Letterkunde

BOEKEN NR. 6, JUNI 2019

Yi Fong Au, Tommy van Avermaete (red.): Door de schaduwen bestormd. Reflecties op de controverse rond de oorlogsjaren van Lucebert

door Christophe Van Eecke

Zwartboek voor een tedere anarchist
Reflecties op de reflecties op het oorlogsverleden van Lucebert
Het is altijd een goed idee om niet te gretig met de zelfvoldaanheid van het nageslacht over het verleden te oordelen. Toch is dat precies wat gebeurde toen Wim Hazeu in Lucebert: biografie uitgebreid verslag deed van Luceberts sympathie voor het nazisme. Dat Lucebert vrijwillig in Duitsland was gaan werken, wisten we al. Nieuw en onthutsend waren de citaten die Hazeu voorlegde uit brieven die Lucebert schreef aan Tiny Koppijn, een Nederlandse vriendin, en waarin hij zich ongeremd te buiten gaat aan antisemitische en nazistische vuilbekkerij. Voor velen was het te veel: was Lucebert immers niet het culturele icoon van het vrije en bevrijde, antiautoritaire en progressieve denken? Was hij niet de belichaming van alles waar het antinazistische sentiment voor stond?
 
Binnen de kortste keren was het dak eraf en ontstond er een literaire rel. Iedereen had een mening en voor menigeen kon Luceberts oeuvre niet snel genoeg in de papierversnipperaar van het collectief cultureel geheugen. Anderen namen het even vurig voor Lucebert op. Goede raad, zoals Gerard Reve met kroontjespen op het papier zou krassen, was duur. Maar nu de storm lijkt te zijn gaan liggen, of op zijn minst bedaard, kan de bedachtzame reflectie starten. En dat is precies de inzet van de bundel Door de schaduwen bestormd, samengesteld rond een kettingbrief die door Tommy van Avermaete in het oog van de literaire storm werd gelanceerd.
 
Deze collectie is een uitmuntend document. Het is opmerkelijk hoe elk van de bijdragen steeds weer vanuit een andere invalshoek niet alleen die vragen oproept die men zich als lezer zelf ook stelt, maar bovendien andere kwesties aankaart en vervolgens aanzetten tot antwoorden suggereert die doen nadenken, soms verrassen, en altijd genuanceerd en doordacht zijn. Dat geldt niet alleen voor de kettingbrief, maar evenzeer voor de essays die daarop volgen. Zo reikt onder meer Sander Bax heel concrete instrumenten aan om Lucebert opnieuw te lezen, biedt Piet Gerbrandy een uiteindelijk zeer pakkende nieuwe lectuur van een aantal gedichten, onderneemt Siebe Sluijs een nauwgezette en relevante analyse van een weinig bekend radiostemmenspel van Lucebert, en weet Huub Beurskens’ gekwetste sarcasme ons zelfs eventjes (maar niet finaal) te overtuigen dat er misschien inderdaad wel niets overblijft van Luceberts oeuvre dan huichelarij en hypocrisie (Beurskens gelooft het zelf uiteindelijk ook niet, maar zijn interventie, mede gemotiveerd door het feit dat zijn eigen vader werd gedeporteerd door de nazi’s, is minstens brisant te noemen). Iets minder verheffend is de stellingenoorlog die Elsbeth Etty en Hazeu in het laatste luik van het boek uitvechten over bronnen en hoe ermee om te gaan.
 
Als lezer blijf je na lectuur achter met wat je verrijkte gedachten zou kunnen noemen. Dit is wezenlijk een dialogisch boek, waarin heel veel stemmen met elkaar in gesprek gaan en daardoor ook de lezer uitnodigen om mee te denken en eigen nuances aan te brengen. Het enige zinnige antwoord op deze collectie is om dan ook zelf, als lezer van zowel Lucebert als van Hazeu’s biografie, mee te reflecteren. De enige bedenking die men kan maken, betreft de keuze van de auteurs, waarvan sommigen openlijk erkennen dat ze het werk van Lucebert überhaupt amper kenden, laat staan er affiniteit mee hadden, voor hen om een bijdrage werd gevraagd – wat doet vermoeden dat een belangrijk criterium om in dit boek te belanden gewoon was dat men tot de kennissenkring van Tommy van Avermaete behoorde. Desalniettemin, als een controverse zoals deze nationaal gaat, heeft iedereen altijd een mening, ook wie er niets over weet, dus er is in wezen eigenlijk niets op tegen dat ook jonge wetenschappers en critici die ver van Lucebert staan nu over Lucebert denken en zijn werk lezen. Vele (en vooral nieuwe, jonge) lezers zullen Lucebert immers nu ook pas voor het eerst lezen nadat de feiten over zijn oorlogsverleden bekend zijn geraakt. Een naïeve, onbevangen lectuur is finaal onmogelijk geworden, waardoor iedere lezer brutaal op zijn eigen oordeel wordt teruggeworpen: wat doe ik met dit oeuvre?
 
Het Nieuwe Morele Commissariaat
Een constant thema doorheen de bundel, dat door bijna iedere bijdrage wordt aangeraakt, is de afrekencultuur die vandaag de (sociale) media beheerst en die ervoor zorgt dat nogal wat mensen meteen klaarstaan met een definitief oordeel over iedereen die van een morele fout kan worden beticht. Die observatie verdient een aantal kanttekeningen omdat ze ons veel vertelt, indien niet over Lucebert en zijn oorlogsverleden, dan toch misschien over de redenen waarom wij het zo belangrijk vinden om daar een uitgesproken mening over te hebben. Vandaag wordt men immers voor veel minder dan een fout oorlogsverleden (inter)nationaal aan de schandpaal genageld. Zelfs een onschuldig woord dat door iemand met zeer lange tenen als kwetsend wordt geïnterpreteerd, wordt binnen de kortste keren vertaald naar een gedachteloze agressie die, in een ononderbroken reflexieve lus, resulteert in een collectief affakkelen van iemands reputatie op de antisociale media. Hele carrières en reputaties worden gekraakt op basis van een als ongepast ervaren seksuele woordspeling, een politiek incorrect woord, of een ‘foute’ keuze in overhemd bij het aankondigen van een doorbraak in de astronomie (zoek de kwestie ‘Matt Taylor’ en ‘Shirtgate’ maar eens op).
 
Wie vandaag, in tegenstelling tot de jonge Lucebert, aan de juiste kant van de geschiedenis staat, staat in de waarheid, en weet dat ook van zichzelf. En de anderen: die zullen het geweten hebben. Er is een nieuw moreel commissariaat verrezen dat zijn eigen Morele Boekje hanteert om kaf van koren te scheiden, taalregels in te stellen (speech codes), dissidenten te censureren (no-platforming en trigger warnings), of foute gedachten te corrigeren (micro-agressie en sensitivity training). Dat creëert een morele terreur waar letterlijk iedereen op elk moment van de grootste gruwel kan worden beschuldigd, zelfs indien men zover men weet nooit iets ergs heeft gedaan. Daar komt nog bij dat de onthulling van zelfs een klein en eigenlijk gewoon menselijk falen altijd weer aan de context wordt ontrukt: contextualiseren is in de ogen van het nieuwe commissariaat immers bij definitie minimaliseren, verschonen, excuseren (veronderstellend dat er al iets moet worden geëxcuseerd indien het falen gewoon des mensen is).
 
Het resultaat is de veralgemening van de achterdocht en het cultiveren van de argwaan. Toen de bekende acteur Liam Neeson recent getuigde van een racistische reflex die hij vele jaren geleden had gehad nadat een dierbare vriendin door een niet-blanke man (is dat het juiste woord?) was verkracht, hoopte hij daarmee bespreekbaar te maken hoe wij allemaal onwillekeurig racistische reflexen hebben. Neeson vond zijn eigen racistische reflex achteraf zeer problematisch, maar in plaats van een intelligent debat werd hij getrakteerd op een rondje karaktermoord op de antisociale media. Kortom: ik kan goed begrijpen dat Lucebert zijn mond heeft gehouden over zijn zwarte oorlogsverleden. Er valt gewoon niets te winnen bij een publiek mea culpa en een vraag om begrip. Publieke figuren die hun eigen verleden kritisch willen bevragen, doen dat, omwille van hun eigen bestwil, best in stille gedachten. Dat is om vele redenen jammer, niet het minst omdat kunstenaars, en zeker schrijvers, omwille van hun stiel nu net bij uitstek geplaatst zijn om dat soort bevraging met subtiele precisie en verhelderende complexiteit te verrichten – indien wij tenminste bereid zouden kunnen worden gevonden om eventjes in stilte en aandachtig te luisteren in plaats van altijd maar te staan schreeuwen.
 
Spiegeltje, spiegeltje: wie is de goorste in het land?
In die zin is de discussie omtrent Luceberts bruine verleden heel interessant omwille van wat ze onthult over ons. Het geval Lucebert dwingt ons immers om in de eigen ziel te kijken. En eenieder die dat ooit waarachtig heeft gedaan, ontkomt niet aan de narcistische kwetsuur van de eigen onvolmaaktheid, het eigen morele falen, het eigen toegedekte tekort, en de schaamte daarover. Het is feitelijk onmogelijk om als mens te leven en niet ooit, meermaals, bij herhaling, en niet zelden onbedoeld of slechts deels bewust, kwaad te doen of foute keuzes te maken. Wijsheid achteraf over de context en gevolgen van de eigen keuzes en handelingen heeft men op dat moment nog niet: die wijsheid komt immers pas achteraf. Er zit dus onmiskenbaar een element van hypocrisie in het hele debat, en dan met name in de roekeloze morele veroordelingen en banvloeken die over wijlen de dichter zijn uitgesproken. Uiteraard had Lucebert ook toen al beter kunnen weten dan zich van ‘Heil Hitlers’ te bedienen. De vraag in welke mate en in welke gradatie hij dat had kunnen weten, en waarom hij het niet wist (of verkoos het niet te weten), zijn echter vragen om nuancering die in een afrekencultuur niet meer kunnen worden gesteld. Eens fout, altijd fout.
 
Men kan zich de vraag stellen of het oordeel over de ander in dit soort controverses niet gewoon een eigen ongemak moet toedekken. Esther Edelmann legt in haar bijdrage aan de kettingbrief de vinger pijnlijk op de wonde wanneer ze aanhaalt dat de Jodenhaat van de nazi’s intrinsiek verbonden was met anticommunistische sentimenten, en stelt de vraag of de collectieve verontwaardiging over het antisemitisme van het nazisme na de oorlog niet veeleer een afweermechanisme is geweest om toe te dekken dat wat daarna kwam, namelijk de Koude Oorlog, gewoon meer van hetzelfde was: een nieuw rondje communistenhaat (met in de praktijk ook een tot op vandaag onbekommerd doorlevend antisemitisme in de bredere echelons van de samenleving). Projection and disavowal noemen we dat: men projecteert het eigen morele tekort op de ander (of men gaat het tekort bij de ander enorm uitvergroten) om het bij zichzelf niet over datzelfde tekort te hoeven hebben.
 
Edelmann formuleert een interessante gedachte omdat de implicaties ervan nog veel breder gaan. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de zelfmoord van Alan Turing nadat hij chemisch werd gecastreerd omdat hij homo was. Die medische verminking van homoseksuelen was in het naoorlogse Verenigd Koninkrijk zowel systemisch als systematisch. Ze was in de wet ingeschreven, wat haar systemisch maakte; en de vele homoseksuelen die op die manier werden verminkt, maken duidelijk dat het hier niet om uitzonderlijke aberraties ging. En wat te denken van de rassensegregatie die in het land van onze bevrijders (de VS) tot vele jaren na de Tweede Wereldoorlog bleef voortbestaan? Hoe een natie waar racisme blijkbaar tot op vandaag tot het cultureel DNA behoort tegelijk het tegendeel van het nazisme kan representeren (de ‘vrije wereld’), is een morele spreidstand die vragen oproept. En om terug te keren naar Nederland en naar Luceberts literaire doorbraak (zijn minnebrief aan Indonesia): hoe moet je, in de wetenschap van wat onder de bezetting was gebeurd, de politionele acties in Indonesië beoordelen? Om nog te zwijgen van de scabreuze manier waarop Indisch-Nederlandse en Surinaamse staatsburgers daarna decennialang in Nederland zijn behandeld. Homo’s medisch verminken, rassen scheiden en kolonies onderdrukken: het is toch altijd weer net dat beetje ‘anders’ als wij het doen.
 
Lucebert uitzuiveren
Sander Bax schreef een bijzonder interessante bijdrage in de bundel omdat hij ons ook een aantal concrete instrumenten aanreikt om aan een herlezing van Lucebert te beginnen. Daarbij haalt hij zijn inspiratie bij het onderzoek dat Klaus Theweleit heeft verricht naar beelden van mannelijkheid bij jongemannen die zich laten verleiden door extreemrechtse ideologieën. Daarbij valt op dat de aantrekking altijd gepaard gaat met een beeld van mannelijkheid dat krachtig is, maar ook hygiënisch en angstig voor besmetting door het vrouwelijke, het vuile, het gedegenereerde. Dat model is ons ook bekend vanuit het onderzoek naar de beeldvorming rond de vrouw in de negentiende eeuw (de engel in het huis versus de femme fatale), waar er een semantisch continuüm van verwerpelijkheid werd gecreëerd dat van de vrouw over de zwarte naar de jood en de homoseksueel liep (de apen en de Ieren zaten er ook ergens tussen).
 
Bax’ analyse legt indirect bloot hoe de moralistische reactie op Luceberts nazistische sympathieën eigenlijk gewoon het spiegelbeeld is van dergelijke denkvormen. Immers, is de roep om de werken van seksistische blanke mannen uit de canon te halen, de muziek van kinderverkrachters als Michael Jackson niet meer te spelen, Kevin Spacey van het scherm te wissen, of het werk van Woody Allen verder maar links te laten liggen niet evenzeer een afweerreactie tegen de dreiging van het vieze, het onzuivere, het zieke? Is die eis dat we enkel nog ‘moreel zuivere’ kunstenaars (en in de praktijk zijn het natuurlijk bijna uitsluitend vrouwen en kunstenaars uit minderheidsgroepen die ooit echt ‘zuiver’ kunnen zijn omdat zij onbevlekt ontvangen zijn door het Slachtofferschap) mogen waarderen niet een onmogelijke eis omdat ze een onmogelijke zuiverheid verwacht van kunstenaars die, zoals alle mensen, in de onzuivere modder van het echte leven met vallen, opstaan, en onvermijdelijke misstappen door de dag, de week, het jaar, het leven proberen te komen?
 
Als de nazi-ideologie het sociaal lichaam wilde ontdoen van onzuivere personen, dan willen bepaalde feministische, gender- en andere politiek correcte ideologieën iets zeer gelijkaardigs. En misschien is dat opnieuw wat nog het meest woede opwekt in het nu door Hazeu onthulde beeld van die briljante dichterkeizer, die allermooiste jongen aller dichters: de narcistische kwetsuur dat de Lucebert die van zijn sokkel tuimelt eigenlijk niet anders is dan wij zelf zijn; en dat zijn val ons daarom verplicht om ook onszelf in de spiegel te bekijken en vast te (durven) stellen dat Lucebert in veel ongemakkelijke opzichten notre semblable is. Of, zoals men het in het Engels zo mooi zegt: there, but for the grace of god, go I. Met dat verschil dat wij doorgaans minder fraai kunnen dichten.

Kortom, ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de heftigheid van de verontwaardiging over Luceberts nazisympathieën vooral een bliksemafleider is om niet te moeten nadenken over de morele onzuiverheid van het eigen collectieve geweten. Het nazisme is immers een heel dankbare representatie van het Absolute Kwaad. Maar zoals Hannah Arendt al wist, was het kwaad nooit absoluut: het was, en is, banaal. Het vindt plaats in alledaagse handelingen van achte- en gedachteloosheid, waarbij men zich achter de spreekwoordelijke wetten en bezwaren verschuilt om te rechtvaardigen dat men ingaat tegen de menselijkheid. In die zin is de verdediging, die ook werd geopperd, dat Lucebert geen gewelddaden heeft gepleegd maar in Duitsland gewoon wat administratie deed, een vals argument: hij heeft sowieso bijgedragen, hoe miniem ook, aan de productie van wapens die onschuldige mensen hebben vermoord. Dat argument vereist echter dat we ook onze eigen medeplichtigheid onder ogen zien, want zoals Bram Ieven benadrukt, weten wij als consumenten maar al te goed dat onze levensstijl gebouwd is op de uitbuiting van mensen in andere continenten en op de uitbuiting van ons eco-systeem. Mensen sterven voor onze luxe. Vinden wij nu ook dat er bloed aan onze eigen handen kleeft? En doen we daar iets mee?
 
Natuurlijk niet. Want we kunnen gewoon niet buiten dat systeem, toch? We willen wel, of zouden wel willen, maar het is zo ontzettend onpraktisch. Bovendien dwingt het systeem ons gewoon, toch? TINA (There Is No Alternative) is onze beste liberale vriendin. Of dura lex sed lex, zoals nog een ander, iets ouder adagium weet. Maar wie dergelijke principes aanroept, geeft daarmee te kennen dat men weet dat de wet onrechtvaardig en zelfs wreed is, en het onvermijdelijke niet onvermijdelijk. De wet is de wet: dat is de juridische hoeksteen en administratieve rechtvaardiging van de banaliteit van het kwaad. Misschien ligt daar ook de diepere grond voor de politieke correctheid, de overregulering en de extreme juridisering van onze maatschappij: als zelfs de kleinste grief, zelfs het kleinste ongemak dat de ander ons veroorzaakt, en zelfs het onooglijkste aspect van het leven bij wet zijn geregeld, kunnen we collectief onze handen in onschuld wassen (Lex! TINA!) terwijl we onze samenleving perfect legaal zuiveren van zij die in onze ogen onzuiver op de graat zijn. We banaliseren maar al te graag ons eigen kwaad. Dura lex sed democratia! (schreeuwt Thierry Baudet terwijl hij naakt balancerend op een infinity pool zijn schaamte, mogelijk het interessantste deel van zijn persoonlijkheid, bedekt).
 
De horror! De horror!
Het bovenstaande is niet bedoeld om de verantwoordelijkheid van Lucebert voor zijn misstappen te minimaliseren, te relativeren, of te verschonen. Noch wil het een minnebrief zijn aan wat ik met een Revisme onze gemartelde Mooie Foute Jongen zou kunnen noemen. Het wil vooral vraagtekens plaatsen bij de vaak obscene gretigheid waarmee wij anderen, en in dit geval Lucebert, affakkelen omwille van door ons als grondig immoreel beschouwde handelingen. Die afrekencultuur lijdt aan een schizofrene intellectuele oneerlijkheid. Enerzijds wordt er vanuit politiek correcte hoek heel veel aandacht gevraagd voor het concrete, het individuele en de absoluut unieke ‘gesitueerdheid’ van elk individu en van allerhande door de geschiedenis en de cultuur onderdrukte minderheden. Anderzijds wordt de eigen moraal daarbij als een absolute en transhistorische maatstaf gehanteerd, waardoor meteen ook alle aandacht voor het concrete, het individuele en het uniek gesitueerde radicaal op de schop gaat. En naarmate men verder in het verleden graaft, zal men steeds meer mensen (doorgaans Dead White European Males) vinden die tekortschieten op onze morele standaard, terwijl zowel de intellectuele als de morele eerlijkheid vereisen dat wij ook hen in hun concrete en individuele situatie beoordelen in plaats van hen af te schieten, zonder vorm van intellectueel of moreel eerlijk proces, gewoon omdat zij zich, zovele decennia of eeuwen geleden, niet als postmoderne multiculturalisten en gendernauts hebben gedragen.
 
Een wezenlijke aandacht voor de unieke individuele situatie vraagt om nuance, voorzichtige afweging, en een opschorten van het oordeel – en mogelijk zelfs de morele eis om het oordeel permanent op te schorten in plaats van de zaak te willen afsluiten en klasseren (fout/niet fout). Lieke Smits stelt in haar bijdrage aan de kettingbrief de juiste retorische vraag: ‘Kan nuancering […] een kritische, radicale positie zijn die zich juist aan de polarisatie onttrekt?’ Uiteraard. Maar de ervaring leert dat dit vandaag bij uitstek een schier onmogelijke positie is geworden. Wie nuanceert, luistert namelijk met een open en ernstig oor naar de opponent (die we voor één keer niet ‘de vijand’ noemen) en gaat ervan uit dat die ander, met wie men het waarschijnlijk in grote lijnen oneens is, op sommige punten misschien toch wel eens gelijk zou kunnen hebben. Wie nuanceert, is bereid om zijn eigen overtuiging te laten varen voor het betere argument. Kortom: wie nuanceert, gaat in tegen een dominante tendens in het hedendaagse culturele veld, waar pluralisme al te vaak de vrijheid tot conformeren betekent. En Nuances zijn vandaag een kookprogramma op Njam-TV.
 
De jonge Lucebert, die toen nog gewoon Bertus Swaanswijk heette, heeft in zijn late tienerjaren, voorafgaand aan de jaren des verstands en aangevuurd door een misplaatst maar in de context van de tijd begrijpelijk idealisme, een gruwelijke (en zeker niet banale) inschattingsfout gemaakt. Zijn vertrek naar en activiteiten in Duitsland en zijn expliciete antisemitisme, waarvan in de brieven aan Koppijn de objectieve sporen zijn neergelegd, geven aan dat het hier om meer dan een louter momentane opflakkering ging. Het was geen fait divers in de biografie. Maar Lucebert, en op dat moment dus niet langer zomaar Swaanswijk (jezelf nieuw creëren met een nieuwe naam is ook een manier om te zeggen: ik ben die persoon niet meer, en ik wens die persoon ook niet meer te zijn), heeft al vrij snel ingezien dat hij fout zat, en heeft zich daarover vermoedelijk diep geschaamd en daarom, in wat men niet meteen een uiting van moed maar veeleer een begrijpelijke voorzichtig- of zelfs lafheid kan noemen, voor dat kwalijke deel van zijn levensverhaal een mantel der liefde gehanteerd en er het zwijgen over bewaard. Gezien de huidige reacties op de onthullingen kunnen we dat met wijsheid achteraf waarschijnlijk een wijze beslissing noemen.
 
De menselijke zwakheid overwegend, en afstand nemend van de arrogante overtuiging dat wij zelf uiteraard zo’n misstap nooit hadden kunnen begaan, lijkt het mij wijs om voorzichtig te zijn in ons oordeel over deze zeer jonge jongeman. Wat de weerslag van dat alles op zijn literaire oeuvre, en met name ons begrip en heuristische appreciatie daarvan, betreft, lijkt de interessantste piste om te kijken of we in de verzen ook sporen, niet van de nazistische of schuldige Lucebert, maar van het trauma van het schuldige zwijgen en het schuldige dwalen kunnen vinden – sporen die de complexiteit van de verzen nog verder compliceren en dus, op een expressieve manier, verdiepen. Sporen die ons aanspreken op onze menselijkheid, en dus ook onze zwakte en onze banaliteit (Sporen die Gerbrandy in zijn bijdrage al volgt).
 
Wat mezelf betreft: wanneer ik dat ene gedicht herlees waarmee lang geleden, als tiener in de schoolbanken, mijn waardering voor Lucebert begon, dan kan ik nu toch wat helderder vermoeden waar Heer Horror vandaan kwam toen hij razend uitging, en waarom hij niet meer thuiskwam. Vooral dat niet meer thuiskomen vervult mij met ontzag, en met mededogen, als ik bedenk wat het mogelijk vertelt over Luceberts decennialange interne worsteling met dat toegedekte, schuldige zelf van hem.
 
Yi Fong Au en Tommy van Avermaete (red.): Door de schaduwen bestormd: Reflecties op de controverse rond de oorlogsjaren van Lucebert, Oevers, Zaandam 2019, 316 p. : ill. ISBN 9789492068262 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2019

De grote verkilling

Geert van Istendael

Kamers antikamers

Niña Weijers

Verlaten

Jane Harper

Verwondering

Aharon Appelfeld

Winterlaken

Micha Andriessen

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2019

Adres onbekend

Susin Nielsen

Mag je haaien aaien?

Katrijn De wit, Inge Rylant (ill.), Laura Bergans (design)

Niet te stoppen

Angie Thomas

Ploef

Espen Dekko, Mari Kanstad Johnsen (ill.)

Zo slapen dieren

Jiří Dvořák, Marie Štumpfová (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri