Letterkunde

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2016

Astrid Lindgren: Oorlogsdagboek 1939-1945

door An Stessens

Op 1 september 1939 begint Astrid Lindgren, een moeder van 32 met twee jonge kinderen uit Stockholm, een dagboek. ‘O!’ schrijft ze, ‘Vandaag is de oorlog begonnen.’ Tot oudejaarsavond 1945 zal ze de oorlog bijhouden. Dan is het eindelijk weer vrede. Avondenlang is ze in de weer. Ze noteert niet alleen, maar knipt en plakt ook berichten uit kranten en tijdschriften in haar schrift. Eén schriftje zal uiteindelijk een stapel van zeventien worden. Een uit zijn voegen barstend dagboek vol verslagen en gedachten. Ze schrijft hoe nagenoeg de hele wereld zich geleidelijk aan in het ongeluk stort. Behalve Zweden dan misschien, dat hoog en droog en min of meer neutraal van op de rand toekijkt. En ze schrijft hoe dat is, hoog en droog aan die rand staan, terwijl je buik ‘tonnetjerond’ gegeten is.
 
Dat Astrid Lindgren een grote is, wist ik. Maar met haast elke zin in dit oorlogsdagboek, weet ik het opnieuw.
 
‘Over precies een week is het kerstavond, en gisteren is er uit Vimmerby een mand gekomen met ham, rollade, varkenslever, schouderstuk van een varken e.d. zodat we met Kerstmis niet van de honger zullen omkomen vanwege de stakingen bij de slachterijen.’ (17 december 1944)
 
Tijdens de oorlogsjaren sturen de ouders van Astrid Lindgren geregeld een volle mand eten naar Stockholm. Hun lekkernijen zijn geen luxe in een voorraadkast die vooral gevuld wordt met rantsoenbonnen en onzekerheid.
 
In zo’n mand zal Astrid Lindgren haar oorlogsdagboek bewaren. Zeventig jaar lang liggen ze in haar appartement in Stockholm. Niet dat ze geheim zijn. ‘De familie heeft altijd van de dagboeken geweten, en altijd gedacht dat méér mensen ze zouden moeten lezen. Maar het hele dagboek was met al zijn knipsels zo vreselijk omvangrijk, dat dat gewoon onmogelijk leek,’ zegt dochter Karin Nyman in The Guardian (http://www.theguardian.com/books/2015/may/13/astrid-lindgren-second-world-war-diaries). Uiteindelijk besluiten ze de meeste knipsels buiten beschouwing te laten. ‘Haar eigen notities waren interessant genoeg om te publiceren, ze vertellen een coherent verhaal.’ Dan nog duurt het twee jaar om van zeventien handgeschreven en volgeplakte notitieboekjes één oorlogsdagboek te maken. Eentje met privéfoto’s uit de oorlogsjaren en alsnog best veel reproducties van de originele pagina’s. Die laatste zijn in de Nederlandse vertaling grotendeels weggelaten, wegens niet noodzakelijk interessant voor Nederlandstalige lezers. Alles overnemen én vertalen zou vast ook te duur zijn. En het zou afleiden van de kern van de zaak: het verhaal dat Astrid Lindgren dag na dag en jaar na jaar van de oorlog maakt.
 
2. ‘Een verzwakt Duitsland kan voor ons hier in het Noorden maar één ding betekenen: dat we de Russen over ons heen krijgen. En dan geloof ik dat ik liever mijn hele leven ‘Heil Hitler’ zeg dan dat we de Russen over ons heen krijgen. Iets akeligers is waarschijnlijk niet voorstelbaar.’ (18 juni 1940)
 
Is het niet curieus hoe bang een jonge Zweedse vrouw was voor de Russen? Ik weet wel iets over de Tweede Wereldoorlog, ik heb films gezien en boeken gelezen. Maar wat wist ik van de bittere strijd die Finland in de winter van 1939 uitvocht tegen Rusland? Die winteroorlog maakt een enorme indruk op Astrid Lindgren. Haar broer Gunnar, die in de politiek zit en vaak in Finland komt, vertelt wel eens wat. En via via hoort ze hoe de Russen huishouden in de Baltische staten. Ze houdt er een diepe angst voor de Russen aan over. ‘Ja, God behoede ons voor de Russen,’ schrijft ze keer en keer opnieuw. Dat lezen, is verrijkend. Ik bedenk hoe angstaanjagend de veiligheid in Zweden geweest moet zijn, terwijl links en rechts van je ‘twee dinosaurussen met elkaar in gevecht zijn’. En dat het best ellendig is te beseffen dat de Noren je rauw lusten, omdat je land uit zogenaamde neutraliteit Duitse transporten toelaat.
 
Astrid Lindgren staat erbij en kijkt ernaar. ‘Het is allemaal één grote brij,’ schrijft ze op 22 juni 1941. Ze ziet die hele oorlog groter, gevaarlijker, bedreigender en absurder worden. Maar ze blijft noteren. Wie valt wie aan, wie schiet terug, waar is Hitler, hoe groot is de honger in Frankrijk, en ‘iets wat Attu heet en in handen van de Japanners was, is gevallen.’
 
Maar nergens zegt ze waarom ze dit doet. In een interview in de jaren ’70 zegt ze dat ze met haar dagboeken begon om ‘mijn geheugen op orde te houden en een duidelijk beeld te krijgen van wat er in de wereld gebeurde en hoe dat ons beïnvloedde.’ (Jens Andersen, Denna dagen, ett liv). En vertaalster Janny Middelbeek-Oortgiesen herkent er de journaliste in Astrid Lindgren in: http://www.vpro.nl/boeken/speel.RBX_VPRO_2742940.html. De Astrid Lindgren die na de middelbare school een veelbelovend leerling-journalist was bij de Vimmerbyse krant. Tot ze zwanger raakte, naar Stockholm verhuisde en secretaresse werd.
  <br /> 3. ‘Ik wil gewoon ’s avonds naar buiten om te fietsen en van al die bloemenpracht en al het groen en alle bloemengeur en de helemaal fantastische avondhemel te genieten. De tijd der vervoering, ja, ik ben echt in vervoering gebracht! We zijn Pinksteren begonnen met een maaltijd bestaand uit radijsjes, hardgekookte eieren met ansjovis, asperges, kalfskoteletten en mazariner. Het is onvoorstelbaar dat we opeens zo enorm ruim in ons voedsel zitten; het is een fluitje van een cent om huisvrouw te zijn, ofschoon natuurlijk wel duur. Verder heeft het Italiaanse eiland Pantellaria gecapituleerd, na gruwelijk verwoestende bombardementen.’ (Zaterdag voor Pinksteren 1943)
 <br /> Astrid Lindgren vult haar oorlogsverslaggeving aan met notities over haar dagelijks leven. Ze schrijft hoe haar man Sture promotie maakt. Hoe haar zoon Lars met iets te veel zwier door zijn schooljaren waait. Hoe haar dochter Karin ‘onvriendelijk en ongehoorzaam [is] en zich op alle mogelijke manieren aanstelt’. Ze schrijft hoeveel kilo eieren ze inmaakt, welke cadeautjes de kinderen voor hun verjaardag krijgen en hoe ze vakantie viert in Furusund.
 
Ze wou nagaan hoe de oorlog hun eigen leven beïnvloedde, zei ze. Amper, zou je soms denken. Ze moet haar fiets maar pakken en ze is weg voor een lekker tochtje. Wat steekt die weelde schril af tegen de toestand waarin de rest van de wereld verkeert. De radartjes van het Zweedse leven blijven als vanouds draaien. Zo lijkt het toch. In werkelijkheid schuren en knarsen ze. ‘Het zou allemaal halleluja zijn, als je die ongerustheid maar niet had,’ schrijft Astrid Lindgren als Karin leert fietsen en zwemmen. Zelf is ze ongelooflijk dankbaar. En ze blijft het mooie van het dagelijkse noteren. Ik denk dat dat eigen is aan haar, als mens en als schrijfster. Misschien versterkte de oorlog dit. Want is iets dat onder grote druk staat, iets dat je dreigt te verliezen, plots niet veel kostbaarder?
 
4.‘Het is trouwens eigenaardig om brieven te lezen van mensen die vertellen hoe vrouwen en kinderen die ze persóónlijk kennen, bij bomaanvallen zijn omgekomen. Zolang je er alleen maar over leest in de krant is het als het ware net of je het niet hoeft te geloven, maar wanneer je in een brief leest dat ‘de beide kinderen van Jacques bij de bezetting van Luxemburg zijn omgekomen’ of iets dergelijks, dan wordt het opeens zo’n angstaanjagende werkelijkheid. Arme mensheid; wanneer ik hun brieven lees, ben ik verbijsterd dat er op deze trieste aardkloot voor zo veel ziekte en nood, verdriet, werkloosheid, geldgebrek en vertwijfeling plaats is.’ (13 oktober 1940)
 
Nee, vanzelf gaat dat niet, het goed hebben terwijl de wereld in brand staat. Haar baan helpt daar niet bij. Half september 1940 begint Astrid Lindgren ‘aan mijn geheime ‘mobilisatiewerk’, dat zo geheim is dat ik er hier niet eens over durf te schrijven.’ Ze gaat aan de slag bij de Postcensuur, waar ze brieven leest die uit Zweden vertrekken en die Zweden binnen komen, om er elke vorm van verraad en loslippigheid uit te halen.
 
Ik denk niet dat dit dagboek over de oorlogsfeiten gaat. Zelfs niet over hoe nu ook schoenen op de bon gaan en Astrid Lindgren zich ‘wel voor mijn kop [kan] slaan dat ik voor Pasen geen tijd gehad heb om Karins schoenen althans half te laten verzolen.’ Ik denk dat het dagboek zijn betekenis haalt uit hoe Astrid Lindgren geniet van de zon op haar gezicht en het feestje dat de eerste cantharellen zijn. Hoe ze reageert op het droeve lot van Jacques en zijn kinderen. Of op de Noorse vrouw - ‘ik heb nog nooit anderen met zulke dwaze bewerkingen horen aankomen’ - die beweert dat het bezette Noorwegen nog nooit zo vrij geweest is. En hoe ze schrijft dat ‘het gewoon niet anders [kan] of veel Duitsers zullen zich realiseren hoe verschrikkelijk ze door hun Führer en andere leiders bij de neus genomen zijn’.
 
Het zit ‘m in haar mededogen, in haar focus op het menselijke. Hier overschrijdt ze de banale grenzen van tijd en ruimte. Ik geef nog een stukje. Niet voor de leukigheid, maar omdat het zoveel jaren later en zoveel mijlen verder nog altijd kraters in mijn ziel slaat:
‘Kan, kan, kán die oorlog niet gauw ophouden? Hoe moet het anders met de toekomst voor wie jong zijn en drang naar de wereld hebben? Een bloedige, akelige, verwoeste, vergaste en in alle opzichten ellendige wereld erven, dat is hard.’ (12 mei 1942)
 
5. ‘Toen ik op bed lag, heb ik wat prullaria bij elkaar geschreven en verstuurd, eerst naar Stockholms-Tidningen, die één causerie heeft gekocht en drie teruggestuurd, daarna naar Dagens Nyheter, die beide causerieën die ik gestuurd had heeft geretourneerd. Op de ene had Staffan Tjerneld een motivering geschreven, die begon met ‘Het meisje kan schrijven, daar is geen twijfel over mogelijk’, maar het was toch een beetje te wild en te weinig werkelijkheidsgetrouw, haha!’ (22 mei 1942)
 
Madieke en de kinderen van Bolderburen waren mijn spreekwoordelijke buurmeisjes en -jongens, vroeger, in de jaren ‘80. Ik weet hoe klein Kruimel Leeuwenhart begint en hoe groot hij wordt. Ik hou van Ronja. Halverwege de jaren ’40 was er van hen nog geen sprake, maar op bijna elke pagina in dit oorlogsdagboek zie ik de Astrid Lindgren die ik zo goed ken. Het zijn kleinigheidjes. Zoals de heerlijkheid en de hardheid van de seizoenen, die pakweg Ronja aan den lijve zal ondervinden. Of de lange opsommingen van al dat lekkere eten, dat ook bij Michiel van de Hazelhoeve op tafel zal komen. ‘Ik moet opschrijven wat we hebben gegeten, want aan de ene kant vind ik het leuk om over eten te schrijven en anderzijds weet je niet hoelang het in het land der Zweden nog zal duren dat je op deze manier kunt eten,’ schrijft ze op 17 februari 1944.
 
Tegelijk besef ik dat de oorlog niet gestopt is toen de vrede kwam. De rest van haar leven zal Astrid Lindgren een diepe afkeer hebben voor het soort kwaadaardige macht waar Hilter, Mussolini en Stalin voor staan. Decennia later, in het grootse en zoveel omvattende De geboeders Leeuwenhart, maakt ze van hen de malicieuze draken Katla en Tengil. En niet voor niets heeft Astrid Lindgrens biograaf Jens Andersen het over de wilde, vrije Pippi ‘op wiens vlechten geen Stahlhelm past’.
 
Het is niet alleen maar fijn glimlachen bij die herkenning. Haar dagboek raakt mij omdat het zo licht, zo eenvoudig en zo grappig is. Schijnbaar licht, eenvoudig en grappig, net zoals haar boeken. De oorlog is een ‘brij’, ‘warboel’ en ‘jandoel’, maar haar verslag is gevat. Astrid Lindgren is niet van de franje en het gedoe. Ik lees dit dagboek en ik weet dat de grootste schoonheid vaak in de eenvoud zit. <br /> 
6. ‘Volgens alle opvattingen zou dit eigenlijk een akelige kerst moeten zijn – en natuurlijk heb ik zilte tranen geplengd in de haringsalade, die ik twee dagen voor Kerstmis zat te snijden, maar toen was ik doodop, dus dat telt niet. Als gelukkig zijn synoniem is met het goed hebben, dan ben ik toch eigenlijk nog steeds ‘gelukkig’. Maar zo eenvoudig is het niet om gelukkig te zijn. Eén ding heb ik in elk geval geleerd – wil je gelukkig zijn, dan moet dat uit je eigen binnenste komen en niet van een ander.’ (Eerste kerstdag 1944)
 
In geen geval zou Astrid Lindgren schrijfster worden. Dat had ze zich voorgenomen nadat ze in Vimmerby doodgeknuffeld was als ‘de nieuwe Selma Lagerlöf’. Ik lees dit in de biografie van Jens Andersen, die een prettig en interessant licht over het oorlogsdagboek gooit. Goed, ze schreef wel eens wat. Eind jaren ’30 was er hier en daar in een tijdschrift al een verhaal van haar verschenen. Maar ze deed vooral lacherig over haar ‘prullaria’ en ‘causerieën’. Tot in 1944 een paar zaken samenkomen. Dat jaar verschijnt het meisjesboek over Brit-Mari, dat ‘gek genoeg’ (zo schrijft ze in een brief naar haar ouders) positief ontvangen wordt. Verder begint ze dat voorjaar, een beetje toevallig, met het neerschrijven van de verhalen over Pippi Langkous. Die vertelt ze al sinds 1941 aan een groeiende schare kinderen om haar heen. ‘Ik vermaak mij momenteel flink met Pippi Langkous,’ noteert ze op 20 maart 1944, de eerste en een van de weinige keren dat ze Pippi in haar dagboek noemt.
 
En dan staat daar op 19 juli 1944: ‘Er heeft in mijn bestaan een aardverschuiving plaatsgevonden, en ik ben eenzaam en bibberend van de kou achtergebleven.’ Ze geeft geen details. Maar Sture had haar verteld dat hij verliefd geworden was op iemand anders. Hij wou scheiden. Ging haar dagboek tot nu toe over alledaagse beslommeringen, dan geeft ze nu blijk van wanhoop, van vertwijfeling. Nu is het overal oorlog: buiten haar en in haar. Volgens Jens Andersen wordt de schrijfster Astrid Lindgren in deze periode geboren. ‘Nu wordt ze uitgedaagd om te doen waar ze altijd van droomde,’ aldus Jens Andersen, ‘maar dat ze nooit ernstig genomen had: uit haar rol van huisvrouw en moeder stappen, en in een andere wereld binnen gaan. Eentje die niet rond Sture, Lasse en Karin draaide, maar rond haar eigen verlangen.’ Astrid Lindgren was al lang schrijfster, maar nu wordt ze het echt.
 
7. ‘Deze dag, een heel leven.’ (1925, 1962)
 
Astrid Lindgren zag deze woorden in 1925. Ze stonden op de muur geschilderd van het huis van Ellen Key, een bekende schrijfster en feministe. Ze zijn van de Zweedse filosoof en dichter Thomas Thorild en ze moeten Astrid Lindgren altijd bijgebleven zijn. In 1962 maakt ze er in Samen op het eiland Zeekraai het motto van Melker Melkerson van. ‘Het betekent dat je net moet doen alsof deze dag je hele leven is,’ legt vader Melkerson uit aan de kleine Pelle, ‘En dat wil zeggen dat je iedere seconde moet uitbuiten en steeds het gevoel moet hebben werkelijk te leven.’
  <br /> In haar oorlogsdagboek komen de woorden niet voor. Niet letterlijk. Maar ik zie in dit hele dagboek de wil om het hele leven vast te pakken. Met al zijn dood, al zijn wanhoop, al zijn blijheid en al zijn geluk. Astrid Lindgren kijkt het leven recht in de ogen. De vreugde en de troost die ze daarmee brengt, maakt dat ik dit oorlogsdagboek blijf lezen.
 
Bronnen
Astrid Lindgren's second world war diaries published in Sweden / The Guardian (13/05/2015) http://www.theguardian.com/books/2015/may/13/astrid-lindgren-second-world-war-diaries
Het oorlogsdagboek van Astrid Lindgren: een gesprek met vertaalster Janny Middelbeek op de Nederlandse Radio 1 (06/12/2015) http://www.vpro.nl/boeken/speel.RBX_VPRO_2742940.html
Denna dagen, ett liv: en biografi över Astrid Lindgren / Jens Andersen (Norstedts, 2015) <br /> 
Astrid Lindgren: Oorlogsdagboek 1939-1945, Amsterdam : Ploegsma 2015, 265 p. : ill. Vert. van: Krigsdagböcker 1939-1945 door Janny Middelbeek-Oortgiesen. ISBN 9789021675022 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2017

Couperus in de Oriënt

José Buschman

De buurjongen

Jan Siebelink

Het verkoolde alfabet

Paul de Wispelaere

The night

Rodrigo Blanco Calderón

Werk werk werk

Christophe Van Gerrewey

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, OKTOBER 2017

Een nacht op het strand

Elena Ferrante, Mara Cerri (ill.)

Het bos slaapt

Rébecca Dautremer

Optimisme is dodelijk

Susin Nielsen

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri