Vertaald proza

BOEKEN NR. 4, FEBRUARI 2016

Aharon Appelfeld: Plotseling, liefde

door Ludo Abicht

Ernst, een Roemeense Jood, heeft de Holocaust overleefd als commissaris in het Rode Leger. Zijn eerste vrouw en zijn dochter werden door de nazi’s vermoord. Na de oorlog wil hij weg uit Europa en komt hij nogal toevallig aan in Palestina, in de periode voor de stichting van Israël. Zijn tweede huwelijk, met een volgens hem onuitstaanbare ex-communiste, is mislukt en na een onopvallende carrière als ambtenaar trekt hij zich terug, om in eenzaamheid aan zijn memoires te werken. Wanneer hij op hoge leeftijd kanker krijgt en hulp nodig heeft, vindt hij Irene, de dochter van Holocaustoverlevenden, die zich vanaf het eerste ogenblik volledig voor hem opoffert. Irene is, in tegenstelling tot Ernst, op een eenvoudige maar overtuigende manier gelovig. Niet zozeer orthodox wetsgetrouw, maar doordrenkt van de herinnering aan haar ouders en daarom ook vastbesloten de tradities van haar jeugd zorgvuldig in ere te houden. Dat versterkt de band met haar ouders, met wie ze over de dood heen kan communiceren en die op een haast mystieke wijze in haar leven aanwezig blijven.
 
In het begin heeft Ernst, de overtuigde atheïst, daar geen boodschap aan, maar langzamerhand, terwijl hij moeizaam aan zijn herinneringen laboreert, raakt hij als het ware in de ban van Irenes vanzelfsprekende innerlijke rust en vroomheid. Tegelijkertijd - hoe kon het ook anders? - slaat de vriendschap met Irene om in liefde, ook en misschien net omdat het gaat over de relatie tussen een terminaal zieke oude man en een jongere vrouw. In die zin is de titel, Plotseling, liefde,  enigszins misleidend: het was voor Irene en de lezers duidelijk vanaf de eerste
bladzijden dat hier meer dan grenzeloze zorg en toewijding aan het werk was, zodat de ontroerende laatste bladzijden, waarin de dood onmiskenbaar de strijd tegen de liefde (nog) niet gewonnen heeft - Eros versus Thanatos -, niet echt verrassen. Dat is het mooie en tegelijk zwakke punt van dit sterke, meeslepend geschreven maar voorspelbare verhaal: iets over de helft begint de ‘terugkeer naar huis’, nadat hij eens en voorgoed afgerekend had met zijn vreselijke communistische verleden, waarin hij samen met andere joodse jongeren niet alleen joodse kapitalisten, maar vooral ‘achterlijke’ orthodoxen vervolgd had. Dit donkere verhaal steekt als in een zwart-wit tekening duidelijk af tegen de herinnering aan de vrome traditionele joden uit de Karpaten, onder meer zijn grootouders, die al eeuwen Godsgetrouw en harmonisch samenleefden met hun niet-joodse buren.
 
Dit boek bestaat dus niet alleen uit een raamvertelling (de relatie met Irene in het kader van de verwerking van zijn verleden in de memoires), maar ook uit een tweedeling tussen zijn niet- of zelfs anti-joodse leven en zijn langzame herontdekking van de joodse religieuze traditie:
 
‘Ernst verheelde niet voor hem (de oncoloog, LA) dat hij jarenlang had gedwaald in andermans velden, maar in de afgelopen jaren een reservoir aan levend water had ontdekt dat in hemzelf verborgen was geweest.’
 
Deze wil tot herbekering geeft soms aanleiding tot verwarrende passages. Zo schrijft hij bijvoorbeeld op blz. 83 over het Duits: ‘Ondanks dat alles,’ voegde hij eraan toe, ‘blijft het mijn moedertaal. In die taal sprak ik met mijn ouders en las ik mijn eerste boeken, en alleen in die taal ben ik bij machte te schrijven.’ En op blz. 134 staat: ‘Afgelopen week had Ernst met spijt gesproken over zijn jarenlange verwaarlozing van zijn moedertaal. ‘De taal van de joden is hun ziel,’ zei hij tegen haar.’ Het lijkt erop dat hij de duistere periode van zijn communistische jeugd wil compenseren door een stralende beschrijving van het Jiddisje verleden dat dan op de voorlaatste bladzijde ook uitdrukkelijk met het verloren gegane paradijs vergeleken wordt en dat hij nu, op de drempel van de dood, weergevonden heeft:
 
‘We zijn hier geboren. Door een of andere vergissing zijn we uit dit paradijs verdreven en in ballingschap gezonden. Eindelijk is de vergissing hersteld en zijn we teruggekeerd naar de plaats waar God en de mens tezamen wonen, en zo meteen komen we bij het heiligdom.’
 
Amsterdam : Ambo/Anthos 2016, 213 p. Vert. van: Pitom ahava door Ruben Verhasselt.  
ISBN 9789026332241

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri