomer ging over iemand die uit zijn relatie stapt om bij zijn grote liefde te zijn (wat Verhulst ook overkwam rond die tijd) en De pruimenpluk vertelde over zijn Zweedse liefdesavontuur, dat ondertussen alweer afgelopen is. Het was wachten op een écht egodocument, zeker als je weet dat een van Verhulsts grote voorbeelden Jeroen Brouwers is, die in dat genre prachtige titels op zijn naam heeft staan.
 
Met Onze verslaggever in de leegte. Ongedateerde dagboeken levert Verhulst klaarblijkelijk zo’n egodocument: een mengeling van briefpassages en dagboekachtige aantekeningen. Op de cover prijkt het silhouet van de schrijver, sigaret in de mond, die naar buiten staart. En ook de ik-figuur die aan het woord is, vertoont zeer veel gelijkenissen met Dimitri Verhulst: auteur, verstokt roker, een verleden in Zweden en nog zo wat details die je herkent. Tegelijk is het haast niet te geloven dat de zelfdestructieve, aan alcohol en drugs verslaafde, zwartgallige en voortdurend met de dood koketterende ik volledig samenvalt met Verhulst. De uitgeverij prijst het boek aan als ‘een pijnlijk eerlijk boek […] dat ons een schrijver laat zien zoals hij niet gezien wil worden.’ Laat mij toe daar toch enige twijfel bij te hebben.
 
Misschien is de sleutelpassage van het hele boek wel deze, wanneer hij over het genre opmerkt:
 
‘Pianisten spelen de 51 Übungen für Klavier van Johannes Brahms om de vingers soepel te houden. Ze onderhouden hun toonladders, dagelijks, anders wordt het echte werk uiteindelijk ook niets. Schrijvers hebben daarom misschien dagboeken. […] Stretchoefeningen. Ik geloof ze niet. Zoals ik zelden brieven van schrijvers geloofd. Het zijn aanstellerijen. Het is louter ruksel. Deze heren (vaker dan dames) schrijven geen brieven naar iemand; ze kledderen een brievenboek bij elkaar, en dat voel je.’
 
Als je hier niet overheen leest, dan kan je niet anders dan het hele boek te begrijpen als een parodie en een stijloefening (en zijn niet alle romans van Verhulst in wezen stijloefeningen?). Natuurlijk is het hoofdpersonage uit Onze verslaggever in de leegte niet Dimitri Verhulst; dit is autofictie, waarin er weliswaar een grote gelijkenis bestaat tussen de auteur en zijn personage, en het verhaalde bijzonder authentiek lijkt, maar toch verzonnen is. Dat de aantekeningen ongedateerd zijn, zoals de ondertitel ook onderstreept, geeft alvast een eerste knauw aan het zogenaamd oprechte karakter van deze bekentenissen. Precies een datum verankert een verhaal in de werkelijkheid; dat hier opgetekende gebeurtenissen niet gedagtekend zijn laat de mogelijkheid open dat ze – minstens gedeeltelijk – fictief zijn.  
 
Of wat te denken van het verhaal dat hier verteld wordt en waarvan de ik zegt dat hij zo bang was dat het de media zou bereiken en zijn imago zou schaden, namelijk de beschuldiging van verkrachting waarmee zijn Zweedse ex hem voor het gerecht daagde. Is het geloofwaardig dat dit inderdaad uit de pers bleef? En als je angst hebt voor reputatieschade, waarom vertel je er dan zelf over? Of wat met de rijkelijk op deze bladzijden rondgestrooide cocaïne – iemand die zoveel wit poeder door de neus jaagt als de ik-figuur hier doet, die heeft niet minder dan een probleem. Daarnaast zijn ook de geadresseerden van de brieven niet echt geloofwaardige figuren: ze worden enkel met de voornaam aangesproken en het is nooit duidelijk in welke relatie zij tot de schrijver staan.
 
Nee, op basis van hier aangehaalde expliciete passage, de tekstuele signalen en de genoemde overdrijvingen kan ik niet geloven in het hoge waarheidsgehalte van Onze verslaggever in de leegte. Het is, net zo goed als de eerder genoemde titels van Verhulst, een op de autobiografie geïnspireerde, maar geromantiseerde vertelling. Daaruit doemt het beeld op van een door en door zwarte romanticus. Zo wil Verhulst zichzelf blijkbaar graag positioneren, als het cliché van de aan drank en andere verdovende middelen verslaafde en over de wereld mopperende schrijver die onophoudelijk, maar tevergeefs op zoek is naar de liefde en de dood als ultieme uitweg overweegt. Dat is natuurlijk imagebuilding, maar het is ook een prima excuus om het opnieuw over de ondertussen klassieke Verhulst-thema’s te hebben.  
 
Het maakt het mogelijk om alweer de allesverzengende liefde te bezingen (deze keer is Tutut de gelukkige), maar ook een aantal groteske verhalen uit het dagelijkse leven te vertellen (het bezoek aan Polen of de euthanasie van de hond van Tutut en haar ex, bijvoorbeeld). Het zijn de zoveelste pareltjes aan Verhulsts kroon als groot ironicus en meesterlijk verteller. Daarnaast zijn er ook de heerlijke tirades tegen fenomenen zoals de Zweedse meubelboer ‘Göldwölf’ of de verkleutering van de literatuur door fenomenen als stadsdichters, dichters des vaderlands en gedichtendagen – in schimpscheuten en sarcasme hoeft Verhulst niet onder te doen voor zijn idool, Brouwers, en hij toont zich een al even groot zwartkijker.
 
En natuurlijk is er stilistisch weer veel te genieten, want niet alleen weet hij over zijn donkerste of meest boosaardige gedachten met zwier en humor te schrijven, zijn proza is ook alweer opgetuigd met heel wat stijlfiguren, waarbij naast het bijzondere taaleigen in dit boek vooral het rijm erg opvalt. Over vrouwen die een vrijgezellenavond vieren, heet het bijvoorbeeld: ‘Folklore voor toekomstige sloren’ en ‘tuttebellen met decibellen’ of ‘Nog één keer totaal versletten, voor het langzame verslensen intreedt.’  
 
Op die manier is Onze verslaggever in de leegte tegelijk een nieuwe en een vertrouwde Verhulst. Nieuw omdat de schrijver de hier bijeengebrachte kortverhalen voor het eerst uitdrukkelijk als autobiografisch presenteert en zichzelf zo nadrukkelijk portretteert; vertrouwd omdat hij niet afwijkt van zijn gekende thematiek en stijl, en opnieuw heel wat leesplezier verschaft.  
 
Dimitri Verhulst: Onze verslaggever in de leegte. Ongedateerde dagboeken. Pluim, Amsterdam 2020, 168 p. ISBN 9789083045917

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri