Vertaald proza

BOEKEN NR. 4, APRIL 2020

Jaan Kross: De gek van de tsaar

door Herman Jacobs

We hebben het recht niet altijd uitsluitend toeschouwer te blijven
 
In tijden als deze weerklinkt in zo ongeveer iedere ook maar enigszins pregnante zin als het ware een noodklok, wordt zo’n zin geladen met een betekenis waarvoor zich als vanzelf woorden als ‘noodlotszwanger’ aandienen. Bijvoorbeeld:  
 
‘[I]k weet nog dat ik dacht, of deed ik dat pas veel later, toen ik me herinnerde hoe de koets zonder raampjes zich verwijderde: hoe vreselijk eenvoudig is alles in het leven. Het is doodeenvoudig om een nieuwe, zelfstandige levenswijze in iets alledaags te veranderen. En de vernietiging van deze nieuwe, verschrikkelijk broze alledaagsheid is nog eenvoudiger. Het lot van een mens, en misschien het lot van de wereld – wanneer men dat trouwens los kan zien van het lot van de mensen – is slechts een nietige beweging in de ruimte: een pennenstreek, een luid gesproken woord, het omdraaien van een sleutel, het zwaaien van een bijl, de vlucht van een kogel…’
 
Inderdaad, onze ‘verschrikkelijk broze alledaagsheid’… Tegelijk biedt deze historische roman van Jaan Kross, De gek van de tsaar, ons de gelegenheid te ontsnappen aan het navelstaren in tijden van pandemie. Weliswaar gaat het in dit geraffineerde boek onder meer ook om inperking van de bewegingsvrijheid, van de vrijheid überhaupt, en om opsluiting, maar dan vanuit het minder claustrofobische uitgangspunt van de botsing tussen politieke denkbeelden en van maatschappelijke strijd.
 
Waar het bovenstaande citaat naar verwijst is dat de Duits-Estlandse baron Timotheus von Bock, die nog flügel-adjutant, vertrouwenspersoon voor geheime missies, van de tsaar is geweest, nu, dat wil zeggen in 1818, op last van die zelfde tsaar, Alexander I, in een geblindeerde koets wordt afgevoerd van zijn landgoed in het hartje van het huidige Estland (destijds overigens bekend als het aparte gebied Lijfland, ruwweg bestaande uit het noorden, resp. het zuiden van het huidige Letland en Estland) om te worden overgebracht naar een plaats van verzekerde bewaring. Zijn huisgenoten, dat wil zeggen zijn vrouw Eeva en haar jongere broer Jakob (de ‘ik’ die het verhaal vertelt), komen pas jaren later aan de weet waar: in de Schlüsselburg, Sjlisselboerg in het Russisch, in Sint-Petersburg. Ten slotte wordt Bock, nog weer jaren later, vrijgelaten, in 1827, door de nieuwe tsaar, Nicolaas I, die twee jaar eerder de troon heeft bestegen. En wel omdat hij, Bock, krankzinnig zou zijn – zo’n gek kan het rijk niet bedreigen, dus hij mag weer naar huis, waar hij overigens wel onder permanent toezicht zal blijven.
 
Merkwaardig genoeg is dat tegelijk ook de officiële reden van zijn arrestatie, negen jaar eerder: ‘De tsaar schreef dat de heer von Bock hem enige tijd geleden een verzegeld pakket met documenten had gezonden, en dat hij na kennisname daarvan tot de slotsom was gekomen dat de heer von Bock zijn verstand verloren moest hebben. Zo verward, tegenstrijdig en vooral impertinent waren de ideeën die erin tot uitdrukking werden gebracht. Dergelijke gevaarlijke geestelijk gestoorden dienden in ieder normaal land uit de samenleving te worden verwijderd.’
 
Het is in dit verband misschien niet overbodig erop te wijzen dat Jaan Kross (1920-2007) zelf in 1946 een onvrijwillige reis naar Siberië maakte, waarvan hij pas – precies zoals Timotheus von Bock na negen jaar – in 1954, na de dood van het monster Stalin, kon terugkeren. Zoals het ook niet verboden is, bij ‘gevaarlijk geestelijk gestoorden’ te denken aan het oneigenlijk gebruik van de psychiatrie tijdens het bewind van Sovjetsecretaris-generaal Leonid Brezjnjev.
 
Want vrijgelaten worden omdat je gek bent, terwijl je eerder om precies dezelfde reden bent gearresteerd, opgesloten en mishandeld (in de Schlüsselburg slaat men hem al zijn tanden uit) – hoe kan dat eigenlijk? Dat kan als het de eerste keer maar een voorwendsel is om iets anders mee aan het gezicht te onttrekken.
 
In de tijd dat Bock - die overigens echt heeft bestaan, net zoals bijna alle personages in deze roman - nog een vertrouweling en meer nog: een vriend van hem was, heeft Alexander hem namelijk laten zweren dat hij, Timotheus, hem, Alexander, altijd zijn eerlijke mening zou geven over wat dan ook, dat hij de tsaar altijd zou vertellen wat naar zijn overtuiging de waarheid was. De onconventionele en idealistische Timotheus – die bijvoorbeeld op zijn eigen landgoed de boeren van hun lijfeigenschap heeft verlost, lang voor die in Rusland officieel zou worden opgeheven (dat was in 1861 pas), en getrouwd is, tot afgrijzen van zijn aristocratische peers, met een Lijflands meisje van zeer eenvoudige komaf – heeft dat onverstandig genoeg ook gedáán. De documenten uit het verzegeld pakket waarvan in de hierboven geciteerde geheime brief van de tsaar sprake zijn namelijk een vlammende aanklacht tegen het despotische bestuur, de corruptie, de achterlijkheid van het tsarenrijk…
 
Een klein citaat: ‘Het eerste handelende principe van de tsaar bestaat erin zich over te geven aan zijn luim en hartstochten. En de grootste schanddaad is volgens zijn opvatting gerechtvaardigd, wanneer hij zegt: “Ik wil!” of “Ik wil niet!” Hij erkent generlei plicht tegenover zijn volk en generlei hogere autoriteit voor wie hij zich zou moeten verantwoorden.’ Dit en nog veel meer schrijft hij aan zijn vriend op de troon – immers, het gaat hier naar zijn overtuiging om de ‘zuivere waarheid die U af en toe van mij gehoord hebt en die U van mij verwacht’. Plichtsbetrachting, rechtvaardigheidsgevoel en trouw aan het gegeven woord dus, geen hoogmoed of betweterij. Want: ‘We hebben het recht niet altijd uitsluitend toeschouwer te blijven.’
 
Zonder verder nog veel van de intrige te willen prijsgeven, moet ik hier wel nog een in dit boek zeer belangrijke uitspraak vermelden, die al op pagina 46 wordt gedaan, niet door ‘de gek van de tsaar’ overigens, maar veel later herhaald zal worden: ‘(N)aar het buitenland gaan alleen diegenen die zich willen wreken. Wie iets wezenlijkers wil, blijft thuis.’ Zoals schrijvers als Václav Havel, György Konrád en Jaan Kross in wijlen het Oostblok hebben gedaan. Niets ten nadele van hen die de onderdrukking, de chicanes, het koeioneren, de gevangenisstraffen niet meer trokken en emigreerden, maar de effectiefste manier om het land te veranderen is door er aanwezig te blijven.
 
Onder meer daarover gaat het in dit misschien een tikje lang uitgevallen, maar verder uitstekende, intrigerende boek. En dus over macht, (on)vrijheid, individuele verantwoordelijkheid; kernthema’s in veel van Kross’ werk. Waarbij hij het in de Sovjetunie destijds (deze roman verscheen oorspronkelijk in 1978) officieel heersende socialistisch realisme, met zijn overzichtelijke, sterk naar zwart-wittekening neigende interpretatie van leven en samenleving niet bepaald trouw navolgde. Jazeker is Timotheus von Bock een held, maar hij is geen heilige. Is hij echt gek (geworden)? Is het een soort Hamletmanoeuvre van hem om zich uit de omknelling van het voortdurende bespioneerd worden te bevrijden? Begint hij uiteindelijk zélf te geloven dat hij gek is? We mogen het van Kross helemaal zelf weten.
 
Erg aardig is voorts ook de vondst van de verteller van dit verhaal. Jakob Mättik, jongere broer van Bocks vrouw Eeva, heeft weliswaar dankzij Bock, net als zijn zuster, scholing genoten, Duits en zelfs Frans geleerd, heel bijzonder voor een kind van voormalige lijfeigenen – maar je voelt hem worstelen met de denkbeelden van zijn zwager, en met de (mentale) vrijgevochtenheid van zijn zuster, die, anders dan hij, erin geslaagd is de horigheid helemaal van zich af te schudden. Weliswaar erkent hij dat veel van wat Bock en zijn zuster denken en zeggen éigenlijk gewoon juist is, maar, maar, maar – dat kan toch zomaar niet allemaal! Want de wet van de traagheid is niet alleen in de fysica van toepassing. En werkelijk vrij zijn een hele opgave.
 
Een wijs en relevant boek, met diepgang en tegelijk toegankelijk. Dat je dan ook, bij deze heruitgave, 28 jaar later, ter gelegenheid van Kross’ honderdste geboortejaar, een iets zorgvuldiger redactie had toegewenst. Ik zeg niet dat er veel dingen als ‘in het gevlei komen’ en vergelijkbare onzorgvuldigheden zijn blijven staan, maar liever nog had ik er daar geen enkele van gezien. En wat een ‘à-la-coeur-kapsel is, Joost mag het weten – vooral omdat ‘la coeur’ helemaal niet bestaat. Nederlanders en Frans: er rust geen zegen op.
 
Jaan Kross: De gek van de tsaar, Prometheus, Amsterdam, 2020, 397 p. ISBN 9789044644173. Vertaling van Keisri hull door Ronald Jonkers. Distributie Pelckmans Uitgevers


deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2020

De lus

Martha Heesen

In galop het duister in

Baltasar Porcel

Jaag je ploeg over de botten van de doden

Olga Tokarczuk

Melancholie II

Jon Fosse

Verdwijnpunt

Wytske Versteeg

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2020

De fantastische vliegwedstrijd

Tjibbe Veldkamp, Sebastiaan Van Doninck (ill.)

De verhuisdieren

Pieter van den Heuvel

Doe die deur dicht

Koen Van Biesen

Dokter Vos

Daan Remmerts de Vries

Waar mijn vrienden wonen

Cláudio Thebas, Violeta Lópiz (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri