Nederlands proza

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2017

Marcel Möring: Eden

door Ine Kiekens

‘Ik ben geboren in een woud zonder grenzen, oud en woest als de schepping zelf, waar de bizon zwierf en de bomen ouder waren dan alles wat leefde.’ 

Deze feeërieke setting vormt het begin van Marcel Mörings recentste roman Eden. Aan het woord is Niekas, wat niemand betekent, een veelbetekenende naam voor een jongen van wie het door zijn zwakke aard was voorbestemd dat hij zijn kindertijd niet zou overleven.  Tegen alle verwachtingen groeit Niekas voorspoedig op, maar omdat hij openstaat voor verandering en de wereld buiten zijn dorp beter wil leren kennen, bestempelen de anderen hem als een buitenbeentje en laten ze hem liever links liggen. Enkel de oude wijze Jakub bekommert zich om Niekas. Aan de hand van vele verhalen uit zijn persoonlijke verleden leert Jakub Niekas de wereld kennen. Hij brengt hem eveneens bij hoe hij moet lezen en schrijven, iets wat Niekas in zijn latere omzwervingen van pas zal komen. 
Aan die sprookjesachtige vertelling komt op pagina 60 van Eden een abrupt einde, wanneer Möring een tweede grote verhaallijn introduceert, met name die van psychiater Mendel Adenauer. Vanaf dan zal Möring afwisselen tussen beide verhalen. In dat van Adenauer komen we meer te weten over enkele van Adenauers opvallende patiënten, maar ook krijgen we inzicht in zijn eigen leven dat her en der op de voorgrond wordt geplaatst. In dat van Niekas reizen we met dit mysterieus personage door de tijd heen: in wisselende gedaanten onder de namen van onder meer Schwarz en Zwart komt hij in diverse contexten terecht: hij zwerft in donkere wouden, gaat in opdracht op zoek naar het mysterieuze Boek van Raziël, werkt als kopiist in een middeleeuws klooster en houdt de boekhouding van een landbouwer bij.

Möring werkt zich bij het afwisselen van de twee verhaallijnen in de kijker als een meesterverteller. Zijn schrijfstijl wijzigt al naargelang het stofcomplex: de poëtische manier van vertellen die hij in de beginpagina’s van Eden hanteert, ruilt hij bij het verslag van Adenauers wedervaren in voor een zakelijke, zelfs steriele stijl. Dat is ook zichtbaar in de lay-out: Möring heeft ervoor geopteerd om beide verhalen in een verschillend lettertype te laten zetten. Ook de verscheidene avonturen van Niekas zijn op een aparte wijze gemarkeerd: telkens Niekas in een andere tijdszone terechtkomt, wordt dit aan het begin van een hoofdstuk met een nieuw symbooltje aangegeven. Zo staat bijvoorbeeld de boom voor zijn tijd in het dorp in het woud en wijst de initiaal op de periode waarin hij als kopiist en klerk aan de bak komt. Daarnaast voegt Möring ook binnen zijn twee uiteengezette verhaallijnen verschillende genres en onderliggende verhalen toe, zoals de avonturenverhalen van Jakub of de wetenschappelijke papers die Adenauer van Benthe toegestuurd krijgt.

Eden is doorspekt van de religieuze referenties, zonder dat die voor de lezer storend of aanmatigend overkomen. Daarbij is het bewonderenswaardig hoe Möring twee religieuze bekende denkbeelden subtiel heeft verenigd en als de grondlaag van zijn roman heeft verwerkt: de ballingschap van de mens uit het paradijselijke Eden en de veroordeling van Ahasverus, de jood die Christus op weg naar het kruis zou hebben geslagen, om tot aan de Dag des Oordeels over de aarde rond te zwerven. Niekas kan zich niet tevreden stellen met zijn persoonlijke leefwereld en verwerft via Jakub nieuwe kennis en vaardigheden. Die zorgen ervoor dat hij uiteindelijk zijn geboorteplek verlaat en aan de lokroep van het vreemde gehoorzaamt door van de ene naar de andere plek te trekken. Niekas kondigt dit al impliciet aan bij het begin van het verhaal: 

‘Ik leefde in de tuin van Eden, maar was als Adam hongerig naar de vrucht die kennis heet en zou erin bijten als mij die werd aangeboden. Ik was hier, maar op weg naar daar, ook al had ik nog geen stap gezet.’

Die rusteloosheid vinden we eveneens terug in het verhaal van Adenauer. In feite lijkt de psychiater niet ingrijpend van zijn patiënten te verschillen. Ook hij valt aan zijn eigen agitaties ten prooi: 

‘En ik begin nu zoveel in mijn patiënten te herkennen dat ik mij soms afvraag wie wie behandelt.’

De Wandelend Jood is een herhaaldelijk gebruikt motief in Mörings oeuvre: ook in de roman In Babylon (1997) staat dit thema centraal. Een ander parallel met zijn oeuvre vormt het personage Adenauer. In Mörings debuut Mendel of Mendels erfenis (1990) wordt deze figuur al als hoofdpersonage opgevoerd. Eden zelf is dan weer het sluitstuk van de trilogie waarvan Dis (2006) en Louteringsberg (2011) de eerste twee boeken vormen.

Mörings bijnaam zou wel eens Caerostris darwini kunnen zijn, een spin wiens web uitermate uitgestrekt en stevig is: Möring heeft niet alleen aandacht voor parallellen tussen zijn verschillende boeken, maar ook in Eden zelf heeft hij een duizelingwekkend web van verschillende taalregisters, genres en verhaallijnen gesponnen. De gedaanteverwisselingen van Niekas, de dolende patiënten van Adenauer en diens eigen zwerftochten zijn op uiteenlopende, en soms wel verstikkende, wijzen aan elkaar verbonden via linken die niet altijd even geslaagd of duidelijk zijn. Eden kan als een veeleer hermetische roman worden gekwalificeerd die uiterst geschikt is voor een lezer die zich niet door een indrukwekkende hoeveelheid aan details, mysterieuze zwarte gaten of onverwachte verhaalwendingen laat afschrikken. Niet elke lezer zal echter even bereid zijn om mee te gaan in de talrijke omzwervingen die Möring op papier heeft gezet.

Amsterdam : De Bezige Bij 2017, 400 p. ISBN 9789023496144. Distributie WPG Uitgevers 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri