Non-fictie

BOEKEN NR. 3, MAART 2021

David van Reybrouck: Revolusi. Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld

door Jo Vanderwegen

‘Van ’t prachtig rijk van Insulinde…’   

Om met de deur in huis te vallen, Revolusi is een baanbrekend werk over de recente geschiedenis van Indonesië: de laatste jaren van de kolonisatie door Nederland, de bezetting door Japan en de daaropvolgende jaren van streven naar onafhankelijkheid. Anders dan de talrijke boeken die er doorheen de jaren al geschreven werden over het verlies van het rijk van Insulinde gaat David Van Reybrouck nu uit van het Indonesische standpunt. Naast zeer gedegen opzoekwerk, baseert hij zich vooral op de nog overlevende getuigen van die periode. Meer dan vijf jaar lang las hij, schreef hij, en bezocht hij de laatste overlevenden –  vaak in de negentig jaar oud, een enkele keer honderdentwee.
 
Van Reybrouck neemt geen standpunt in, registreert en toont heel veel respect voor zijn gesprekspartners en voor zij die hem hielpen bij het zoeken naar de juiste personen en voor de tolken. Hij volgde lessen Indonesisch, reisde naar Nederland, Nepal, Japan en natuurlijk Indonesië om de getuigen te interviewen. Het resultaat is een beklijvend boek, in de geest van zijn vorige bestseller, Congo (De Bezige Bij 2010), dat aan de hand van een gelijkaardige methode was geconcipieerd en uitgewerkt: een grote basis van kennis vergaren en die vervolgens aanvullen via gesprekken met zij die erbij waren – het belang dat David van Reybrouck hecht aan oral history kan ook nu weer niet onderschat worden. De ontmoetingen die hij heeft met de overlevenden vinden plaats in hutjes in nevelige Javaanse dorpen, in een rusthuis op Callantsoog of op de zeilboot van een jonge historicus in de binnenlanden van Sulawesi. Geen plek is Van Reybrouck te gek. Gecombineerd met zijn buitengewoon vaardige en bovendien poëtische pen, levert Revolusi opnieuw een gedenkwaardig verhaal op, dat een veelkleurig palet biedt van het scala aan partijen die erbij betrokken waren.
 
In vijftien chronologisch opgebouwde hoofdstukken gaat Van Reybrouck dieper in op de vraag of het terecht is om, zoals oud-premier Balkenende tijdens zijn bestuur in een debat zei, als Nederlander trots te bogen op een ‘echte VOC-mentaliteit’. Al in het eerste hoofdstuk toont hij aan dat de huidige interesse vanuit Nederland voor al wat er in Indonesië gebeurt matig is, zeker wanneer er geen buitenlanders bij betrokken zijn. Tijdens een van zijn eerste bezoeken aan de hoofdstad Jakarta maakt hij een bomaanslag mee waarbij vele doden vallen, maar aangezien er geen buitenlanders bij betrokken zijn (in tegenstelling tot die van op het toeristische eiland Bali), wordt er slechts minimaal aandacht aan besteed. Dit is illustratief, zo betoogt Van Reybrouck, voor de algehele desinteresse van Nederland voor het huidige Indonesië.
 
Met Revolusi wil hij aantonen dat die tanende belangstelling onterecht is. Vooral in het eerste deel vertelt Van Reybrouck een geschiedenis die de lezer misschien al kent uit andere boeken, over de verschrikkingen uitgevoerd in opdracht van Jan Pieterszoon, het belang van de sultanaten, de avontuurlijke Europeanen (onder wie ene Arthur Rimbaud) die aanmonsteren op boten… Ook al is deze informatie misschien niet allemaal even nieuw, Van Reybrouck weet de feiten, verweven met eigen impressies én persoonlijke anekdotes steeds weer beeldend en zeer meeslepend te vertellen. Maar vooral: dat alles is nog maar slechts een goedgeschreven aanloop tot het eigenlijke onderwerp van het boek: de opstand van de lokale bevolking tegen de onderdrukking van de Nederlanders en de daaropvolgende strijd om onafhankelijkheid.
 
In 1914, bij het einde van de Aceh-oorlog, groeit de weerstand tegen het koloniale bestuur – de kiem voor de ‘Revolusi’ wordt gelegd: de strijd van de Indonesiërs voor onafhankelijkheid, weg van het juk van de Nederlanders en later de Japanners. Van Reybrouck wijst terecht op het belang van het stichtingscongres in 1927 van de Liga tegen Imperialisme en Koloniale Onderdrukking, georganiseerd in Brussel. Het internationale gezelschap was gemêleerd: de weduwe van Sun-Yat-sen, Nehru, Albert Einstein en de dichteres Henriëtte Roland Holst waren een paar van de aanwezigen. Getracht werd antikoloniale nationalisten in contact te brengen met de voorvechters van de Europese arbeidersbeweging. Van meer belang voor de ontwikkelingen in Indonesië is natuurlijk de aanwezigheid van Mohammed Hatta, de latere eerste vice-president van Indonesië. Van Reybrouck toont overtuigend aan dat de antikoloniale gevoelens op de archipel mede gevoed werden door een groeiende internationale roep van originele bewoners voor zelfstandigheid.
 
En ook al zien we op 17 augustus 1945 met de ‘Proklamasi’ (de onafhankelijkheidsverklaring door Mohammed Hatta en Soekarno, op vraag van nationalistische republikeinse jongeren) de start van de onafhankelijkheid van het land, de strijd is nog niet gestreden. Van Reybrouck spreekt met strijders van de Bersiap-periode, de chaotische tijd vlak daarna, waarin de Japanners hun nederlaag hebben toegegeven op het internationale plan, maar de Nederlanders zich ook oorlogsmoe weten. Het is de kracht van de wetenschapper en socioloog Van Reybrouck om zij die het meemaakten en er nog over kunnen vertellen op te sporen en het woord te geven: van een Nederlandse oudstrijder in die periode na de Tweede Wereldoorlog, over de aanvallende pemoeda, nu een kranige bejaarde. Het symbool van die strijd is voor hem de bambu runcing, als ‘embleem van de collectieve strijd en het ultieme bewijs dat de nieuwe staat geen eliteproject was, maar de uitdrukking van een breed gedragen volksverlangen naar zelfstandigheid’.
 
Ook de wandaden waaraan Nederlandse militairen zich schuldig maakten, laat Van Reybrouck niet onbenoemd. De auteur wijst op het destijds vergeten verhaal van Joop van Hueting, de militair die al in de jaren zestig publiekelijk verklaarde dat de Nederlanders ook in de twintigste eeuw wreed waren opgetreden tegen de plaatselijke bevolking.
 
Van Reybrouck paart historie moeiteloos aan anekdotiek, wat het belang van die historie nu net onderstreept, zoals de beschrijvingen van het wekelijkse zondagse ontbijt bij Soekarno door Kartika Affandi, de dochter van een van de aanwezigen toen. Hij verbindt de smaak van poffertjes met het begin van de kolonisatie door de Nederlanders, citeert de gedichten van de dichter Chairil Anwar (1922-1949), wiens werk tijdens de Japanse bezetting stiekem verspreid werd, en wiens sterfdatum in Indonesië nog steeds herdacht wordt in de vorm van de Dag van de Literatuur. Ook is Van Reybrouck zelf niet ongevoelig voor de poëzie die hij om zich heen ontwaart: ‘Een hond blafte in de verte, iemand veegde wat blaadjes bijeen, een kip kakelde van onder een struik: elk onderzoek heeft zijn eigen soundtrack’.
 
En daarna schakelt Van Reybrouck soepel terug naar de wereldgeschiedenis, onderstreept het belang van de Conferentie van Bandung (1955) voor de wereldpolitiek en de strijd van de Black Panther-beweging. Ook hierin ontbreken de zeer beeldende beschrijvingen niet: een Liberiaanse politicus in Afrikaanse dracht, Saoudi’s met lange witte gewaden en een Turkse minister die het ‘ware handelsmerk van een Turkse minister [droeg]: een verzorgde snor.’ Hij haalt quasi terloops het ontstaan van de Indo-rock aan in Nederland, met de beroemde Tielman Brothers en komt uiteindelijk tot een enigszins bespiegelend laatste hoofdstuk waarin zijn andere passie, de strijd voor een beter klimaat en natuurbehoud, een plaats krijgt. Hij laat de lezer ademloos achter, met genoeg stof tot nadenken voor een hele poos.
 
Zijn onderzoek is zeer degelijk gedocumenteerd, met (historische en actuele) landkaarten, een bibliografisch essay en een uitgebreid register. Natuurlijk ontbreekt een uitgebreide bibliografie niet. Een magnum opus dat naast een ruim lezerspubliek ook ruimschoots internationale erkenning verdient.
 
David van Reybrouck: Revolusi. Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld, De Bezige Bij, Amsterdam 2020, 637 p. ISBN 9789403183404. Distributie Standaard Uitgeverij 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 4, APRIL 2021

BOEM Paukeslag / Besmette stad

Matthijs de Ridder

De schuilplek

Egon Hostovsky

Een waarschijnlijk toeval

Max Greyson

Shuggie Bain

Douglas Stuart

Vaarwel. Achtergelaten gedichten

Lucebert, Graa Boomsma (sam.)

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 4, APRIL 2021

De nieuwe jongen

David Almond, Marta Altés (ill)

Een mama is als een huis

Aurore Petit

Het hart van het meisje

Siska Goeminne, Tim Van den Abeele (ill.)

Hier zijn draken

Yorick Goldewijk, Yvonne Lacet (ill.)

Zoeken naar Esther B. en het voorval met Benito

Do van Ranst

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri