Beschouwingen

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2019

Een ridder voor alle seizoenen: * De eerste avonturen van de Rode Ridder, 1959-1961

door Christophe Van Eecke

Dit jaar viert de Rode Ridder zijn zestigste verjaardag. Dat is een uitgelezen gelegenheid voor Standaard Uitgeverij om de eerste zesendertig strip albums opnieuw uit te geven in een reeks van zes luxe-edities die telkens zes albums verzamelen, in een ongewijzigde herdruk van de eerste druk (wat betekent dat de dt-fouten blijven staan) en voorzien van een inleidend essay van de hand van Ivo De Wispelaere, die heel veel achtergrondinformatie aanbrengt die voortbouwt op de inzichten die eerder al werden gepubliceerd in de brochure De Rode Ridder zonder grenzen (Turnhout, 2005). De eerste twee delen zijn al verschenen en zijn voor de fan en verzamelaar een must, niet alleen omwille van de inleidende essays, maar ook omdat ze de originele versies van de albums in de best mogelijke drukkwaliteit aanbieden.
 
Zijn zestig lentes zijn de ridder niet aan te zien, maar dit jubileum is toch een gelegenheid om die oude albums eens opnieuw te gaan lezen met de kritische maar, laten we eerlijk zijn, welwillende afstand van de tijd. Als kind was ik verslingerd aan de avonturen van Johan, de Rode Ridder. Maar wat blijft er overeind van het jeugdsentiment? En vooral: is het nog wel toegestaan, in deze tijden van politieke hypercorrectheid, om ridderverhalen uit een politiek incorrect verleden met plezier te herlezen? De fans kunnen op beide oren slapen: wat ‘fout’ is aan deze vroege albums, is vooral fout op een aandoenlijke manier, en de retro-charme van het geheel maakt het onverminderd mogelijk voor jongens van een zekere leeftijd om met onverhuld genoegen de avonturen van hun jeugd opnieuw te beleven.

Van boek naar beeld
De Rode Ridder was niet de uitvinding van Willy Vandersteen. Het was jeugdauteur Leopold Vermeiren die de figuur in 1946 creëerde voor een reeks verhalen in de jeugdbijlage van de Gazet van Antwerpen. Vanaf 1953 liet hij de avonturen van zijn ridder ook in boekvorm verschijnen. In 1959 werd door uitgever Zuid-Nederlandse Uitgeverij het idee geopperd om de boeken te verstrippen. Op dat moment werden de romans van de Rode Ridder al geïllustreerd door Karel Verschuere, maar deze was verbonden aan Studio Vandersteen, wiens strips via Standaard Uitgeverij werden gepubliceerd, en zag het niet zitten om nu ook Ridder-strips te gaan maken voor een concurrerende uitgever. De patstelling werd opgelost door Vermeiren te overhalen zijn boekenreeks ook bij Standaard Uitgeverij onder te brengen, zodat zowel boeken als strips vanaf 1959 onder hetzelfde dak waren gehuisvest.
 
Ondanks deze symbiose zouden de boeken van Vermeiren en de strips van Studio Vandersteen een parallel bestaan leiden: beide reeks evolueerden los van elkaar, ook al nam de gedaante van de Rode Ridder in de illustraties voor Vermeirens boeken geleidelijk de trekken van de stripfiguur aan. Inhoudelijk was er evenwel geen overlapping. Willy Vandersteen leverde het concept en een aanzet voor het eerste album, maar omdat hij samen met auteur Maria Rosseels op een lange promotionele reis naar het verre Oosten vertrok, werd het eerste album tijdens zijn afwezigheid door de Studio uitgewerkt. Vandersteen bleef daarna wel mee de scenario’s vormgeven, maar het was Karel Verschuere die in eerste instantie het voortouw nam met de tekeningen. Enkel het tweede album, De Gouden Sporen (1960), werd volledig door Vandersteen zelf geschreven en getekend.
 
In de eerste twaalf albums die nu in twee delen gebundeld zijn, is duidelijk te zien hoe er nog naar een vorm werd gezocht. De figuur van Johan, de Rode Ridder, verandert constant van gelaat, en zou pas na een dozijn albums min of meer een stabiele gedaante aannemen. Aangezien de strips in dagelijkse afleveringen (letterlijk strips of strookjes) in de krant verschenen, was de werkdruk enorm, waardoor de verhalen vaak op formules steunen en het tekenwerk niet altijd even verfijnd is. Toch zijn er bij deze vroegste albums al echte voltreffers zoals Het veenspook (Nr. 3, 1960) en vooral De Draak van Moerdal (Nr. 9, 1961), dat als kind al één van mijn lievelingsalbums was. Vanaf album 44, De drie huurlingen (1969), werden zowel scenario als tekenwerk overgedragen aan Karel Biddeloo, die vanaf dan een geheel eigen signatuur aan de reeks gaf.
 
De inleidende essays zijn verhelderend omdat ze niet alleen de productiegeschiedenis van de reeks toelichten, en daarmee ook de complexe werking van de Studio (die soms aan een hels tempo strips voor verschillende reeksen moest afleveren), maar ook allerhande interessante inkijkjes bieden in de productiekeuken. Zo leren we dat bepaalde beelden als sjablonen steeds opnieuw werden gebruikt en dat er schaamteloos materiaal, tot zelfs hele beeldcomposities toe, uit Amerikaanse voorbeelden werd overgenomen. Dat laatste was met de enorme productiesnelheid trouwens onvermijdelijk, en bovendien ook niet uniek voor de Studio. Daarnaast werden verschillende mogelijke verhaallijnen en contexten uitgeprobeerd en ook weer verlaten omdat ze niet interessant genoeg bleken. Zo werden er twee albums gecreëerd die duidelijk de invloed van Vandersteens reis met Rosseels naar het Verre Oosten verraden: Het wapen van Rihei (Nr. 6, 1960 in de krant, 1961 in album) en De val van Angkor (Nr. 7, 1961).
 
Die formule werkte echter niet goed en daarna zou de Ridder zijn avonturen vooral beleven in West-Europese contreien van breed-middeleeuwse signatuur – waarbij het breed zeer breed werd opgevat: de historische contexten waarin de Ridder opdraaft, omspannen meerdere eeuwen. Net zoals stripfiguren niet verouderen, zijn ze blijkbaar ook probleemloos het rijdreizen meester, zelfs zonder een teletijdmachine. Dat de Rode Ridder in een soort tijdloos vacuüm leeft, is trouwens ook telkens weer duidelijk in de begin- en eindbeeldjes van de meeste albums, waarin de Ridder zonder enige verklaring altijd weer op weg is om zijn zwaard ten dienste van een rechtvaardige zaak te stellen. Wie hij is, waar hij vandaan komt, en waar hij heen gaat: daar wordt helemaal niets over gemeld. En zo hoort het natuurlijk ook in deze aan mythes en legendes ontleende conventie.
 
Een Rechtgeaarde Ridder…  
Hoe politiek incorrect is onze koene ridder dan na al die jaren? Wie de albums herleest met de immer kritische blik van de cultuurmarxist (zoals men dat soort lezer ter rechterzijde zo graag pleegt te noemen, al betwijfel ik of men ter rechterzijde ook zou kunnen definiëren wat zo’n cultuurmarxist dan precies is, denkt, gelooft of doet) kan een aantal interessante thematische lijnen ontwaren die door hun amusante gedateerdheid bijdragen aan het schuldig genoegen dat men aan deze vroege albums kan beleven. Tegelijkertijd zit er toch ook een zekere tijdeloosheid in deze jongensverhalen (want dat zijn het natuurlijk wel), waardoor deze strips veel meer zijn dan gewoon een tijdscapsule uit de iets stoffiger jaren zestig à la flamande (in de schaduw van Expo ’58 en de kerktoren).
 
Die dubbelheid zien we meteen in de figuur van de Rode Ridder zelf. Tot in der treure wordt van album tot album, van pagina tot pagina, herhaald dat deze Ridder geen onrecht kan verdragen. Johan wordt gedreven door een ridderlijke gedragscode die draait rond eer en moed: dat zijn de centrale waarden waar hij voor staat. Steeds weer zal hij nog liever een mogelijk hopeloze strijd strijden dan zich over te geven aan personen van kwestieus moreel allooi. Die thematiek wordt heel expliciet in het tweede, geheel door Vandersteen gemaakte album, De gouden sporen, waarin onze Ridder optrekt met drie jonge aspirant-ridders die op een bijna emblematische wijze een aantal (on)deugden verpersoonlijken: Erik is een trotse en hovaardige stijfkop, Erwin is een laffe zwakkeling, en tussen hen in staat Kurt als een moedige jongeman. Duidelijker dan dat wordt het niet. Erik en Kurt sneuvelen allebei in de strijd, wat voor de laffe Erwin een morele les en aansporing is om zichzelf te hervormen en het beter te doen. Plus est en vous!
 
Om zeker te zijn dat de lezer de boodschap ook meekrijgt, is Rode Ridder Johan steeds paraat met vingerwijzingen. Zo vermaant hij Erik: ‘Een toekomstig ridder slaat geen gevallen vijand’. Indien de lezer dat zou hebben gemist dan luidt het in Het veenspook (Nr. 3, 1960): ‘Een ridder slaat geen weerloze!’, of nog: ‘Een weerloze gevangene folteren is laf en een ridder niet waardig!’ Lafheid is een kardinale zonde in deze reeks, zoals ook de laffe kapitein van een piratenschip in De Parel van Bagdad (Nr. 4, 1960) ervaart nadat hij Johans vuist heeft geproefd: ‘Lafbek! Gij zijt niet waard een zwaard te dragen!’ In datzelfde album wordt de Rode Ridder als slaaf verkocht, maar voelt daar zelf eigenlijk weinig voor: ‘Een ridder sterft liever door het zwaard dan slavenboeien te dragen!’ Hij voegt meteen de daad bij het woord door zijn vrijheid terug te verdienen in een heldhaftige worsteling met een leeuwin.
 
In De hoorn van Horak (Nr. 12, in de krant in 1961, album 1962) verbreedt deze thematiek zich naar de problematiek van andere rassen. Dit avontuur, dat tot de meest levendige van dit eerste dozijn behoort, inspireert zich op de Scandinavische mythologie en wordt bevolkt door kobolds, berserks (het album zelf gebruikt deze twee ongewone meervoudsvormen) en een elf. De voornaamste figuren zijn evenwel Vikings, die door de Ridder worden omschreven als ‘prachtkerels, ruw, maar met een sterk begrip van tucht en eer’. De kwaadaardige kobolds kunnen daar niet tegenop: ‘Zij hebben de macht ons beelden voor te spiegelen, doch tegen de rechtschapen harten die trouw aan hun ideaal blijven vermogen zij niets!’ Oubollig is deze moraal van eer en trouw misschien wel, maar ze biedt toch een duidelijk referentiekader voor wat het betekent om een ‘echte’ man te zijn. In die zin is het heel begrijpelijk waarom de strips van de Rode Ridder doorheen de generaties blijven boeien: hun ethisch patroon beantwoordt aan een diepgewortelde psychologische behoefte van de opgroeiende knaap aan discipline en gezag. Alleen mag je zulks vandaag niet meer hardop beweren omdat men dan op de brandstapel van het biologisch essentialisme en de politieke incorrectheid belandt – en dat helaas zonder postmoderne Rode Ridder die u op het laatste nippertje op zijn ros komt bevrijden en meenemen naar zijn nederige stulp.

…met een fraai stel benen
Het is interessant om te zien hoe deze waarden in de strips als universeel worden weergegeven. Tijdens zijn avonturen in het verre Oosten ontmoet de Ridder telkens weer nobelen-van-geest die zijn code van eer en moed delen, en met wie hij zij aan zij strijdt voor de goede zaak – in dit geval onder meer de strijd tegen slavernij, zoals in De val van Angkor. En in De parel van Bagdad sluit Johan vriendschap met Omar, een geleerde die zich ook al inzet voor de strijd tegen slavernij. Het is natuurlijk interessant, met name in het licht van het Belgisch koloniaal verleden, dat deze albums slavernij als een oosters probleem aansnijden waartegen een oer-Vlaamse ridder samen met enkele verlichte lokale geesten stelling neemt, maar tegelijk spreekt doorheen deze verhalen, weliswaar op een klunzige en knudde manier, een zeker ontzag en respect voor de culturele Ander. Cultuurmarxist zal je van deze strips niet worden, maar racist evenmin: in de context van hun tijdvak beschouwd, getuigen deze strips van een gespleten exotische blik op de Ander als tegelijk primitief en nobel. Het is allemaal een oefening in bordkartonnen antropologie, wis en zeker, maar daar kunnen wij, retro-lezers, alleen maar schik in hebben.
 
Al zijn er uitzonderingen. In De zilveren adelaar (Nr. 11, 1961 in de krant, album 1962) neemt de Ridder het op tegen de Magyaren, en dat zijn, zo leren we al snel, helaas niets meer dan ‘zwervende plunderaars! Afkomstig uit de Oeral bevolken zij de vlakten van Hongarije doch trekken op hun plundertochten naar alle hoeken van het vasteland. Hun weg is gemerkt door puin en bloed!’ Verderop heet het nog dat dit een volk van ‘barbaren’ is dat ook nog wordt omschreven als ‘de wilde horde’ (een term met een zeer oude legendarische connotatie die teruggaat op de terreur van de Wilde Jacht). Waar de Oriënt nobele geesten herbergt, blijven die Oost-Europeanen uit vaag-Russische oorden toch maar ongetemde barbaren. Zeker in 1961!
 
Dit hele ethos van mannelijke eer en moed vertaalt zich ten slotte ook op een interessante manier naar de beeldtaal. Zoals eerder aangehaald, was het in deze eerste albums nog wat zoeken naar een stijl en identiteit voor onze favoriete Ridder. Bovendien was het tekenwerk omwille van de enorme werkdruk vaak ook wat slordig. Wat echter opvalt, is de vaardigheid waarmee het mannelijk lichaam in actie wordt weergegeven. Niets van stunteligheid is er te bemerken in scènes van mannen in zwaard-, vuist- of lijf-aan-lijf-gevechten. Integendeel: de mannelijke anatomie tijdens de sprong, tijdens het nobel getroffen of eerloos dood ter aarde neerstorten, of tijdens het manhaftig uithalen naar de vijand, is vrijwel altijd heel treffend en vitaal gevat. Het is wonderlijk hoe met enkele volle lijnen en een paar trefzeker aangebrachte arceringen (voor schaduw en reliëf) keer op keer, pagina na pagina, album na album, een Waarlijk Perfect Mannenbeen in beeld wordt gevat. Het stond mij nog enigszins bij, maar is mij na hernieuwde lectuur van deze twaalf albums glashelder, wat mij als prille homoseksuele schildknaap altijd weer aantrok in de avonturen van de Rode Ridder: het waren die absoluut perfect gespierde benen onder dat rokje.
 
Kasteeldames en hofjuffers
Maar hoe is het dan met het fraaie geslacht gesteld in dit universum van ridders en kastelen, barbaren en beschaafden? Het beeld van de vrouw in deze vroege albums is, net als de opvattingen over mannelijkheid en raciale of culturele verschillen, een teken van zijn synchronische tijd, dat met de afstand van de chronologische tijd ontwapenend gedateerd, maar daardoor net zo charmant, overkomt. Al bij al zijn belangrijke vrouwenfiguren echter vrij schaars in deze strips, want ridderzaken blijven natuurlijk in eerste instantie jongenszaken. Een robbertje vechten in blote benen en, desgevallend, bloot bovenlijf: dat is het beproefde recept van de heteronormatieve homosocialiteit waar bronstige tienerjongens met een boekje voor in een hoekje kruipen.
 
Er is één moment waarvan je als lezer denkt dat het ècht niet kan en dat het ongetwijfeld toen al als parodie moet zijn bedoeld. In De gouden sporen arriveert de Rode Ridder op een bepaald moment op een hoeve waar Veerle, de dochter van de herenboer, zich op haar kamer onledig houdt met wat borduurwerk. Als zij evenwel onze koene held verspiedt, springt ze op en rent de kamer uit, daarbij uitroepend: ‘Hemel! Mijn haartooi lijkt wel een hooiberg!’ En in het volgende beeldje roept zij haar kamermeid toe: ‘Vlug, haal mijn mooiste kleed voor de dag!’ Als haar vader haar onderschept en haar terug naar haar kamer stuurt, plaatst Veerle (inzake de romantische queeste duidelijk van vasthoudende signatuur) zich strategisch zonnend in haar raam, waarop de vertelstem observeert: ‘Men kan in zijn kamer blijven, en zich toch laten… bewonderen.’
 
Nu kan men zich inbeelden dat een gelegenheid om een onbekend aantrekkelijk manspersoon van huwbare leeftijd, en dan nog een ridder van het rode slag, totaal onverwacht het erf te zien betreden zich niet elke dag voordeed op een middeleeuwse boerderij, en dat een jongedame van een zekere biologische rijpheid bij haar borduurwerk al eens verstoken bleef van bepaalde schreeuwende geneugten des vlezes; maar de manier waarop deze juffer zich bereid toont zich aan de voeten te werpen van de eerste de beste ridder die het erf op komt rijden getuigt, hoe men het ook wil bekijken, van een totale ontstentenis aan feministisch zelfbewustzijn.
  
In andere avonturen hebben de dames, hoewel ze in grote mate worden herleid tot passieve rollen van ik-moet-gered-of-beschermd-worden, toch net ietsje meer ballen aan het slanke lijf. In De vrijschutter (Nr. 5, 1960) blijkt de aanvoerder van de vrijschutters, de boevenbende waar het verhaal om draait, een jonge vrouw te zijn, en in De gouden sikkel verschijnt het personage Karin de eerste keer ten tonele als een ware amazone die te paard met een speer een volwassen beer te lijf gaat, al moet gezegd dat de Rode Ridder uiteindelijk toch moet tussenkomen om haar het vege lijf te redden. Toch ook interessant: de Ridder lijkt in deze albums immuun voor romantiek en laat zich maar moeilijk betrappen op verliefdheid of zelfs maar een flirt. Rechtgeaard als hij is, heeft hij geen tijd om onder sterrenhemels te staan kussen.
 
Interessanter dan de jonge deernen, en veel complexer, is de figuur van Wanda in De draak van Moerdal. Wanda is een oude vrouw die door de boeren als een heks wordt beschouwd omdat ze verantwoordelijk wordt geacht voor de terreur die een gigantische hagedis, de zogenaamde draak uit de titel, in de streek zaait. Als verarmde weduwe woont ze samen met haar zoon Koenraad (weer zo’n knaap met een monumentaal paar benen en, alsof dat nog niet genoeg was om sterretjes te zien, een onmogelijk schattige eekhoorn als huisdier!) op een geheime plaats in het moeras (een middeleeuws verhaal zonder mysterieus moeras is geen middeleeuws verhaal). Wanda is zich heel lucide bewust van haar positie als buitenstaander en zegt over de boeren: ‘Eigenlijk krijgt ieder die buiten hun gemeenschap staat de schuld!’ Daarmee snijdt ze ook expliciet één van de centrale thema’s van dit complexe en beklijvende album aan: de manier waarop zonderlinge figuren in besloten gemeenschappen al snel de zondebok worden als bijgeloof en angst de overhand krijgen.
 
Daar staat opnieuw onze Rode Ridder tegenover, die van album tot album altijd alle problemen rationeel benadert en die ook volledig immuun lijkt voor bijgeloof, magie, of ander vormen van misleiding. En dat is toch opmerkelijk aan deze reeks: hoewel bijgeloof, oosterse religies of heidense tradities (zoals de Keltische elementen in De gouden sikkel) heel regelmatig als narratief gegeven worden ingezet, heeft de Rode Ridder zelf geen expliciete religieuze of levensbeschouwelijke kleur. Hoewel men deze strips moeilijk vrijzinnig kan noemen, zijn ze ook zeker niet christelijk of katholiek (ook naar de Ridder als Rode cultuurmarxist heb ik trouwens tevergeefs gezocht). Dat kan een uiting zijn van Vandersteens eigen neutraliteit, maar het kan net zo goed een commerciële overweging zijn: wie zijn strip niet verzuilt, verdubbelt zijn lezerspubliek.
 
Envoi
Deze eerste cyclus van een dozijn ridderavonturen is een aangenaam terugkoppelen naar jeugdiger tijden toen men nog kon denken dat zo’n ridder, of iets dat erop leek, ooit wel eens echt kon komen opdagen. Tijden toen men zijn toekomstig zelf nog in een kasteel met slotgracht kon verbeelden, of rollebollend met Dries Van Langenhove in het vaderlandse gras, elkaar trouw zwerend onder het wellustig oog van onze bonkige binkenbroeders in blote bast. Na zestig jaar hebben de albums een onweerstaanbare retro-allure, waardoor het leesplezier voor de alerte lezer een nieuwe laag krijgt. Wanneer de Rode Ridder aan het einde van album nummer twaalf, De hoorn van Horak, per drakar het land der Vikings achter zich laat om de Vlaamse bossen opnieuw te gaan vervoegen, staat deze lezer alvast paraat om hem aan de kade te gaan verwelkomen, juichende zakdoek wapperend in de hand. Het is wachten op de volgende reeks verzamelbanden om te zien hoe het de Ridder verder vergaat. Maar één ding is zeker: gerechtigheid zal geschieden, en de rok blijft kort. Meer dan dat is er niet nodig om zijn knapenvolk het lezen te leren.
 
Willy Vandersteen: De Rode Ridder: De eerste avonturen 1959-1960, Standaard Uitgeverij, Antwerpen 2019, 236p. : ill. ISBN 9789002267819
Willy Vandersteen: De Rode Ridder: De eerste avonturen 1960-1961, Standaard Uitgeverij, Antwerpen 2019, 236p. : ill. ISBN 9789002267826 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri