Vakliteratuur

JEUGDBOEKEN NR. 1, SEPTEMBER 2015

Vanessa Joosen, Helma Van Lierop, Rita Ghesquière: Een land van waan en wijs

door Frauke Pauwels

Het mag een wonder heten dat hij er ligt, de nieuwe geschiedenis van de Nederlandse kinder- en jeugdliteratuur. In het huidige uitgeversklimaat gedijen risicovolle projecten moeilijk, zodat het hele project ei zo na afgeblazen dreigde te worden — tot de samenstellers in uitgeverij Atlas Contact een nieuwe en gelijkgestemde partner vonden. Bovendien blijft kinder- en jeugdliteratuur een buitenbeentje in de rangorde van ‘waardige onderwerpen’ voor non-fictie. Economie, daarmee kan je scoren. Of wetenschap, zo je wil. Maar op welke boekenplank past een geschiedenis van de kinder- en jeugdliteratuur?  
Een land van waan en wijs: Geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur is zo opgevat dat het een breed publiek kan boeien. Daarvoor zorgen op de eerste plaats de gevarieerde onderwerpen, van sprookjes en fantasieverhalen over jeugdtijdschriften en jeugdtheater tot de literaire invloeden op games en apps. Daarnaast is het werk ook in stijl toegankelijk: de geschiedenis bulkt niet van de vaktermen, en door de keuze voor een breed palet aan teksten is de kans klein dat geen enkel werk herkenning oproept – zelfs als je geheel voorbijging aan de zogenaamde canon en enkel de populairste titels las. Toch is deze geschiedenis geenszins als nostalgisch werk bedoeld en is de aanpak stevig onderbouwd.

Tekst en context 
In de verantwoording aan het einde van het boek situeren de samenstellers, allen stevig geworteld in het academische jeugdliteraire onderzoek, deze literatuurgeschiedenis bij de ‘functionalistische geschiedschrijving’. Literatuur wordt daarbij beschouwd als een variabel gegeven dat niet los te denken is van de socio-historische context en voortdurend in beweging is. Niet enkele klassieke werken spelen dus de hoofdrol, maar het brede literaire veld zoals dat getekend wordt door belangrijke maatschappelijke invloeden. Met dat uitgangspunt sluit de bundel aan bij de recente tendenzen in de literatuurwetenschap. Ook het globaal en groots opgezette project van de ‘Geschiedenis van de Nederlandse literatuur’ kiest voor die functionele benadering. Hoewel Hugo Brems in Altijd weer vogels die nesten beginnen (over de Nederlandse literatuur van 1945 tot 2005) wijst op de belangrijkste ontwikkelingen in de kinder- en jeugdliteratuur, blijft het spijtig dat de kinder- en jeugdliteratuur geen plaats kreeg binnen die omvattende literatuurgeschiedenis. Meteen is duidelijk dat de kinder- en jeugdliteratuur geen ‘verworven rechten’ heeft: de verschijning van Een land van waan en wijs toont aan dat de kinder- en jeugdliteratuur weliswaar meehuppelt ‘met de groten’, maar tegelijk niet verzekerd is van deelname aan het spel.  
‘De opbouw van de nieuwe literatuurgeschiedenis’, zo stellen Ghesquière, Joosen en Van Lierop-Debrauwer in de verantwoording, ‘laat toe om de relatie tussen jeugdliteratuur en de culturele en maatschappelijke context op een gerichte manier te beschrijven’. Niet elk hoofdstuk maakt dat waar. Zo geeft Karen Ghonem-Woets wel aan dat ‘(d)e opkomst van de literaire non-fictie deels (lijkt) te verklaren door de concurrentie die het informatieve boek ondervindt van het internet’, maar gaat zij voorbij aan de opvallende verhalende tendens in de journalistiek. Verbanden worden aangestipt, maar niet altijd uitgewerkt of geëxpliciteerd. De keuze voor diverse deskundigen voor de verschillende hoofdstukken is in deze voelbaar. Niet iedere auteur leidt de lezer met even vaste hand doorheen de evolutie van het genre. Daarnaast is het wellicht voor elke auteur wikken en wegen geweest wat hij of zij binnen de marges van het hoofdstuk kon, wilde en moest vertellen. Door het streven naar volledigheid, met aandacht voor een ‘dubbele canon’ van volwassen deskundigen enerzijds en kindlezers anderzijds, worden andere aspecten, zoals die maatschappelijke contextualisering, niet altijd voldoende uitgewerkt. De inleiding, ‘geschiedenis van de jeugdliteratuur in vogelvlucht’, is dan ook verplicht studiewerk voor elke lezer. Wie dit heldere overzicht goed in het achterhoofd heeft en dus mee is met de jeugdliteraire ontwikkelingen tegen de ruimere pedagogische, filosofische en maatschappelijke achtergrond, heeft aan dergelijke summiere verwijzingen mogelijk genoeg. Enkele keren leest het overzicht door die beknoptheid te veel als een opsomming van titels en auteurs.  
 
 Focus op genres 
‘Kiezen is verliezen’ geldt ook hier. De hoofdstukken zijn opgebouwd rond de meest voorkomende en toonaangevende genres, zoals sprookjes, mythen en volksverhalen, de historische roman, fantasieverhalen, meisjes- en jongensboeken, de adolescentenroman... Die keuze heeft voor- en nadelen. Wie een bijzondere interesse heeft voor een specifiek genre, vindt snel zijn weg, maar wie liever een globaler (chronologisch) overzicht krijgt, heeft flink wat huiswerk voor de boeg. De samenstellers maken gewag van ‘een onderliggend netwerk dat de samenhang tussen de hoofdstukken versterkt en het inzicht verdiept’. Maar het is aan de lezer om dat netwerk bloot te leggen. Vaak zetten de auteurs je op weg door te verwijzen naar besprekingen in andere hoofdstukken, andere keren is de lezer op zichzelf aangewezen. Zo noemt Jan Van Coillie ‘De Stratemakeropzeeshow’ met het Schrijverscollectief ‘een revolutie in de kinderpoëzie’, terwijl in de bespreking van deze tv-show in het hoofdstuk ‘Horen, zien en lezen’ de impact op poëzie onvermeld blijft. En wat met het verhaal in Naar den Hemel, als voorbeeld van religieuze literatuur? Is de niet genoemde parallel met het sprookje ‘Het meisje met de zwavelstokjes’ toeval, of is er effectief sprake van beïnvloeding tussen deze genres?
De ordening van feiten speelt ook sommige van de auteurs parten: enerzijds hebben zij de neiging binnen het besproken genre chronologisch te werken, anderzijds lopen ze soms op de zaken vooruit omwille van thematische samenhang. Dat maakt het voor de lezer moeilijk om het gehele plaatje te overzien en ontwikkelingen aan de juiste periode te koppelen.
Gezien de beperkte ruimte — een boek van bijna zeshonderd bladzijden lijkt omvangrijk, maar is dat naar de normen van het genre en de omvang van de besproken onderwerpen en periode zeker niet — is het spijtig dat bepaalde sleuteltitels in meerdere hoofdstukken ruimer aandacht krijgen. Tegelijkertijd wijst die herhaalde aandacht op het belang van deze boeken en pleiten dergelijke voorbeelden voor het feit dat (goede) boeken nu eenmaal niet onder een hoedje te vangen zijn en bijna per definitie een mengvorm zijn van verschillende genres. De ongelooflijke avonturen van Bram Vingerling van Leonard Roggeveen bijvoorbeeld wordt besproken als jongensboek, en krijgt ook aandacht als ‘het eerste en lange tijd enige Nederlandse fantasieverhaal met sciencefictionelementen’. Ook het recentere Vallen van Anne Provoost komt meermaals aan bod.  
Opvallend is ook de afzonderlijke bespreking van recentere literair gekleurde verschijningsvormen zoals jeugdtheater, verfilmingen, radio en televisie en games en apps. Dat precies die ‘recente’ vormen niet onder de betreffende genres zijn opgenomen, maar eigen hoofdstukken kregen, stelt de vraag naar de rekbaarheid van het begrip ‘jeugdliteratuur’ scherp. Vraag is of de impact van deze cultuurvormen op de jeugdliteratuur of vice versa op deze manier scherper geschetst wordt dan wanneer zij versnipperd aan bod zouden komen. Hoe specifieke verhalen of bepaalde verhaalvormen doorwerken in deze media, en een bestaand lezerspubliek dan wel een nieuw publiek van niet-lezers aanspreken, werpt in elk geval een nieuw licht op wat leescultuur is of kan zijn. Mogelijk is er meer ‘afstand’ en onderzoek nodig om de effecten van deze media aan specifieke genres te koppelen. 
   
Over de grens 
Naast teksten en kindbeelden vormen, aldus de verantwoording, ook de verhouding tussen jeugdliteratuur en volwassenenliteratuur en het internationale perspectief belangrijke ‘zwaartepunten’. Die wisselwerking tussen literatuur voor de jeugd en voor volwassenen wordt overtuigend uitgewerkt in onder meer het hoofdstuk over fantasieverhalen (Sanne Parlevliet) en dat over de adolescentenroman (Van Lierop-Debrauwer). In enkele hoofdstukken blijven er kansen liggen: zo vond bijvoorbeeld het in de ‘verantwoording’ gesuggereerde effect van het prentenboek op de volwassenenliteratuur geen plaats in het eigenlijke hoofdstuk.
Kijken we over landsgrenzen heen, dan valt op hoe evenwichtig de aandacht voor Nederland, Vlaanderen en Friesland is en hoe ook daar wordt gewezen op overeenkomsten en verschillen. Bij titels uit het buitenland is helaas niet altijd duidelijk of, hoe en wanneer zij een rol gingen spelen in de Nederlandse context. Titel en jaar van vertaling worden niet consequent toegevoegd.  
De wisselwerking tussen beeld en tekst krijgt doorgaans ruim aandacht en het grote belang van beelden in de (evolutie van) jeugdliteratuur wordt overtuigend aangetoond. Ironisch genoeg bevat deze geschiedenis helaas enkel illustraties in zwart-wit. 
   
De berg, het land en de rivier 
Een land van waan en wijs verschijnt precies vijfentwintig jaar na De hele Bibelebontse berg. Het lijkt erop dat het smeltwater van de berg het land rondom goed bewerkbaar maakte. Op heel wat punten zetten Ghesquière, Joosen en Van Lierop-Debrauwer de aanpak van deze ‘standaardgeschiedenis’ voort en gaan zij verder waar die ophield. Niet toevallig leggen zij de klemtoon op de twintigste en begin van de eenentwintigste eeuw. Tegelijk willen zij de kritieken die De hele Bibelebontse berg destijds ontving een stapje voor zijn, en scheppen zij met inleiding en verantwoording een duidelijk theoretisch en socio-historisch kader. Het schrijven van een dergelijke geschiedenis blijft echter altijd een huzarenstuk. Het vertrekpunt is niet min: de geschiedenis van de jeugdliteratuur en de inbedding ervan in de maatschappelijke context beschrijven van bij het ontstaan tot de vele vertakkingen in de eigen tijd, en dat in niet meer dan een vijfhondertal bladzijden. De keuze voor verschillende hoofdstukken door diverse deskundigen is dan ook begrijpelijk. In vele gevallen werkt dit ook erg goed, zoals in de boeiend geschreven en sterk uitgewerkte hoofdstukken rond sprookjes, mythen en volksverhalen (Joosen), rond fantasieverhalen (Parlevliet) of over de adolescentenroman (Van Lierop-Debrauwer). Niet elke auteur slaagt er echter in even vlot en helder uit de hoek te komen, en dan blijkt des te meer dat ook een literatuurgeschiedenis nood heeft aan een goede stijl.
De samenstellers zijn erin geslaagd terugkerende tendenzen bloot te leggen — ook wanneer de lezer het eerder genoemde ‘huiswerk’ niet heeft gemaakt. Uit meerdere hoofdstukken blijkt het tijdloze van kwesties als de inzet en waarde van prenten, het relatieve aandeel (en bereik) van het ‘artistieke’ prentenboek, het literaire gehalte van adolescentenliteratuur en de omgang daarmee in het onderwijs, de waarde en wenselijkheid van fantasie in verhalen, de angst voor nieuwe vormen van media...
Lovenswaardig is de grote verscheidenheid aan titels die een plaats krijgen en geduid worden binnen het ruimere geheel. Op sommige momenten leest het boek als mijn eigen leesgeschiedenis: ik herken net zo goed oudere titels uit mijn moeders jeugd die ik ooit in een koffer op zolder vond, als titels uit mijn eigen jeugdjaren die stonden voor vernieuwing, of  – ook dat – golden als graag gelezen door de jeugd maar verguisd door volwassen critici. Hoezeer die titelkeuze ook beantwoordt aan duidelijk vooropgestelde selectiecriteria, uitschuivers zijn er. Beoordelingen als ‘een bloedstollend avonturenverhaal met de onontkoombare vertelkracht van oeroude mythen, sagen en sprookjes’ (over De brief voor de koning) of ‘een van de mooiste en meest troostrijke sterfscènes uit de geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur’ (over Paulus en de eikelmannetjes) klinken dissonant in deze wetenschappelijk opgezette literatuurgeschiedenis.  
Dat de auteurs, hoe wetenschappelijk gericht ook, onverminderd ook pleitbezorger zijn van rijke en literair georiënteerde jeugdboeken, blijkt uit vele slotzinnen. Zo klinkt het einde van de inleiding behoorlijk stellig: ‘ “Grootbrengen door kleinhouden” concurreert nog steeds met het geloof dat ook kinderen kunnen leren én genieten van een creatief literair boek.’ Ook Van Coillie sluit het hoofdstuk over kinderpoëzie af met een duidelijk pleidooi: ‘Poëzie dwingt je om stil te staan, om in je hoofd te kijken en van daaruit de wereld anders te zien. En dat geldt evengoed voor grote als voor kleine kinderen’. Het is nog maar de vraag of de lezer die van deze zaken overtuigd moet worden, de weg vindt naar Een land van waan en wijs. Vast staat: als hij er geraakt, dan wordt het geenszins een ‘zoektocht zonder wegwijzers’ en vindt hij er voldoende stof voor een gefundeerde mening. Elk hoofstuk is als het ware een uitkijktoren en biedt de bezoeker een vergezicht met herkenbare én verrassende elementen. Het landschap van de jeugdliteratuur wordt zo weer goed bereisbaar voor elke geïnteresseerde — of die nu ervaren reiziger is of toevallige toerist.
 
Amsterdam: Atlas/Contact, 2014, 544 p., € 49,95. ISBN 9789045027661 


deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2017

Couperus in de Oriënt

José Buschman

De buurjongen

Jan Siebelink

Het verkoolde alfabet

Paul de Wispelaere

The night

Rodrigo Blanco Calderón

Werk werk werk

Christophe Van Gerrewey

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, OKTOBER 2017

Een nacht op het strand

Elena Ferrante, Mara Cerri (ill.)

Het bos slaapt

Rébecca Dautremer

Optimisme is dodelijk

Susin Nielsen

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri